Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2720

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
27-03-2020
Zaaknummer
AWB 20/2492
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De geplande uitzetting van een Litouwse man met een vlucht vanaf luchthaven Schiphol op 27 maart 2020 mag van de voorzieningenrechter gewoon doorgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/2492

V-nr: [nummer]

uitspraak als bedoeld in artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van de voorzieningenrechter van 25 maart 2020 in de zaak tussen

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] , met Litouwse nationaliteit, verzoeker,

(gemachtigde: mr. J. van Bennekom)

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder,

(gemachtigde mr. R. Jonkman).

Overwegingen

1.2

Verzoeker heeft via het Landelijk Piket Vreemdelingen op 25 maart 2020 bezwaar gemaakt en een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met de geplande feitelijke uitzetting met vlucht [nummer] op 27 maart 2020 om 12.00 uur naar Vilnius, Litouwen. Dit is een handeling die op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 met een besluit is gelijkgesteld. De voorzieningenrechter is dan ook bevoegd en ziet aanleiding om op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak te doen zonder zitting. .

1.2

Verzoeker wenst uitzetting te voorkomen en wil de uitkomst op zijn beroep tegen de hem opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring hier afwachten.

1.3

Verweerder heeft per e-mail van 25 maart 2020 gereageerd op het verzoek. De gemachtigde van verzoeker heeft daarop ook nog gereageerd.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.1

Kortgezegd komen de gronden van verzoeker er op neer dat bij de vlucht niet de vereiste afstand van 1,5 meter in acht zal of kan worden genomen. Wat voor hem een onaanvaardbaar risico inhoudt op besmetting met het Coronavirus. Ook verzet het internationaal recht zich tegen uitzetting van verzoeker. Verder bestaat er geen actuele bedreiging voor de openbare orde en moet hij aangifte kunnen doen van diefstal van zijn paspoort.

2.2

Allereerst merkt de voorzieningenrechter het volgende op. Er loopt bij deze rechtbank nog een bewaringsprocedure NL20.7232 loopt (zitting 31 maart 2020) en ook procedures tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de beslissing waarbij is vastgesteld dat hij geen rechtmatig verblijf heeft als EU-burger (AWB 20/805 en AWB 20/806, gemachtigde mr. M.A.M. Karsten). Met betrekking tot die laatste twee zaken merkt de voorzieningenrechter op dat daarin nog geen gronden zijn ingediend.

3.1

Zoals uit een mail van de gemachtigde van verweerder blijkt, is informatie ingewonnen bij de regievoerder, dhr. [naam regievoerder] , van de Koninklijke Marechaussee op Schiphol. Daaruit blijkt dat alle luchtvaartmaatschappijen die op Schiphol vliegen de regels van de WHO naleven om verspreiding van het Corona-virus te voorkomen. Anders dan verzoeker meent, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te menen dat die regels niet zullen worden nageleefd. Uit die mail leidt de voorzieningenrechter verder af dat eiser tot op heden geen aangifte heeft gedaan van het verlies van zijn paspoort en dat dit geen beletsel is om nu naar zijn land terug te keren.

3.2

Over zijn verblijfsstatus als gemeenschapsonderdaan in Nederland heeft verweerder een beslissing op bezwaar genomen op 17 januari 2020. In dat besluit is ook getoetst aan het Unie recht. In dat besluit staat ook dat het beroep niet hier mag worden afgewacht, ook als er een voorlopige voorziening wordt ingediend. Tegen dat besluit zijn (nog) zijn geen gronden ingediend, hoewel de termijn daarvoor inmiddels is verstreken. In een brief van de rechtbank van 3 februari 2020 is verzocht de gronden binnen vier weken in te dienen.

4. Gelet op het naleven van de regels die de WHO stelt tijdens de geplande vlucht op 27 maart 2020 en ontbreken van enige beroepsgrond in de verblijfsrechtelijke procedure, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond af.

5. Voor een proceskostenveroordeling dan wel een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af.

Deze uitspraak is gedaan op 25 maart 2020 door mr. M.J.M Langeveld, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.E. Toonen, griffier, en bekendgemaakt door verzending per e-mail aan partijen op de hieronder vermelde datum.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 25 maart 2020

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.