Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2761

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
C/09/588728 / JE RK 20-420
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aangehouden MUHP- telefonisch horen in verband met het coronavirus

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaksgegevens: C/09/588728 / JE RK 20-420

Datum uitspraak: 18 maart 2020

Beschikking van de kinderrechter

Machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak naar aanleiding van het op 19 februari 2020 ingekomen verzoek van:

de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (verder: de gecertificeerde instelling),

betreffende:

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2006 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een voor de rechtbank bekend adres.

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoek, met bijlagen;

- het emailbericht van 17 maart 2020, met bijlage, van de zijde van de gecertificeerde

instelling.

Op 18 maart 2020 zijn in verband met de maatregelen tegen het coronavirus (COVID-19), de verzoeker en de eventuele belanghebbenden telefonisch gehoord in een zogeheten conferentiegesprek.

Gehoord zijn mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] namens de gecertificeerde instelling en

de heer [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

De kinderrechter heeft meerdere malen geprobeerd telefonisch contact met de moeder te krijgen, maar dit is niet gelukt, ook niet na het inspreken van een voicemailbericht.

De kinderrechter heeft [minderjarige] op 18 maart 2020, apart, telefonisch gehoord.

Feiten

[de man] (verder:de vader) heeft [minderjarige] erkend.

De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.

[minderjarige] verblijft thans feitelijk in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 15 augustus 2019 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd van 20 september 2019 tot 20 september 2020.

Verzoek

Het verzoek strekt tot machtiging [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een zorgaanbieder (lees: jeugdhulpaanbieder) voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De grond voor het verzoek is gelegen in het navolgende. De gecertificeerde instelling

is van mening dat verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder noodzakelijk is, te weten [instelling] . Thuisplaatsing van [minderjarige] bij de ouders is niet mogelijk.

De jeugdzorgwerker heeft onvoldoende zicht gekregen op de thuissituatie, daardoor kan de veiligheid van [minderjarige] in de thuissituatie niet worden gewaarborgd.

Tijdens de telefonische behandeling is van de zijde van de gecertificeerde instelling aangegeven dat van [instelling] , de instelling waar [minderjarige] nu verblijft, is vernomen dat na een positieve start het eerdere seksueel wervende gedrag van [minderjarige] al weer zichtbaar is.

In overleg met de gedragswetenschapper zal worden bekeken welke behandeling [minderjarige] nodig heeft.

Van de zijde van de Raad is aangegeven dat het verzoek van de gecertificeerde instelling wordt ondersteund.

[minderjarige] heeft aangegeven dat zij graag op de [instelling] wil blijven, het bevalt haar goed. Laksiha heeft ook beaamd dat ze nog aan een aantal punten moet werken, zoals haar weerbaarheid.

Beoordeling

Nu van de zijde van de gecertificeerde instelling tijdens het telefonisch horen is aangegeven dat de vader niet betrokken is bij [minderjarige] en alleen formeel het gezag heeft, zal de kinderrechter de vader niet aanmerken als belanghebbende in deze procedure.

Nu de kinderrechter de moeder na diverse pogingen telefonisch niet heeft kunnen horen, hoewel de jeugdbeschermer haar op 17 maart 2020 op de hoogte heeft gebracht van het tijdstip van de belafspraak, ziet de kinderrechter geen reden tot aanhouding van de behandeling over te gaan.

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en tijdens het horen naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing aanwezig zijn. Daarbij overweegt de kinderrechter in het bijzonder dat het in het belang van de ontwikkeling van [minderjarige] is dat zij uit huis is geplaatst. Plaatsing bij haar moeder thuis is geen optie, nu er geen zicht is op de thuissituatie. De veiligheid van [minderjarige] kan dan niet worden gewaarborgd.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

machtigt de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder van 18 maart 2020 tot 20 september 2020, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2020 door mr. E.M.M. Engbers, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 23 maart 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.