Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2769

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-03-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1424
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Proceskostenveroordeling in voorlopige voorziening afgewezen. Verzoek onnodig gedaan; verzoeker had reactie verweerder dienen af te wachten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/1424

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 maart 2020 op het verzoek om proceskostenveroordeling in de zaak tussen

[verzoeker] h.o.d.n. [h.o.d.n.] , te [vestigingsplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. A. Kara),

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder

(gemachtigde: S. de Winter).

Procesverloop

Bij schrijven van 19 februari 2020 heeft verzoeker zich tot de voorzieningenrechter gewend met een verzoek om een voorlopige voorziening ten aanzien van het besluit van verweerder van 29 januari 2020, waarbij het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit van

27 juni 2019, waarbij verzoeker een last onder dwangsom is opgelegd, ongegrond is verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoeker op 18 februari 2020 beroep ingesteld (zaaknr. SGR 20/1405). Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft bij besluit van 24 februari 2020 de begunstigingstermijn verlengd tot

zes weken na de uitspraak in beroep.

Naar aanleiding van dit schrijven heeft verzoeker het verzoek om een voorlopige voorziening bij brief van 26 februari 2020 ingetrokken. Tevens heeft verzoeker hierbij verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Overwegingen

1.1

Ingevolge artikel 8:84, vijfde lid, juncto artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, in geval van intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening omdat geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoet gekomen en indien daarom bij intrekking is verzocht, het bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs dienden te worden gemaakt.

1.2

Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan, in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 in de kosten worden veroordeeld.

1.3

Artikel 8:83, derde lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

2. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

3.1

Nu verweerder bij besluit van 24 februari 2020 heeft meegedeeld dat de begunstigingstermijn, die op 27 februari 2020 zou aflopen, tot zes weken na de uitspraak in beroep is verlengd, is verweerder aan verzoeker tegemoetgekomen als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb.

De voorzieningenrechter ziet echter onvoldoende aanleiding om over te gaan tot een veroordeling in de proceskosten. Daarbij is van belang dat op pagina 1 van het verlengingsbesluit van 24 februari 2020 is vermeld dat verzoeker op 18 februari 2020 telefonisch en per mail contact heeft opgenomen met verweerder met het verzoek de begunstigingstermijn te verlengen. Het besluit van 24 februari 2020 is dan ook naar aanleiding van dit verzoek genomen. Aangezien verzoeker reeds op 19 februari 2020 het verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend en de reactie van de zijde van verweerder op het verzoek om de begunstigingstermijn te verlengen niet heeft afgewacht, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker onnodig een verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend.

3.2

Evenmin is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder in de proceskosten zou moeten worden veroordeeld.

4. Het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen wordt dan ook als kennelijk ongegrond afgewezen.

5. Van een situatie als bedoeld in artikel 8:82, vierde lid, van de Awb is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake, zodat het griffierecht niet zal worden terugbetaald.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.

Deze uitspraak is gedaan op 30 maart 2020 door mr. D.R. van der Meer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nog niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de

gelegenheid de uitspraak te ondertekenen

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.