Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2667

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
NL20.4755
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel Bangladesh, verweerder heeft ten onrechte tegenstrijdigheden aan eiser tegengeworpen, geloofwaardigheidsbeoordeling, gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.4755


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. T. Thissen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Brandt).


Procesverloop
Bij besluit van 15 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL20.4756, plaatsgevonden op 12 maart 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Bengaalse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] .

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij van 2011 tot 2016 in een boekenwinkel heeft gewerkt, waarvan hij van 2014 tot april 2016 de eigenaar was. In de tijd dat hij daar werkte, kwamen er steeds ‘plunderaars’ van de Awami League langs om geld te vragen. Zijn baas betaalde dat steeds en eiser probeerde dat ook te doen als zij langskwamen. Als hij dat niet kon betalen, werd hij mishandeld door hen. Zij kwamen iedere keer met ongeveer 15 personen. De Awami League partij wilde eiser lid maken van hun partij, maar eiser wilde dat niet omdat hij een sympathisant van de Bangladesh Nationalistische partij is. Toen hij dit aan hen vertelde, werd hij door hen geslagen. Verder heeft hij verklaard dat de burgemeester van de Awami League hem hiermee niet heeft geholpen. Eiser heeft verder toegelicht dat zij op [datum 1] kwamen en dat hij hen toen niet kon betalen. Hierop hebben zij hem mishandeld en hebben zij alle boeken uit de winkel meegenomen. Als gevolg van deze mishandeling heeft hij drie dagen in een privékliniek in [plaats] verbleven. Verder heeft eiser verklaard dat zijn huis op [datum 2] door hen is aangevallen. Dit heeft voor eiser de aanleiding gevormd om Bangladesh te verlaten en naar Zuid-Afrika te vertrekken.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- problemen met de Awami League plunderaars.

Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Eisers verklaringen ten aanzien van zijn problemen met de Awami League plunderaars vindt verweerder echter ongeloofwaardig.
Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser de Minister heeft misleid over zijn identiteit en nationaliteit. Eiser heeft tijdens zijn reis naar Nederland gebruik gemaakt van een vals Zuid-Afrikaans paspoort en een vals visum voor Portugal. Hij concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

4. Eiser betwist niet dat hij gebruik heeft gemaakt van een vals Zuid-Afrikaans paspoort. Er is echter geen sprake van misleiding. Uit het proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee (Kmar) van 18 januari 2020 blijkt dat eiser zijn eigen naam heeft opgegeven bij de Kmar, terwijl op het valse paspoort een andere naam vermeld stond. Hiermee heeft eiser al direct zijn juiste identiteit kenbaar gemaakt en duidelijk gemaakt dat het paspoort niet echt is. Uit de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 1 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:955, rechtsoverweging 2.2) volgt volgens eiser dat er pas sprake is van misleiding als de asielzoeker van de valsheid van het paspoort geen melding maakt. Nu eiser impliciet en expliciet melding heeft gemaakt van de valsheid van het paspoort, kan geen sprake zijn van misleiding en heeft verweerder de asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond afgewezen.

4.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag terecht als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de Kmar (pagina 8) blijkt dat eiser wel degelijk het valse paspoort heeft gepresenteerd alsof het echt is. Pas na vaststelling van vervalsing door de Kmar heeft eiser zijn Bengaalse identiteit opgegeven en aangegeven asiel te willen aanvragen. De Afdeling heeft in zijn uitspraak van 1 april 2016 geoordeeld dat sprake is van misleiding indien een vreemdeling die op de hoogte is of had kunnen zijn van de valsheid van het document, voorafgaand aan zijn asielaanvraag, bij de grenscontrole op Schiphol, dat document als echt te presenteren. Daarvan is hier sprake. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, Vw. De beroepsgrond slaagt niet.

5. Eiser voert aan dat verweerder een dag te laat is met het beslissen op de asielaanvraag nu de asielaanvraag is ingediend op 18 januari 2020 en de beschikking op 16 februari 2020 aan eiser en zijn gemachtigde is uitgereikt. In eerste instantie heeft verweerder ervoor gekozen af te wijken van de termijn van vier weken omdat sprake was van Dublin-indicaties. Toen die er toch niet bleken te zijn, heeft verweerder alsnog een nader gehoor met eiser afgenomen, waarover de gemachtigde van eiser niet is ingelicht. Gemachtigde had eiser daarom niet kunnen informeren over het eindigen van het Dublin-traject en verweerder is tot een voornemen gekomen zonder de correcties en aanvullingen af te wachten. Dat is spijtig omdat de geloofwaardigheid van het relaas in het geding is en de correcties en aanvullingen verweerder anders naar het relaas hadden kunnen laten kijken.

5.1

De rechtbank stelt vast dat verweerder ter zitting heeft erkend dat de beslissing een dag te laat is uitgereikt en dat verweerder beter had moeten communiceren met de gemachtigde over het verloop van de procedure. Daarom is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek. De rechtbank is echter van oordeel dat eiser door deze gang van zaken niet in zijn belangen is geschaad. Hoewel door deze gang van zaken een voornemen is uitgebracht, zonder de correcties en aanvullingen op het nader gehoor af te wachten, heeft eiser deze alsnog bij de zienswijze naar voren kunnen brengen. Verweerder heeft met deze correcties en aanvullingen rekening gehouden in het bestreden besluit. Ter zitting heeft eiser zelf ook verklaard door deze handelswijze niet in zijn belangen te zijn geschaad.

6. Eiser voert ten aanzien van de ongeloofwaardig geachte problemen met de Awami League aan dat de term ‘mishandeling’ in het Engels meerdere betekenissen kan hebben. Nu verweerder aan eiser heeft tegengeworpen dat onduidelijk is wanneer hij op een bepaalde manier is mishandeld, had het op de weg van verweerder gelegen hier meer duidelijkheid in te verkrijgen. De onduidelijkheid kan ook zijn ontstaan door de vertaling. Voorts heeft verweerder aan eiser gevraagd over mishandelingen in een bepaalde periode, waarop eiser dacht dat verweerder vroeg naar de mishandeling van de laatste periode. Uit de tegenwerping door verweerder blijkt dat eiser iets anders begreep in het gehoor dan verweerder bedoelde. Eiser heeft aldus een verklaring gegeven voor de verwarring bij verweerder. Verder heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met eisers emoties naar aanleiding van het recente overlijden van zijn vader. Verweerder werpt eiser eveneens ten onrechte tegen dat hij niet meteen verklaarde over de aanvallen nadat hij teruggekeerd was uit Zuid-Afrika. Eiser heeft chronologisch verklaard. Dat er nog meer speelde en dat vragen van verweerder meer informatie naar boven brengen is allerminst bevreemdend en doet geen afbreuk aan de geloofwaardigheid van het relaas van eiser. Het standpunt van verweerder dat eiser summier zou hebben verklaard over het uiterlijk van zijn aanvallers, kan eiser ook niet volgen. Hij heeft dit in de zienswijze reeds gemotiveerd weerlegd, waarop verweerder alsnog aan eiser tegenwerpt dat hij geen namen kon noemen, terwijl namen geen onderdeel zijn van het uiterlijk van personen. Voorts is geen sprake van een tegenstrijdigheid met betrekking tot de telefoontjes door [naam] . De stelling van verweerder dat alle winkeliers dezelfde problemen hebben als eiser, klopt niet omdat alleen winkeliers die niet tot de Awami League behoren worden afgeperst. Eisers problemen zijn geëscaleerd doordat hij naar de politie is gegaan. Voorts heeft eiser verklaard dat hij heeft geprobeerd hulp te vragen bij de politie, een advocaat, en bij een radiostation. Hij kon echter geen hulp krijgen. Ook de media wilde hem niet helpen. Daarnaast valt niet in te zien hoe het feit dat eiser naar aanleiding van zijn verblijfsrecht in Zuid-Afrika asiel aan heeft gevraagd, afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas.

6.1

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat aan eiser helder en eenduidig is gevraagd naar wanneer hij voor het allereerst is mishandeld door de plunderaars. Niet valt in te zien waarom eiser zich niet de eerste fysieke aanval op zijn lichamelijke integriteit heeft herinnerd, ongeacht een eventueel verschil in de vertaling van de term, maar in plaats daarvan een incident dat een jaar later heeft plaatsgevonden. Niet onopgemerkt moet blijven dat eiser hierna zelf heeft verklaard in de periode 2014-2016 meer dan 20 keer te zijn mishandeld. Hetgeen hem zou zijn overkomen in 2014 valt, gezien zijn verklaringen, voor eiser onder dezelfde categorie van mishandeling als het incident in 2015. Dat eiser in zijn eerste antwoord zou zijn uitgegaan van een andere soort behandeling dan in zijn vorige antwoord, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Voorts heeft verweerder aan eiser gevraagd wat de allereerste en de allerlaatste mishandeling was, om de gestelde periode van mishandeling door deze groep in kaart te brengen. Eiser is niet gevraagd naar een bepaalde periode of een bepaalde gradatie van mishandeling. Niet valt in te zien waarom eiser hier niet eenduidig over kan verklaren. De vraag “Wanneer bent u voor het laatst mishandeld door hen” geeft geen blijk van een aanleiding voor verwarring over de periode. De verklaring dat eiser op dat moment in het gehoor emotioneel was wegens het overlijden van zijn vader, is geen verschonende reden, nu uit het verslag blijkt dat het emotionele moment pas pagina’s verder plaats heeft gevonden. Ten aanzien van de uiterlijke beschrijving van de plunderaars stelt verweerder dat op geen enkele wijze uit het gehoorverslag kan worden geconcludeerd dat eiser zijn best heeft gedaan om hen, die zich jarenlang tientallen keren aan eiser hebben laten zien toen zij hem afpersten, te beschrijven. Van eiser wordt verwacht dat hij zijn asielrelaas zo goed mogelijk kan staven met consistente en gedetailleerde verklaringen. Eiser is hier niet in geslaagd. Ten aanzien van de telefoontjes van [naam] , valt niet in te zien waarom [naam] meer belang zou hebben bij de moord op eiser dan bij de afpersing die inmiddels jaren voortduurde en nu verliep via de vader van eiser. Dat de afpersing een list zou zijn om eiser te kunnen vermoorden wordt niet waarschijnlijk geacht. Verder heeft eiser op geen enkele wijze met onafhankelijke bronnen onderbouwd dat iedere winkelier in zijn woonplaats last heeft van afpersing, waardoor niet kan worden uitgegaan van de juistheid van deze stelling. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat eiser zich onvoldoende en niet adequaat heeft ingespannen om bescherming te zoeken als hij te maken zou hebben gehad met afpersingen. Zo valt niet in te zien waarom hij zelf maar naar één politiebureau gaat en het bij afwijzing door dat bureau niet bij een ander politiebureau probeert. Tevens wordt niet gevolgd dat de stelling dat een advocaat tegen dezelfde plunderaars geen bescherming zou hebben gekregen, nog niet maakt dat eiser zelf niet om bescherming kan vragen bij de politie. Dat eiser vervolgens wel Bangladesh Radio om hulp zou vragen is zeer opmerkelijk, nu het hier geen (hogere) autoriteit of onafhankelijke (internationale) organisatie betreft waarvan verwacht kan worden dat zij bescherming bieden. Daarnaast wordt nog overwogen door verweerder dat het in de lijn der verwachting zou liggen dat hij hier in 2016 al bescherming zou aanvragen voor de gestelde problemen, dan wel dat eiser zich na binnenkomst hier te lande meteen zou melden met een asielverzoek in plaats van na vaststelling dat zijn reisdocument vervalst is. Dit raakt echter niet de kern van de afwijzing, nu de aanvraag van eiser is gestoeld op als ongeloofwaardig beoordeelde problemen.

6.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van tegenstrijdigheden in eisers asielrelaas. Zoals verweerder zelf in zijn bestreden besluit vaststelt, is eiser consistent in het plaatsen van de incidenten in de tijd. Dit geldt vooral en met name voor eisers vrije relaas. Hoewel verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij heeft doorgevraagd op bepaalde punten, is de rechtbank evenwel van oordeel dat verweerder dit niet op een duidelijke manier heeft gedaan. Dit volgt bijvoorbeeld uit de passage waarin wordt gevraagd aan eiser wanneer zijn eerste mishandeling is geweest. Op het moment dat hij een latere datum noemt dan wanneer hij verklaarde dat de mishandelingen begonnen, werpt verweerder hem dat tegen, waarop eiser antwoordt dat deze latere datum heeft genoemd omdat ‘de eerste keer dat het echt heel ernstig was, dat was in 2015.’.1 Daarna vraagt verweerder hoe vaak eiser is mishandeld, en de vraag ‘En hoe vaak waren de mishandelingen ernstig, zoals u zelf dat onderscheid maakt?’. Eiser antwoordt daarop dat hij in totaal, dus in de 20 tot 22 keer dat hij in totaal is mishandeld, vier keer naar het ziekenhuis is geweest en dat hij toen ook bewusteloos was. Naar het oordeel van de rechtbank is duidelijk dat door de manier van doorvragen door verweerder verwarring is ontstaan over wat eiser precies bedoelt met ‘mishandeling’. Vervolgens werpt verweerder deze ontstane ‘tegenstrijdigheid’ in zijn voornemen en in het bestreden besluit tegen, terwijl het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van verweerder lag om de door het doorvragen ontstane onduidelijkheden weg te nemen. Dit geldt ook voor de ontstane verwarring bij het doorvragen over de periodes. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het nader gehoor dat eiser en de gehoorambtenaar elkaar niet altijd goed begrijpen en dat op sommige punten ook voor de rechtbank onduidelijk is waar verweerder nu precies naar vraagt en dat daardoor ook onduidelijk is wat eiser nu bedoelt. Eiser heeft het in zijn verklaringen meerdere malen over ‘periodes’, terwijl verweerder de vragen steeds stelt in het kader van concrete data. Verweerder constateert dit ook tijdens het gehoor, maar de verwarring blijft bestaan. Het had daarom op de weg van verweerder gelegen om meer duidelijkheid te scheppen in het verhaal van eiser. Voor zover er sprake is van tegenstrijdigheden had verweerder deze niet, zonder nadere motivering, aan eiser kunnen tegenwerpen.

6.3

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat het niet waarschijnlijk is dat [naam] eiser wilde vermoorden in plaats van afpersen, omdat [naam] geld van hem wilde. Naar het oordeel van de rechtbank is deze tegenwerping speculatief van aard, en heeft eiser terecht aangevoerd dat dit dreigement een afschrikwekkende werking zou hebben voor de andere winkeliers. Dat eiser onafhankelijke bronnen had moeten overleggen om aan te tonen dat meerdere winkeliers last hadden van de Awami League volgt de rechtbank evenmin, nu verweerder niet heeft betwist dat de problemen in Bangladesh met de Awami League (in zijn algemeenheid) geloofwaardig kunnen worden geacht. Hoewel de rechtbank verweerder volgt in zijn standpunt dat eiser meer had kunnen verklaren over het uiterlijk van de plunderaars, neemt dit niet weg dat eiser wel duidelijk heeft verklaard over de andere voor verweerder van belang zijnde zaken, zoals data. Bovendien stelt de rechtbank vast dat eiser van drie van zijn belagers wel duidelijk heeft kunnen verklaren (naam en uiterlijk). Ten aanzien van de tegenwerping van verweerder dat eiser had kunnen klagen bij de hogere autoriteiten, stelt de rechtbank allereerst vast dat verweerder de door eiser geschetste feiten niet heeft betwist. In het licht daarvan is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser zich niet heeft ingespannen voor het inroepen van bescherming in zijn land van herkomst. Ten overvloede ziet de rechtbank niet in waarom het aanvragen van asiel in een ander land, namelijk Zuid-Afrika, af zou doen aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas, nu eiser na zijn vlucht gelijk aldaar bescherming heeft ingeroepen. De beroepsgrond slaagt.

7. De aanvraag is ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het vernietigde bestreden besluit met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Mac Donald, rechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Gall, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op 19 maart 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak nog niet uitgesproken op en openbare uitsprakenzitting. Zodra het uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Rapport nader gehoor, pagina 9.