Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2660

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
NL20.3756
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Malta. Geen geslaagd beroep op art. 16 en 17 Dublinverordening, Beroep toch gegrond omdat sinds het eerste claimakkoord 18 maanden zijn verstreken en verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom Nederland niet verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de aanvraag.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.3756


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Talsma).

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Malta verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.3757, plaatsgevonden op 3 maart 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Malta een verzoek om overname gedaan. Malta heeft dit verzoek aanvaard.

2. Eiser voert aan dat verweerder de aanvraag op grond van artikel 16 van de Dublinverordening aan zich had dienen te trekken. Eiser is afhankelijk van zijn broer voor mantelzorg. Dat er sprake moet zijn van exclusieve afhankelijkheid blijkt niet uit de tekst van artikel 16 van de Dublinverordening, de uitwerking daarvan in artikel 11 van de Dublinverordening, punt 16 van de preambule bij de Dublinverordening, paragraaf C2/5.1 Vreemdelingencirculaire 2000 of de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Eiser verwijst ook naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 4 maart 2015 (AWB 14/16657). Dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar rechtspraak exclusiviteit van de afhankelijkheid heeft geïntroduceerd, doet aan het voorgaande niet af. Daar komt bij dat mantelzorg per definitie door familie (of vrienden) wordt geboden.

2.1

Hoewel uit de overgelegde medische stukken kan worden afgeleid dat eiser medische klachten heeft en deels verzorgd wordt door zijn broers in Den Haag, heeft eiser met deze stukken niet aannemelijk gemaakt dat hij van zijn broers afhankelijk is. Uit de medische stukken blijkt niet concreet wat de zorg inhoudt die eisers broers verlenen en in hoeverre eiser daarop medisch gezien aangewezen is.
Daarnaast blijkt uit jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2064) dat artikel 16 van de Dublinverordening zo moet worden uitgelegd dat er sprake moet zijn van exclusieve afhankelijkheid voor het verlenen van de benodigde zorg. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat alleen eisers broers hem hulp kunnen bieden, zoals hij heeft gesteld.

Gelet hierop kan het standpunt van verweerder standhouden dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij wegens een ernstige ziekte afhankelijk is van de zorg en hulp van zijn in Nederland wonende broers als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening.

3. Eiser voert verder aan dat verweerder in strijd met artikel 30, tweede lid, van de Vw heeft gehandeld door eiser niet mondeling te horen over zijn bezwaren tegen zijn overdracht aan Malta.

3.1

De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat hij op grond van artikel 30, tweede lid, van de Vw gehoord had moeten worden gehoord over zijn bezwaren tegen zijn overdracht aan Malta. De rechtbank zal dit gebrek echter met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) passeren nu verweerder eiser bij brief van 19 november 2019 in de gelegenheid heeft gesteld schriftelijk zijn bezwaar kenbaar te maken en eiser bij brief van 3 december 2019 daarop gereageerd heeft.

4. Met betrekking tot eisers beroep op artikel 17 van de Dublinverordening is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser aan Malta van een onevenredige hardheid getuigt of dat er een bijzonder samenstel van factoren is dat maakt dat de behandeling van eisers verzoek in Nederland in de rede ligt. Dergelijke omstandigheden heeft eiser niet aannemelijk gemaakt.

5. Eiser voert ten slotte aan dat de overdrachtstermijn is verstreken, waardoor Malta niet langer verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, maar Nederland. Op 20 oktober 2017 is immers een claimakkoord tot stand gekomen. In februari 2018 is eiser vervolgens ondergedoken, waarvan verweerder de Maltese autoriteiten in kennis heeft gesteld. Daardoor is de overdrachtstermijn op grond van artikel 29, tweede lid, Dublinverordening verlengd tot 18 maanden. Hierdoor is Nederland sinds 20 april 2019 verantwoordelijk voor de aanvraag.

5.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat dit argument in dit geval niet opgaat. Eiser kon niet worden overgedragen aan Malta omdat hij de overdracht frustreerde. Door vervolgens in de periode van 18 maanden een verzoek in te dienen in een derde lidstaat heeft eiser aan “asielshoppen” gedaan en uit de punten 2, 7 en 9 van de Préambule bij de Dublinverordening blijkt dat dat niet in overeenstemming is met de bedoeling van de Dublinverordening.

5.2

De rechtbank volgt verweerder hierin niet. In artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening is onvoorwaardelijk opgenomen dat de overdrachtstermijn tot maximaal 18 maanden kan worden verlengd als de vreemdeling is ondergedoken en de overdragende lidstaat verantwoordelijk wordt indien de overdracht niet binnen die termijn plaatsvindt. Uit de tekst blijkt niet dat dit anders zou zijn als eiser binnen die termijn in een andere lidstaat een verzoek heeft ingediend. Ook de punten 2, 7 en 9 van de Préambule bieden geen onderbouwing hiervoor. Deze punten benoemen (slechts) in algemene zin de doelstelling om een gemeenschappelijke ruimte tot stand te brengen voor personen die bescherming zoeken en dat de beginselen van het Dublinsysteem worden geëvalueerd en ontwikkeld.

Nu het eerste claimakkoord van Malta dateert van 20 oktober 2017 en sindsdien 18 maanden zijn verstreken, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat de verantwoordelijkheid niet op Nederland is overgegaan.

6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank draagt verweerder op met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder ten slotte in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op 19 maart 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.