Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2736

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
06-04-2020
Zaaknummer
C/09/577006 / HA ZA 19-751
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

artt. 57 ZPW jo 94 GKVo: zeer feitelijke beoordeling van de hoeveelheid areaaloverschrijding en vermeerdering planten van het ras en hoogte schadevergoeding; geen schade door niet melden rooien en vernietiging; geen misbruik van procesrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Kamer voor het Kwekersrecht

zaaknummer / rolnummer: C/09/577006 / HA ZA 19-751

Vonnis van 25 maart 2020

in de zaak van

[de V.O.F.] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. P.J.L.J. Duijsens te Den Haag,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. V.C. Audiffred te Hoofddorp.

Partijen zullen hierna [de V.O.F.] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 27 juni 2019 met producties 1 t/m 4;

  • -

    de conclusie van antwoord van 28 augustus 2019 met producties 1 t/m 7;

  • -

    het tussenvonnis van 23 oktober 2019 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de brief zijdens [de V.O.F.] van 14 januari 2020 met vier aanvullende producties;

  • -

    de bij B8-formulier van 20 januari 2020 zijdens [gedaagde] toegezonden aanvullende productie 8;

  • -

    de bij e-mailbericht van 3 februari 2020 toegezonden opgave nadere proceskosten zijdens [de V.O.F.] ;

  • -

    de bij B8-formulier van 4 februari 2020 toegezonden opgave nadere proceskosten zijdens [gedaagde] ;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 februari 2020 met de daaraan gehechte spreekaantekeningen zijdens [gedaagde] .

1.2.

Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt en partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop schriftelijk te reageren. Zijdens [gedaagde] is van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 19 februari 2020. Deze brief is aan het proces-verbaal gehecht en maakt deel uit van het procesdossier.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

[de V.O.F.] drijft een onderneming die zich bezighoudt met onder meer het kweken en veredelen van teeltrassen, waaronder het ras B. Elisabeth, soort Lysimachia (hierna: het ras). [de V.O.F.] is houdster van een communautair kwekersrecht voor het ras1. Het ras wordt over het algemeen geteeld voor de bloemen die ervan worden geoogst en verkocht als sierbloem.

2.2.

[gedaagde] drijft een onderneming die zich onder meer bezighoudt met het telen van gewassen.

2.3.

[de V.O.F.] en [gedaagde] zijn in februari 2011 een koopovereenkomst aangegaan met betrekking tot 1500 kopstekken van het ras voor een prijs van € 0,60 per plant, exclusief royalty’s en exclusief BTW, uit te planten op een areaal van 120 m2 en tegen een royalty van € 0,50 per m2 per jaar, exclusief BTW. In dit verband is door partijen een verkoopbevestiging ondertekend, welke is gedateerd op 7 februari 2011. In deze verkoopbevestiging staat onder meer het volgende vermeld:

Aan u verkocht volgens de bijgevoegde licentievoorwaarden [de V.O.F.] L.okt2009.

en

Op alle verstrekte opdrachten tot het leveren van goederen (…) zijn uitsluitend onze op de achterzijde afgedrukte Algemene voorwaarden van toepassing, welke voorwaarden bij de Arrondissementsrechtbank …

2.4.

In de licentievoorwaarden [de V.O.F.] L.okt2009 is onder meer de volgende bepaling opgenomen:

2.18

Indien licentienemer voornemens is planten van een ras te rooien dan wel te vernietigen, dient hij dit tenminste een maand voor het rooien en/of vernietigen schriftelijk aan [de V.O.F.] kenbaar te maken, doch altijd voor 1 januari van het betreffende jaar. Daarna kan licentiegever eventueel het beplantte oppervlak controleren om in januari van het betreffende jaar de royalty’s te kunnen factureren.

2.5.

Op 16 mei 2011 zijn de 1500 kopstekken door [de V.O.F.] bij [gedaagde] afgeleverd. [gedaagde] heeft de koopprijs van € 0,60 per plant en de over 2011 verschuldigde royalty’s van € 0,50 per m2 voldaan.

2.6.

In januari van de jaren 2012-2015 heeft [de V.O.F.] jaarlijks aan [gedaagde] licentierechten voor het telen van planten van het ras op een areaal van120 m2 gefactureerd. De prijs was daarbij nog steeds € 0,50 per m2, zodat een bedrag van € 60,- exclusief BTW in rekening werd gebracht. Deze facturen zijn door [gedaagde] voldaan.

2.7.

In 2015 heeft [de V.O.F.] [gedaagde] verzocht opgave te doen van het aantal vierkante meter waarop hij planten van het ras teelt, door het invullen van een daartoe opgesteld ‘Meetformulier licentieoppervlakten’. [gedaagde] heeft het formulier ingevuld en aan [de V.O.F.] geretourneerd. De opname, gedaan op 29 mei 2015, vermeldt dat hij op dat moment twee blokken van 35 bij 6 meter (derhalve twee maal 210 m2) met elk vier bedden had beplant. Het ene blok was aangeplant in 2014 en het andere blok was aangeplant in 2015. Aan dit ingevulde formulier wordt hierna gerefereerd als ‘het meetformulier 2015’.

2.8.

Op 19 juli 2016 heeft [de V.O.F.] [gedaagde] wederom verzocht opgave te doen in verband met een inventarisatie van de licentieoppervlakten van de teelt van planten van het ras. Daarop heeft [gedaagde] aan [de V.O.F.] bericht dat hij geen planten van het ras meer had staan.

2.9.

In augustus 2016 heeft [de V.O.F.] het bedrijf van [gedaagde] bezocht en daar geen planten van het ras meer aangetroffen.

2.10.

Op 6 september 2016 heeft [de V.O.F.] [gedaagde] gesommeerd tot betaling van een totaalbedrag van € 10.860,30 in verband met illegale vermeerdering van 16.590 planten ad € 0,60 per plant, achterstallige royalty’s en areaaloverschrijdingen van 1710 m2.

2.11.

Hierop heeft [gedaagde] een bedrag van € 95,40 aan [de V.O.F.] voldaan.

2.12.

Op 20 september 2016 heeft de advocaat van [de V.O.F.] de sommatie jegens [gedaagde] herhaald.

2.13.

[gedaagde] heeft vervolgens nog een bedrag van € 675,75 aan [de V.O.F.] voldaan.

2.14.

Nadat de advocaat van [de V.O.F.] in juni 2019 aan de advocaat van [gedaagde] een concept dagvaarding had toegezonden, heeft [gedaagde] nog een bedrag van € 1.531,80 aan [de V.O.F.] betaald. Die betaling en de in deze zaak uitgebrachte dagvaarding hebben elkaar gekruist.

3 Het geschil

3.1.

[de V.O.F.] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 12.839,05, vermeerderd met rente en proceskosten op grond van artikel 1019h Rv2.

3.2.

[de V.O.F.] voert daartoe aan dat er vanaf 20123 in het bedrijf van [gedaagde] sprake moet zijn geweest van areaaloverschrijding en illegale vermeerdering, hetgeen in strijd is met artikel 57 ZPW4. Immers, uit het meetformulier 2015 blijkt dat [gedaagde] op een groter areaal dan opgegeven planten van het ras heeft gekweekt en hij moet deze zelf hebben vermeerderd aangezien de planten niet van [de V.O.F.] afkomstig zijn. Voorts heeft [gedaagde] in strijd met de licentievoorwaarden geen melding gedaan van het rooien en vernietigen van de planten van het ras in 2015. [de V.O.F.] heeft daarom recht op vergoeding van de door hem geleden schade, waarbij hij uitgaat van € 0,60 per vermeerderde plant en € 0,50 per m2 areaaloverschrijding.

3.3.

[gedaagde] voert verweer en betoogt dat alleen in 2014 en 2015 sprake is geweest van areaaloverschrijding en dan in beperktere mate dan [de V.O.F.] stelt. De vermeerdering heeft ook op beperktere schaal plaatsgevonden. De schadevergoeding die [de V.O.F.] vordert per door [gedaagde] vermeerderde plant is volgens [gedaagde] te hoog. Voorts betwist [gedaagde] de toepasselijkheid van de licentievoorwaarden omdat hij deze nooit heeft ontvangen. Ook betwist hij dat [de V.O.F.] schade heeft geleden door het niet melden van het rooien en vernietigen van de planten in 2015. Ten slotte voert [gedaagde] aan dat hij met de door hem verrichtte betalingen van in totaal € 2.302,95 de schade van [de V.O.F.] reeds meer dan voldoende heeft gecompenseerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

bevoegdheid

4.1.

De kamer voor het kwekersrecht van de rechtbank is bevoegd van dit geschil kennis te nemen op grond van artikel 78 ZPW en de artikelen 94 en 101 lid 2 en 4 GKVo5. Overigens is de bevoegdheid ook niet betwist.

inleiding

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] zonder toestemming van [de V.O.F.] planten van het ras heeft vermeerderd en dat in 2014 en 2015 sprake is geweest van areaaloverschrijding. Het geschil spitst zich toe op de vraag vanaf wanneer sprake is geweest van areaaloverschrijding, hoeveel de totale areaaloverschrijding bedraagt en
– daarmee samenhangend – hoeveel planten [gedaagde] zelf heeft vermeerderd door wortelstekken af te nemen. De rechtbank bespreekt die kwestie daarom eerst. De rechtbank gaat aansluitend in op de vraag hoe veel de schadevergoeding per vermeerderde plant dient te bedragen. Vervolgens bespreekt de rechtbank of [gedaagde] in strijd met de licentievoorwaarden heeft nagelaten [de V.O.F.] te informeren over het rooien en vernietigen van de planten van het ras eind 2015 en zo ja, of daar een verplichting tot het betalen van schadevergoeding uit voortvloeit. In dat kader komt aan de orde de vraag of die licentievoorwaarden van toepassing zijn. Ten slotte gaat de rechtbank in op wat dit alles betekent voor de vordering van [de V.O.F.] en de over en weer gevorderde proceskosten.

illegale vermeerdering en areaaloverschrijding

4.3.

[de V.O.F.] stelt dat uit het meetformulier 2015 blijkt dat [gedaagde] alle jaren op twee blokken van ieder 210 m2 heeft geteeld. Het is volgens [de V.O.F.] een algemeen gebruikte techniek om in twee even grote blokken te telen. Het ras heeft de meeste opbrengst in de eerste twee jaar en wordt om die reden vaak na twee jaar gerooid en vernietigd. Daarom kopen telers, normaal gesproken, ieder jaar opnieuw kopstekken bij [de V.O.F.] , zodat ze een deel eerstejaars planten hebben en een ongeveer even groot deel tweedejaars. Bovendien is het volgens [de V.O.F.] onmogelijk dat [gedaagde] tot een areaal van 420 m2 in 2015 is gekomen als hij niet al meteen in 2012 heeft vermeerderd naar twee blokken en een groter areaal dan 120 m2.

4.4.

[gedaagde] heeft de redenering van [de V.O.F.] weersproken. Hij heeft op basis van zijn aantekeningen over gebruik van de percelen en verkoopcijfers (van de bloemen) gereconstrueerd hoe hij het ras sinds 2011 heeft geteeld. Dat is niet op de door [de V.O.F.] geschetste wijze gegaan en verschilt van jaar tot jaar omdat dat afhankelijk is van verschillende factoren, zoals de beschikbaarheid van zijn land, de tijd die hij zelf had om het ras te telen gelet op andere werkzaamheden, de kwaliteit van de planten/wortelstekken, het klimaat en enigszins de vraag vanuit de markt. [gedaagde] betoogt verder dat planten die in het voorjaar voor een tweede of volgend jaar opkomen, in mei/juni bloemen geven. Van planten die in het voorjaar zijn gepoot vanuit een wortelstek, kunnen in augustus/september bloemen geoogst worden. In de winter sterven de bovengrondse planten af. Volgens [gedaagde] is de teelt verlopen zoals hierna weergegeven. Daarbij hanteert hij een gemiddelde van 12,5 wortelstek per m2.

2012

Van de 1500 in 2011 geleverde en op een perceel van 120 m2 geplante kopstekken kwam na de winter nog maar ongeveer 25% op. [gedaagde] wijt dat aan de te late levering van de kopstekken en de kwaliteit ervan. De opgekomen planten zijn op een perceel van 40 m2 opnieuw uitgeplant. Van vermeerdering is in 2012 geen sprake geweest.

2013

In verband met landruil is een deel van de planten uit 2012 gerooid en deels elders op een perceel van 40 m² opnieuw in de grond gezet. Als je planten opnieuw in de grond zet, hebben ze meer ruimte nodig. Voorts zijn op een perceel van 63 m2 wortelstekken uitgeplant. Derhalve is in 2013 in totaal op een areaal van 103 m2 geteeld en is sprake van vermeerdering met (63x12,5=) 788 wortelstekken.

2014

Van de teelt uit 2013 is 65 m2 aan planten blijven staan, de rest is gerooid. Op een perceel van 210 m2 zijn wortelstekken uitgeplant. Derhalve is in 2014 in totaal op een areaal van 275 m2 geteeld en is sprake van vermeerdering met (210x12,5=) 2625 wortelstekken.

2015

Van de teelt uit 2014 is 160 m2 aan planten blijven staan, de rest is gerooid. Op een perceel van 210 m2 zijn wortelstekken uitgeplant. Derhalve is in 2015 in totaal op een areaal van 370m2 geteeld en is sprake van vermeerdering met (210x12,5=) 2625 wortelstekken. In december 2015 zijn alle planten gerooid en vernietigd.

Dat het meetformulier 2015 afwijkt van deze opgave, verklaart [gedaagde] door erop te wijzen dat de opgave die je doet, afhangt van het moment in het jaar. Na de eerste bloei van de tweedejaars planten in mei/juni, kan hij de planten rooien of hij laat ze afsterven.

4.5.

De rechtbank stelt vast dat de reconstructie van [gedaagde] neerkomt op het volgende (de aantallen betreffen het areaal in vierkante meters):

jaar

eerstejaars

tweedejaars

derdejaars

bijzonderheid

2011

120

overeengekomen levering kopstekken

2012

40

opnieuw uitgeplant op hetzelfde perceel

2013

63

40

wegens landruil een deel uitgeplant op een ander perceel van dezelfde grootte en wortelstekken gepoot

2014

210

65

2015

210

160

4.6.

[gedaagde] heeft de – overigens pas ter zitting ingenomen – stelling van [de V.O.F.] dat zijn werknemers al vanaf 2012 ‘dubbele blokken’ en derhalve areaaloverschrijding en illegale vermeerdering bij [gedaagde] hebben geconstateerd, betwist. Volgens [gedaagde] is hem door de werknemers van [de V.O.F.] juist steeds te verstaan gegeven dat hij goed bezig was. Vast staat dat [de V.O.F.] [gedaagde] niet eerder dan in 2016 met de sub 2.10 genoemde sommatie op de gestelde illegale vermeerdering en areaaloverschrijding heeft aangesproken. Als [de V.O.F.] inderdaad al veel eerder hiervan op de hoogte was, had het voor de hand gelegen dat zij [gedaagde] daarop had aangesproken. Waarom dat niet is gebeurd totdat [de V.O.F.] [gedaagde] in september 2016 ineens een sommatiebrief stuurde, heeft [de V.O.F.] desgevraagd niet kunnen verklaren. De rechtbank gaat aan deze stelling van [de V.O.F.] dan ook voorbij.

4.7.

De rechtbank is van oordeel dat [de V.O.F.] de reconstructie van [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. [de V.O.F.] heeft niet met concrete feiten of omstandigheden aangegeven waarom de wijze van vermeerdering zoals die volgens [gedaagde] heeft plaatsgevonden, niet mogelijk is. De enkele omstandigheid dat het een algemeen gebruikte techniek is om te telen op de wijze als door [de V.O.F.] geschetst, is een onvoldoende weerspreking. De reconstructie van [gedaagde] komt de rechtbank ook overigens redelijk voor. Ter zitting waren partijen het er over eens dat het ras weliswaar de beste bloemen geeft in de eerste twee jaar, maar dat een plant wel langer kan leven, zij het met een lagere bloemenopbrengst. Dat [gedaagde] eenmalig (in 2013) is doorgegaan met een derdejaars teelt, is dan ook niet onaannemelijk. Voorts heeft [gedaagde] onweersproken naar voren gebracht dat planten van het ras jaarlijks 5 tot 10 wortelstekken maken, zodat het aantal planten snel uit te breiden is. Dat is bij gebrek aan betwisting een verklaring voor de door [gedaagde] geschetste situatie waarin hij kennelijk in staat is geweest om van de 40 derdejaars planten uit 2013 maar liefst 210 nieuwe planten in 2014 te maken (zodat van één plant 5 tot 6 wortelstekken moeten zijn gehaald). Daarbij betrekt de rechtbank dat het aantal planten per oppervlakte waar [gedaagde] mee rekent weliswaar iets lager is dan het aantal waar [de V.O.F.] mee heeft gerekend (14 planten per m2), maar overeenkomt met de 1500 planten die in 2011 zijn geleverd. Die zijn immers geleverd met een licentie voor een areaal van 120 m2, wat ook neerkomt op 12,5 planten per m2.

4.8.

De rechtbank gaat wel voorbij aan het betoog van [gedaagde] met betrekking tot het verschil tussen de opgave die hij heeft gedaan met het meetformulier 2015 en de berekening over 2015 die 50 m2 lager uitkomt. Dat [gedaagde] op enig moment in 2015 op een perceel van 420 m2 heeft geteeld (namelijk tweedejaars planten op een perceel van 210 m2 en eerstejaars planten op een perceel van 210 m2 ), zoals door hem op het meetformulier 2015 is aangegeven, staat vast. Dat het beplante oppervlak op enig moment lager is geweest doordat een deel van de tweedejaars planten al was gerooid, doet er niet aan af dat voor wat betreft de royaltyvergoeding van belang is wat het maximale oppervlakte is dat door de licentienemer in een jaar beplant is (geweest). Dat is tussen partijen ook niet in geschil. De rechtbank gaat er derhalve vanuit dat [gedaagde] in 2015 op een areaal van in totaal 420 m2 planten van het ras heeft geteeld.

4.9.

Dat brengt de rechtbank tot het oordeel dat sprake is van een areaaloverschrijding en illegale vermeerdering in de verschillende jaren ter hoogte van:

jaar

areaaloverschrijding:

(totaal areaal minus 120 m2)

illegale vermeerdering:

2012

0

0

2013

0

788

2014

275-120=155

2625

2015

420-120=300

2625

Totaal

455

6.038

schadevergoeding

4.10.

Artikel 94 GKVo luidt, voor zover van belang, als volgt

1. Een ieder die a) zonder daartoe gerechtigd te zijn, met betrekking tot een ras waarvoor een communautair kwekersrecht is verleend, een van de in artikel 13, lid 2, genoemde handelingen verricht, (…) kan door de houder in rechte worden aangesproken met het oog op (…) betaling van een passende vergoeding.

Het begrip ‘passende vergoeding’ moet in die zin worden uitgelegd dat het, naast betaling van de vergoeding die voor het produceren van het ras onder licentie gebruikelijk is, alle schade van de houder van het kwekersrecht dekt die nauw verband houdt met het
niet-betalen van deze vergoeding. Voorts kan rekening worden gehouden met omstandigheden die aanleiding geven tot een vermeerdering van de vergoeding, met dien verstande dat elk van deze omstandigheden slechts eenmaal in aanmerking mag worden genomen voor de begroting van het bedrag van een passende vergoeding6.

4.11.

[de V.O.F.] berekent de door hem gevorderde schadevergoeding op basis van € 0,50 per m2 areaaloverschrijding en € 0,60 per door [gedaagde] vermeerderde plant. De hoogte van de gevorderde schadevergoeding per m2 areaaloverschrijding ad € 0,50 is niet door [gedaagde] betwist, zodat de rechtbank daarvan uitgaat. De hoogte van de schadevergoeding per vermeerderde plant is wel in geschil en daarover overweegt de rechtbank als volgt.

4.12.

[de V.O.F.] stelt dat de schade per vermeerderde plant € 0,60 bedraagt omdat [gedaagde] de kopstekken tegen die prijs had moeten afnemen. Zij stelt dat zij er vanuit gaat dat telers jaarlijks opnieuw bij hem bestellen en zij dient op korte termijn te kunnen leveren. Daarom houdt zij altijd een grote voorraad aan. Als er niet besteld wordt, moeten de kopstekken vernietigd worden, en de kosten zijn dan al gemaakt.

4.13.

[gedaagde] heeft dat weersproken en voert aan dat [de V.O.F.] geen kosten heeft gemaakt, nu zij voor [gedaagde] geen kopstekken heeft hoeven kweken. Het maken van kopstekken is arbeidsintensief en kostbaar door relatief hoge materiaalkosten voor onder meer het potje en de stekgrond. Een redelijke vergoeding per wortelstek mag niet meer bedragen dan primair € 0,05 dan wel subsidiair € 0,20, zoals hierna verder wordt besproken.

4.14.

De rechtbank overweegt als volgt. Het betoog van [de V.O.F.] komt er in feite op neer dat zij al van tevoren rekening hield met nabestellingen van [gedaagde] zodat de daarvoor gemaakte kosten in aanmerking komen voor vergoeding. Dat betoog kan bij gebrek aan nadere onderbouwing niet slagen. Immers, in het jaar volgend op de eerste levering, 2012 – in welk jaar nog geen sprake was van illegale vermeerdering – is geen sprake geweest van een nadere bestelling. De rechtbank kan [de V.O.F.] daarom zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet volgen in haar betoog dat zij in de latere jaren anticipeerde op een nadere bestelling van [gedaagde] .

4.15.

Nu het aan [de V.O.F.] is om de door haar geleden schade gemotiveerd te onderbouwen en zij dat heeft nagelaten, sluit de rechtbank voor de beoordeling van de hoogte van een redelijke vergoeding aan bij het subsidiaire standpunt dat [gedaagde] heeft ingenomen. Het primaire standpunt van [gedaagde] komt de rechtbank niet redelijk voor.

4.16.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] haar bij conclusie van antwoord gevoerde verweer aangescherpt in die zin dat de kostprijs van de kopstekken van het ras € 0,55 per kopstek bedraagt, zodat de passende vergoeding slechts € 0,05 per wortelstek bedraagt7. [gedaagde] heeft dat standpunt ingenomen op basis van een naar het oordeel van de rechtbank onjuiste interpretatie van hetgeen op de mondelinge behandeling door de [heer A] naar voren is gebracht. In het proces-verbaal is opgenomen dat de [heer A] heeft gezegd:

Ik vorder EUR 0,60 per plant omdat mijn kosten navenant liggen. Ik heb die 60 cent nodig om overeind te blijven. Normaal gesproken kost een plantje 55 cent en dan moet ik ze nog opplanten en transporteren.

De rechtbank heeft de uitlating aldus begrepen dat [de V.O.F.] de stekken verkoopt voor gemiddeld € 0,55 per kopstek en dat de kosten voor opplanten en transporteren daarbij zijn inbegrepen. Uit door [gedaagde] aangehaalde zaken van [de V.O.F.] tegen andere telers8 blijkt dat [de V.O.F.] kopstekken verkoopt voor prijzen die variëren van € 0,45 tot € 0,60. Een kostprijs van € 0,55 is dan niet realistisch en dat kan de [heer A] bij de mondelinge behandeling dan ook niet bedoeld hebben.

4.17.

De rechtbank volgt derhalve het standpunt dat [gedaagde] bij conclusie van antwoord heeft ingenomen met een verwijzing naar de sub 4.16 bedoelde eerdere uitspraken. Daar zijn schadevergoedingen vastgesteld die variëren van € 0,20 tot € 0,32 per vermeerderde plant. Aan het betoog van [de V.O.F.] dat zij in die zaken niet altijd professionele rechtsbijstand heeft gehad, gaat de rechtbank voorbij nu de gevolgen van die omstandigheid voor haar rekening en risico komen. Nu [de V.O.F.] geen andere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die erop kunnen wijzen dat € 0,20 mogelijk geen passende schadevergoeding is, stelt de rechtbank die aldus vast.

niet-melden rooien en licentievoorwaarden

4.18.

Partijen zijn het er over eens dat de vraag of de licentievoorwaarden van toepassing zijn, uitsluitend van belang is voor de vraag of [gedaagde] het rooien en vernietigen van de planten in 2015 aan [de V.O.F.] had moeten melden, wat hij – dat is niet in geschil – heeft nagelaten. De licentievoorwaarden concretiseren echter niet welke consequentie moet worden verbonden aan het niet melden. [de V.O.F.] stelt dat de ratio achter deze bepaling erin is gelegen dat zij kan controleren of de resterende planten inderdaad zijn gerooid en vernietigd teneinde te voorkomen dat de planten buiten haar wetenschap aan derden worden verstrekt. [de V.O.F.] heeft echter niet op enige wijze geconcretiseerd dat zij schade heeft geleden. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] de planten aan derden heeft verstrekt. [de V.O.F.] heeft evenmin anderszins aangegeven waaruit haar schade bestaat. Derhalve is bij gebrek aan gebleken schade, ook indien de licentievoorwaarden wel van toepassing zijn, geen grond voor toewijzing van een schadevergoeding omdat [gedaagde] zijn meldplicht heeft geschonden. De vraag of de licentievoorwaarden van toepassing zijn hoeft de rechtbank derhalve niet nader te beoordelen.

vorderingen

4.19.

Het vorengaande leidt er toe dat de door [gedaagde] aan [de V.O.F.] verschuldigde schadevergoeding als volgt moet worden vastgesteld:

- een vergoeding van € 0,55 voor de areaaloverschrijding met 455 m2, derhalve € 227,50,

te vermeerderen met

- een vergoeding van € 0,20 voor een illegale vermeerdering van 6.038 wortelstekken, derhalve € 1.207,60,

zodat het totale bedrag aan schadevergoeding € 1.435,10 bedraagt.

[gedaagde] heeft reeds een bedrag van € 2.302,95 voldaan en niet is betwist dat dit bedrag op het totaal van het aan schadevergoeding vast te stellen bedrag in mindering moet worden gebracht. Nu het betaalde bedrag hoger is dan het verschuldigde bedrag, wordt tot het oordeel gekomen dat de vordering van [gedaagde] moet worden afgewezen.

proceskosten

4.20.

[gedaagde] betoogt dat [de V.O.F.] misbruik heeft gemaakt van procesrecht en moet worden veroordeeld in de volledige proceskosten die hij heeft moeten maken. Hij voert daartoe aan dat [de V.O.F.] hem na een radiostilte van bijna drie jaar heeft gedagvaard zonder hem de gelegenheid te bieden om vrijwillig tot betaling over te gaan. Bovendien heeft [de V.O.F.] willens en wetens een veelvoud gevorderd van hetgeen in eerdere procedures waarbij zij betrokken was, is toegewezen, zodat zij bekend was met de onjuistheid van haar vordering.

4.21.

Vaste rechtspraak9 is dat een vordering tot vergoeding van alle in verband met een gerechtelijke procedure gemaakte kosten alleen toewijsbaar is in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM10.

4.22.

De rechtbank is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat [de V.O.F.] het instellen van de vordering gelet op de evidente ongegrondheid ervan achterwege had moeten laten. Weliswaar heeft [de V.O.F.] haar vordering (veel) te hoog begroot, maar de enkele omstandigheid dat in andere procedures de schadevergoeding per vermeerderde plant lager is vastgesteld dan [de V.O.F.] in deze procedure vordert, is onvoldoende om de gehele vordering, die ook op andere feiten en omstandigheden is gebaseerd, te beoordelen als evident ongegrond. Voor een veroordeling van [de V.O.F.] in de volledige kosten is dan ook geen plaats.

4.23.

De rechtbank zal [de V.O.F.] echter als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de redelijke en evenredige proceskosten van [gedaagde] op grond van artikel 1019h Rv. Partijen zijn het er over eens dat deze zaak kan worden aangemerkt als een eenvoudige zaak in de zin van de toepasselijke Indicatietarieven in IE-zaken11 waarvoor een maximumtarief voor de advocaatkosten van € 8.000 als redelijk en evenredig wordt beschouwd. Nu de zijdens [gedaagde] gespecificeerde advocaatkosten dat bedrag overstijgen, worden deze beperkt tot genoemd maximumbedrag. De kostenveroordeling wordt vermeerderd met het door [gedaagde] betaalde griffierecht van € 914.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [de V.O.F.] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 8.914;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Brakel en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2020.

1 Verleend op 6 juni 2011 bij beslissing nummer 30411; aanvraagnummer 2009/0542

2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

3 Hoewel bij dagvaarding anders is betoogd, heeft [de V.O.F.] op de mondelinge behandeling erkend dat in 2011 geen sprake kan zijn geweest van illegale vermeerdering of areaaloverschrijding.

4 Zaaizaad- en Plantgoedwet 2005

5 Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht

6 Zie HvJ 9 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:419 (Hansson) en HvJ 5 juli 2012, ECLI:EU:C2012:416 (Geistbeck).

7 Zijdens [gedaagde] herhaald in de sub 1.2 genoemde brief naar aanleiding van het proces-verbaal.

8 Zie de uitspraak van deze rechtbank van 22 maart 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:2822, de uitspraak van de kantonrechter bij deze rechtbank, zittingsplaats Leiden, van 28 juni 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:7116 en de uitspraak van de kantonrechter bij de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 13 februari 2019, zaaknummer 7222637 CV EXPL 18-8173.

9 HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828 (Duka/Achmea) en HR 15 september 2017, ECLI:HR:2017:2366 (De Alternatieve c.s./Verweerders)

10 Europees verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

11 Versie april 2017