Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2668

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
17-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1366
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen bijzondere omstandigheden voor bijzondere bijstand (woonkosten) met terugwerkende kracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/1366

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2020 in de zaak tussen

1. [eiser 1] ,

2. [eiser 2] ,

beiden te Den Haag, gezamenlijk: eisers,

(gemachtigde: mr. W.A. Timmer),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: P.B.L. Willemsen).

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2018 (primair besluit I) heeft verweerder eisers per 12 oktober 2017 een bedrag van € 185,76 per maand aan bijzondere bijstand voor woonkosten (hierna ook ‘woonkostentoeslag’) toegekend op grond van de Participatiewet (Pw).

Bij besluit van 29 juni 2018 (primair besluit II) heeft verweerder de aanvraag van eisers voor bijzondere bijstand voor woonkosten voor de jaren 2014, 2015 en 2016 afgewezen.

Bij besluit van eveneens 29 juni 2018 (primair besluit III) heeft verweerder eisers over de periode van 1 januari 2017 tot en met 1 oktober 2017 een bedrag van € 185,76 per maand aan bijzondere bijstand voor woonkosten toegekend.

Bij besluit van 14 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers gegrond verklaard en daarbij als volgt de bijzondere bijstand voor woonkosten per maand toegekend:

- over de periode van juni 2014 tot en met december 2014: € 307,98;

- over de periode van januari 2015 tot en met april 2015: € 374,15;

- over de periode van november 2016 tot en met december 2016: € 111,19;

- over het gehele jaar 2017, exclusief de maand mei: € 306,64.

Verder heeft verweerder met betrekking tot de maand mei 2017 een bedrag van € 185,76 van eisers teruggevorderd en verrekend met de nabetaling.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft aanleiding gezien het onderzoek ter zitting te schorsen, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke schikking te treffen.

Bij brief van 18 november 2019 heeft verweerder laten weten dat partijen daarin niet zijn geslaagd.

De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft na daartoe toestemming van partijen te hebben verkregen en heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Verweerder heeft bij besluit van 29 april 2014 eisers vanaf 15 mei 2013 bijstand naar de norm van gehuwden toegekend op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb). Eisers hebben op 4 juni 2014 twee aanvragen om bijzondere bijstand voor woonkosten bij verweerder ingediend. Na tussenkomst van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) zijn deze uiteindelijk in 2018 in behandeling genomen. Op 12 oktober 2017 hebben eisers nogmaals eenzelfde aanvraag ingediend. Vervolgens heeft verweerder de primaire besluiten genomen.

2.1

Verweerder heeft met de primaire besluiten I en III een bedrag van € 185,76 per maand aan bijzondere bijstand voor woonkosten toegekend over de periode van 1 januari 2017 tot en met 11 oktober 2017 en vanaf 12 oktober 2017. Met primair besluit II heeft verweerder de aanvraag met betrekking tot de jaren 2014 tot en met 2016 afgewezen omdat het recht op bijstand niet is vast te stellen door ontoereikende inlichtingen.

2.2

Verweerder heeft aan het bestreden besluit het navolgende ten grondslag gelegd. Hij is van mening dat eisers geen aanvraag voor een woonkostentoeslag over 2013 hebben gedaan nu de bijlage onroerend goed, die eisers bij hun aanvraag voor bijstand hadden gevoegd, niet als zodanig kan worden aangemerkt. De woonkostentoeslag kan daarom eerst vanaf juni 2014 worden toegekend. Ten aanzien van de periode juni tot en met december 2014 is verweerder van mening dat eisers recht hebben op een bedrag van € 307,98 per maand aan woonkostentoeslag omdat zij geen ruimte in inkomen hadden. Met betrekking tot januari tot en met april 2015 hebben eisers recht op € 374,15 aan woonkostentoeslag per maand. Voor het overige deel van 2015 niet omdat in die periode de draagkracht in inkomen groter was dan de woonkostentoeslag. Voor 2016 heeft te gelden dat voor de maanden januari tot en met oktober geen recht bestaat op de toeslag omdat de draagkracht in inkomen groter was dan de toeslag. Voor de andere maanden kan € 111,19 per maand worden verstrekt. Ten aanzien van 2017: uitgezonderd de maand mei, bestaat recht op de toeslag omdat er geen draagkracht in inkomen was. Het gaat om een bedrag van € 306,64 per maand. Een bedrag van € 185,76 aan toeslag verstrekt in de maand mei wordt teruggevorderd.

3. Eisers voeren in beroep aan dat zij, bij emailbericht van 20 november 2017 van hun gemachtigde, (opnieuw) een aanvraag voor woonkostentoeslag per 15 mei 2013 hebben gedaan. Ten aanzien van een mogelijk recht op woonkostentoeslag zijn eisers van mening dat bijzondere omstandigheden maken dat deze met terugwerkende kracht vanaf 15 mei 2013 moet worden verleend. Die bijzondere omstandigheden zijn er in gelegen dat eerst in de beslissing op bezwaar van 29 april 2014 een bijstandsuitkering is toegekend met ingang van 15 mei 2013. Een eerdere aanvraag om bijzondere bijstand zou derhalve geen zin hebben gehad en zijn afgeketst op het feit dat eisers geen bijstandsuitkering ontvingen. Voorts is er veel mis is gegaan bij de aanvraag woonkostentoeslag die eisers veronderstelden in 2013 te hebben gedaan. Zo heeft eiser het verkeerde formulier meegekregen. Op een op 12 februari 2014 ingediende aanvraag vernamen eisers voorts niets van verweerder. Vooral doordat er bij verweerder veel mis ging is de aanvraag voor bijzondere bijstand pas later gedaan, aldus eisers.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1

In artikel 44, eerste lid, Wwb is het volgende bepaald:

“Indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, wordt de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.”

Dit artikel heeft (vanaf 1 januari 2015) onder de Participatiewet zijn gelding behouden.

4.2

Dat de aanvragen van eisers van 6 november 2013 en 24 januari 2014 voor bijstand voor levensonderhoud niet ook kunnen worden beschouwd als aanvragen voor bijzondere bijstand, is tussen partijen niet langer in geschil.

4.3

Eisers hebben eerst bij aanvraag van 4 juni 2014 om bijzondere bijstand verzocht. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voorzover met die aanvraag met terugwerkende kracht bijzondere bijstand is verzocht, hij geen aanleiding ziet die toe te kennen.

4.4

Eisers hebben in beroep een emailwisseling overgelegd tussen hun gemachtigde en een medewerker van verweerder. In de email van hun gemachtigde van 20 november 2017 staat:
Met betrekking tot de ingangsdatum van de aanvraag woonkostentoeslag

nog het volgende: Cliënt heeft op 29 april 2014 een bijstandsuitkering

toegekend gekregen met ingang van 15 mei 2013 . De aanvraag voor een

bijstandsuitkering zag ook op toekenning woontoeslag. Ik verzoek u derhalve

woonkostentoeslag met ingang van 15 mei 2013 toe te kennen voor de duur

van de bijstandsuitkering, als ik mij niet vergis, tot en met eind april 2015”.

4.5

Los van de vraag of deze email als een (herhaalde) aanvraag voor bijzondere bijstand met terugwerkende kracht moet worden aangemerkt, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat geen reden bestaat woonkostentoeslag met terugwerkende kracht toe te kennen.

4.6

Tussen partijen is niet in geschil dat in beginsel geen recht op bijstand bestaat over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen en dat van dit uitgangspunt slechts kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. De vraag die voorligt is of zulke bijzondere omstandigheden aanwezig zijn.

4.7

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet in staat waren om eerder dan 4 juni 2014 een aanvraag voor bijzondere bijstand in te dienen. Dat eisers nog geen bijstandsuitkering ontvingen staat een aanvraag voor bijzondere bijstand niet in de weg, nu daartoe bepalend is of men over een inkomen op bijstandsniveau beschikt. Dat eisers hebben bedoeld in 2013 en begin 2014 ook bijzondere bijstand aan te vragen, maar dat hen het verkeerde formulier – de Bijlage onroerend goed – is meegegeven – wat daar overigens ook van zij – kan niet als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt, nu niet is gebleken dat eisers verkeerd zijn voorgelicht. Ter zitting is daarnaast door verweerder verklaard dat inderdaad veel fouten zijn gemaakt, maar dat die ook zijn hersteld. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat daarin evenmin bijzondere omstandigheden kunnen worden gevonden om bijzondere bijstand met terugwerkende kracht te verlenen.

4.8

De rechtbank komt tot de slotsom dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die maken dat aan eisers bijzondere bijstand met terugwerkende kracht verleend moet worden. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

4.9

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 25 maart 2020 door mr. N.E.M. de Coninck, rechter, in aanwezigheid van mr. Y.D. David, griffier.

De griffier is buiten staat deze

uitspraak mede te ondertekenen.

griffier rechter

Als gevolg van de maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.