Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2645

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-03-2020
Datum publicatie
07-04-2020
Zaaknummer
AWB - 18/5562
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wabo. Omgevingsvergunning verleend voor aan/opbouw op bestaande uitbouw. De rechtbank volgt de StAB in haar conclusie dat de stabiliteit van het hoofdgebouw niet verzekerd is en dat huidige situatie niet voldoet aan het Bouwbesluit. Het beroep is gegrond, het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak en het advies van de StAB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/5562

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

hierna gezamenlijk aan te duiden als: eisers

(gemachtigde: mr. J. Tromp),

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder

(gemachtigden: H.D. Verhey en J. de Boer).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [A], te [woonplaats] (vergunninghouder).

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een aan/opbouw op een bestaande uitbouw van de woning op het perceel [adres 1] te
[plaats] , kadastraal bekend als [kadastraal nummer] (het perceel).

Bij besluit van 3 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eisers hebben aanvullende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2019.

Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, H.D. Verhey. Derde-partij is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote [B] . De rechtbank heeft ter zitting het onderzoek geschorst en bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat.

Op 21 augustus 2019 heeft de rechtbank de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) als deskundige benoemd. De StAB heeft op
18 november 2019 een deskundigenbericht uitgebracht. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren.

Op 12 december 2019 heeft verweerder aanvullende stukken ingediend.

Bij brief van 16 december 2019 hebben eisers op het deskundigenbericht en op de aanvullende stukken van verweerder gereageerd. Bij brief van 17 december 2019 heeft verweerder op het deskundigenbericht gereageerd.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 24 februari 2020. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, J. de Boer. Voorts zijn namens verweerder [C] , [D] en [E] verschenen. Derde-partij is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote [B] . Namens de StAB zijn ing. [F] , ing. [G] verschenen. Tevens was namens de StAB ir. [H] , werkzaam bij EBMC Nederland B.V., aanwezig.

Overwegingen

1.1.

Eisers zijn de eigenaren en bewoners van de woning aan de [adres 2] te
[woonplaats] . Vergunninghouder is eigenaar en bewoner van de naastgelegen woning aan de [adres 1] te [woonplaats] . Het betreft twee onder een kap woningen.

1.2.

In 2015 is vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een aan/opbouw op een bestaande uitbouw van de woning op het perceel. Nadat deze uitbouw was gerealiseerd, heeft eiseres verweerder op 3 mei 2017 verzocht om handhavend op te treden tegen het in afwijking van de in 2015 verleende omgevingsvergunning bouwen van een bouwwerk op het perceel.

1.3.

Op 19 september 2017 heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een aan/opbouw op een bestaande uitbouw van de woning op het perceel. Op het aanvraagformulier heeft vergunninghouder aangegeven dat de achtergevel vervangen en verplaatst gaat worden en de bestaande dakvorm wordt doorgetrokken. Vergunninghouder meldt dat de aanvraag is bedoeld om de eerder verstrekte omgevingsvergunning te wijzigen.

1.4.

Bij besluit van 20 september 2017 heeft verweerder geweigerd handhavend op te treden, op de grond dat er sprake was van concreet zicht op legalisatie. Het tegen dit besluit door eiseres ingediende bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 15 februari 2018 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend, hetgeen betekent dat dit besluit inmiddels in rechte vaststaat.

1.5.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Eisers hebben op 11 februari 2018, aangevuld op 26 en 27 februari 2018, bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

1.6.

Op 17 april 2018, een dag voor de hoorzitting, heeft het door eisers ingeschakelde Bouwkundig Adviesburo [adviesburo] B.V. (hierna: [adviesburo] ) een nieuwe constructietekening, ‘Controle balk H1’ genaamd, ingediend. Naar aanleiding hiervan is tijdens de hoorzitting van 18 april 2018 besloten de inhoudelijke behandeling van het bezwaarschrift vier weken aan te houden zodat de constructeur van verweerder, [I] , eisers en [adviesburo] in gesprek konden gaan.

1.7.

Op 15 mei 2018 heeft [adviesburo] op verzoek van eisers rapport uitgebracht. In dit rapport wordt geconcludeerd dat de stabiliteit wordt aangetast ten gevolge van het vervangen van de stenen achtergevel door een houten constructie en dat een vervangende stabiliteitsvoor-ziening ontbreekt. De stabiliteit aan de achterzijde wordt na uitvoering van het bouwplan voor het grootste deel door nummer [huisnummer 2] , de woning van eisers, verzorgd. In het rapport wordt de noodzaak vermeld om de wijze van ondersteuning van de raveling inzichtelijk te maken, teneinde de draagconstructie van de gemeenschappelijke bouwmuur te kunnen beoordelen. Ten slotte wordt geconcludeerd dat de onderslag in de achtergevel van de nokuitbreiding voldoet, als rekening wordt gehouden met het “L-120*10”.

1.8.

Naar aanleiding van bovenstaand rapport heeft op 17 mei 2018 een bijeenkomst plaatsgevonden op het gemeentekantoor. Bij dit overleg waren eiseres, [J] ( [J] ) namens [adviesburo] , [K] namens Westbouw B.V., en [I] ( [I] ) en [L] ( [L] ) namens verweerder aanwezig. Afgesproken werd de situatie ter plekke nader te bestuderen.

1.9.

Op 20 mei 2018 heeft ATKO advies en engineering van bouwconstructies (hierna: ATKO) een stabiliteitsbeschouwing opgesteld in opdracht van vergunninghouder.

1.10.

Op 25 mei 2018 heeft ter plaatse van het bouwplan een inspectie plaatsgevonden, waarbij de algehele stabiliteit, de draagconstructie langs de gemeenschappelijke bouwmuur en de onderslag achtergevel nokuitbreiding/kolom in tussenwand onder onderslag beoordeeld zijn. De bevindingen van deze inspectie zijn door [adviesburo] vastgelegd in een rapportage van 28 mei 2018. Geconcludeerd wordt dat een dubbele stijl aanwezig is onder de onderslag, dat er geen aanleiding bestaat om aan de stabiliteit van de oplegging van de vloer van de badkamer te twijfelen en dat de stabiliteit van het geheel (beide woningen) voldoende gewaarborgd is. De algehele conclusie is dat sprake is van een voldoende veilige constructie. In een e-mail van 28 mei 2018 is eveneens door [I] namens verweerder aangegeven dat de constructie als veilig aangemerkt is.

1.11.

Vervolgens is eisers op 28 mei 2018 per e-mail gevraagd of zij, gelet op bovenstaand rapport, hun bezwaar willen intrekken. Op 30 mei 2018 heeft eiseres per e-mail laten weten het bezwaar te handhaven.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften Westland (de commissie) van 22 juni 2018, het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Hierbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het ontbreken van een verspringing, blijkens de door vergunninghouder ingediende gewijzigde tekening, gecorrigeerd is. Daarnaast is de aangevraagde constructie door zowel de door eisers ingeschakelde constructeur van [adviesburo] als de constructeur van verweerder als voldoende veilig aangemerkt. Er bestaat geen aanleiding om aan deze conclusie te twijfelen. Het bezwaar dat de goot over de erfgrens heen gaat is privaatrechtelijk van aard en speelt derhalve geen rol bij de beoordeling van de aanvraag. Hetzelfde geldt voor het bezwaar met betrekking tot de afvoer van hemelwater. Het Bouwbesluit 2012 (Bouwbesluit) stelt ook geen voorwaarden aan de locatie van afwatering. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij, nu geen van de weigeringsgronden van artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zich voordoet, gehouden was de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.

3. Eisers voeren aan dat de gevraagde omgevingsvergunning niet verleend had mogen worden. De woning van eisers vormt een bouwkundige eenheid met de woning van vergunninghouder. Uit de aanvraag blijkt dat het bouwplan niet voldoet aan het Bouwbesluit wat betreft de constructie en stabiliteit van de woningen. De constructietekening van ATKO van 27 december 2017, die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, bevat onjuistheden. Uit het rapport van [adviesburo] van 15 mei 2018 volgt dat de belastingen hoger liggen dan in voornoemde tekening is aangehouden. De overspanning is groter, 3,6 meter in plaats van 3,2 meter, en de balkafmeting kleiner, 71X171 in plaats van 70X200. De berekeningen zijn hier niet op aangepast. Daarnaast blijkt uit het rapport van Constructie Adviesbureau Booms (Booms) van 7 augustus 2018 dat in het rapport van ATKO de veranderlijke belasting van 0,9 kN/m niet is meegenomen in de berekening. Het voorgaande betekent dat op grond van de huidige berekeningen niet aangenomen kan worden dat de constructie voldoende veilig is. Voorts ontbreekt een funderingsberekening en een stabiliteitsberekening. Opmerkelijk in dit verband is dat de stabiliteitsbeschouwing van ATKO van 20 mei 2018 reeds op 24 mei 2018 is goedgekeurd door verweerder terwijl de inspectie pas op 25 mei 2018 heeft plaatsgevonden. Het is niet acceptabel dat de stabiliteit van nummer [huisnummer 1] grotendeels wordt ontleend aan de woning van eisers Voor eisers bestaat als gevolg daarvan niet meer de mogelijkheid om een soortgelijke uitbouw aan te vragen. Ten slotte moet volgens artikel 2.5 van het Bouwbesluit bij het veranderen dan wel vergroten van een bouwwerk worden uitgegaan van NEN-norm 8700, waarin de grondslagen van de beoordeling van de constructieve veiligheid zijn vastgelegd. Uit de stukken blijkt dat niet is uitgegaan van het niveau zoals is aangegeven in deze NEN-norm.

4. De rechtbank heeft aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:47, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de StAB als deskundige te benoemen voor het uitbrengen van advies met betrekking tot de gestelde overtreding van de artikelen 2.5 en 2.7 van het Bouwbesluit 2012 (Bouwbesluit).

5. Op 18 november 2019 heeft de StAB advies uitgebracht. Blijkens dit verslag heeft de StAB constructiedeskundige ir. [M] van EBMC Nederland B.V. ingeschakeld om, onder de verantwoordelijkheid en begeleiding van de StAB, de constructieve aspecten van beide woningen aan de [adres 3] te beoordelen. Beoordeeld zijn de onderslagbalk onder de achtergevel van de nieuwe uitbouw op de eerste verdieping van nummer [huisnummer 1] , de grondbelasting, de funderingsberekeningen, de stabiliteit (dwarsstabiliteit en windbelasting) en de constructieve veiligheid. Uit het StAB-rapport volgt dat bij een locatiebezoek op 9 oktober 2019 bij beide woningen een visuele inspectie is uitgevoerd en dat er zijn foto’s gemaakt van de bouwkundige situatie. Omdat de bouwactiviteiten aan de woning met nummer [huisnummer 1] reeds uitgevoerd waren en de vloeren, wanden en plafonds waren afgewerkt, was de achterliggende constructie blijkens het rapport visueel meestal niet inzichtelijk. Destructief onderzoek heeft niet plaatsgevonden. Van bovengenoemde onderzoeks-activiteiten heeft ir. [M] op 29 oktober 2019 rapport uitgebracht, welk als bijlage bij het StAB-verslag is gevoegd. In samenspraak met Jol concludeert de StAB in haar verslag van 18 november 2019 dat in de huidige situatie de uitbreiding met de uitbouw op de eerste verdieping van nummer [huisnummer 1] niet voldoet aan de in de artikelen 2.5 en 2.7 van het Bouwbesluit en NEN-norm 8700 gestelde eisen. Een deel van de dwarsstabiliteit van de nieuwe uitbouw van nummer [huisnummer 1] wordt gehaald uit de woning op nummer [huisnummer 2] . Het verwijderen van de achtergevel van het hoofdgebouw en het plaatsen van de nieuwe uitbouw zorgt voor een situatie waarbij nummer [huisnummer 1] niet zelfstandig de standzekerheid van de eigen woning kan verzorgen. Nummer [huisnummer 2] is echter niet zonder meer in staat de standzekerheid van beide woningen te verzorgen. De sterkte en standzekerheid van de in 2003-2005 bij beide woningen gerealiseerde aanbouw is wel voldoende, aldus de StAB. Wat betreft de nieuw gemaakte houten spant op de eerste verdieping van nummer [huisnummer 1] geldt dat de verbindingen waarschijnlijk niet voldoen om volledig bij te dragen aan de stabiliteit. Dit kan volgens de StAB echter niet met zekerheid worden gesteld omdat verbindingsdetails en berekeningen ontbreken.

6. Eisers hebben in hun reactie van 16 december 2019 aangegeven zich te kunnen verenigen met de inhoud en de conclusies van het rapport van de StAB. Eisers zijn zeer bezorgd over de veiligheid ter plaatse en willen dat op korte termijn actie wordt ondernomen, maar stuiten op een weigerachtige houding van verweerder en vergunninghouder.

7.1.

Uit de brief van 17 december 2019 van verweerder blijkt dat hij zich niet kan verenigen met het deskundigenbericht van de StAB, Zijns inziens wordt daarin uit het oog verloren dat de gronden zien op feitelijke uitvoering van de verleende omgevingsvergunning en niet op de vraag of de omgevingsvergunning verleend had mogen worden. De toetsing aan het Bouwbesluit vindt plaats door de verstrekte gegevens en bescheiden te toetsen op aannemelijkheid door deze steekproefsgewijs op onderdelen te controleren. Volgens verweerder wordt in het deskundigenbericht in de eerste plaats meerdere keren ten onrechte aangegeven dat sprake is van nieuwbouweisen terwijl in dit geval sprake is van een ‘verbouw’, zodat slechts voldaan moet worden aan een specifiek kwaliteitsniveau, zoals opgenomen in NEN-norm 8700. Ten tweede is een groot gedeelte van de conclusies gebaseerd op een louter visuele inspectie en daarmee op aannames over de onzichtbaar gebleven constructie. Ten derde is aannemelijk dat de samengestelde ligger (hoekstaal en houten blak) waar de nieuwe gevel op rust voldoende weerstand biedt tegen bezwijken. Ten vierde is de stelling dat de terrasvloer de nieuwe achtergevel van de verdieping draagt gebaseerd op de aanname dat de vloer als toekomstige terrasvloer is gebouwd. Bewijsstukken dat dit ook gebeurd is bij de bouw van de uitbouw in 2003 zijn echter niet gevonden. Ten vijfde is het wel aannemelijk dat, net als in 1911, ook in 2019 een tweelaags bouwwerk opgericht kan worden. Tijdens de controle op locatie is geen waarneembare schade, bijvoorbeeld scheurvorming, geconstateerd. Daarnaast wordt in de constructieve berekeningen onderscheid gemaakt tussen toetsing op uiterste grenstoestanden en de bruikbaarheidsgrenstoestand. Het Bouwbesluit stelt geen eisen aan de bruikbaarheidsgrenstoestand. Hier wordt dan ook niet op getoetst. Ten slotte had de commissie al aangegeven dat getwijfeld kon worden of voldaan werd aan de stabiliteitseisen. Daarom heeft overleg met de experts van partijen plaatsgevonden. Uit dit overleg bleek dat de stabiliteit niet in het geding was. Dit was aanleiding om het bestreden besluit te nemen en de verleende omgevingsvergunning in stand te laten, aldus verweerder.

8. Vergunninghouder heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om te reageren op het rapport van de StAB.

9.1.

De rechtbank stelt voorop dat de bestuursrechter in beginsel mag afgaan op de inhoud van het verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb. Dat is slechts anders indien dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd.1

9.2.

Tijdens de zitting van 24 februari 2020 heeft Jol een nadere toelichting gegeven. Volgens Jol heeft verweerder de aanvraag niet goed kunnen toetsen, aangezien essentiële gegevens ontbraken. Door middel van een inspectie ter plaatse, het verrichten van metingen en de bestudering van de gedurende het StAB-onderzoek verstrekte tekeningen van de oorspronkelijke bouw heeft Jol de situatie ter plaatse wel kunnen beoordelen. Op basis van deze nieuwe informatie concludeert Jol dat de stabiliteit van het hoofdgebouw van nummer [huisnummer 1] niet meer verzekerd is, nu de achtergevel volledig weggebroken is. Dit was eerder nog niet duidelijk, aangezien dit niet blijkt uit de tekeningen die in het dossier zaten, aldus Jol.

9.3.

Naar het oordeel van de rechtbank is het deskundigenbericht van de StAB, inclusief het rapport van Jol van 29 oktober 2019 dat daarvan integraal onderdeel uitmaakt, voldoende zorgvuldig tot stand gekomen. Niet gebleken is van zodanige gebreken dat het StAB-verslag niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mogen worden gelegd. In hetgeen eisers en verweerder hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. De rechtbank volgt de StAB en Jol dan ook in hun conclusie dat de stabiliteit van het hoofdgebouw van nummer [huisnummer 1] niet verzekerd is en dat in de huidige situatie de uitbreiding met de uitbouw op de eerste verdieping van nummer [huisnummer 1] niet voldoet aan de in de artikelen 2.5 en 2.7 van het Bouwbesluit en NEN-norm 8700 gestelde eisen. Niet gebleken is dat verweerder de aanvraag heeft bezien op basis van constructieve berekeningen en een inspectie tijdens de bouw. In dit kader is van belang dat het hier gaat om een legaliserende aanvraag, nadat door eisers concrete twijfel was geuit over de stabiliteit van beide panden als gevolg van het nieuwe bouwplan. In een dergelijk geval kan niet worden volstaan met een visuele inspectie achteraf. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder met de huidige motivering zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de stabiliteit van het hoofdgebouw van nummer [huisnummer 1] verzekerd is en dat de omgevingsvergunning terecht en op juiste gronden verleend is.

9.4.

Dit betekent dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit, wegens schending van artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigd moet worden. Gelet op de houding van verweerder ter zitting en de inhoud van de reactie op het rapport van de StAB ziet de rechtbank geen aanleiding voor toepassing van een bestuurlijke lus. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en het rapport van de StAB. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

11. Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt zij op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.837,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het bijwonen van het onderzoek ter plaatse, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze op het rapport van de StAB en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en het rapport van de StAB;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.837,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.A.E. Bach, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 24 maart 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:283.