Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2589

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
NL20.5159 en NL20.5162
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland. Zie ook ECLI:NL:RBDHA:2020:2590

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL20.5159 en NL20.5162


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [nummer 1] ,

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [nummer 2] ,

Mede namens haar minderjarige kind

[naam minderjarige] ,

V-nummer: [nummer 3] ,

samen te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. O.C. Bondam),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).

Procesverloop

Bij besluiten van 26 februari 2020 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaken NL20.5160 en NL20.5163, plaatsgevonden op 12 maart 2020. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eisers bezitten de Nigeriaanse nationaliteit. Eiser is geboren op [geboortedatum eiser] en eiseres is geboren op [geboortedatum eiseres] . Zij hebben hun asielaanvraag in Nederland op 11 november 2019 ingediend.

2. Verweerder heeft de bestreden besluiten gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 3 januari 2020 de verzoeken om terugname gedaan op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Duitsland heeft deze verzoeken op 10 januari 2020 aanvaard.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eisers voeren aan dat de bestreden besluiten in strijd zijn met artikel 6 van de Dublinverordening. Niet is gebleken dat verweerder het belang van het kind voorop heeft gesteld. Uit het relaas van eisers blijkt dat zij in Duitsland verplicht werden om gescheiden van elkaar te leven. Eiser woonde alleen en eiseres woonde met hun minderjarige kind elders. Ook is het aannemelijk dat eiser na zijn overdracht aan Duitsland zal worden uitgezet naar Nigeria en dat zijn minderjarige zoon van hem gescheiden zal worden. Eiser heeft in Duitsland geen verblijfsvergunning gekregen en eiseres en hun zoon hebben dat wel op grond van het feit dat eiseres slachtoffer is van mensenhandel. Het is in het belang van het minderjarige kind dat hij opgroeit met zijn vader en zijn moeder. Dit wordt beschermd door artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 23, eerste lid, van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 9 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. De besluiten zijn daarom onzorgvuldig genomen. Gelet op hun bijzondere, individuele omstandigheden getuigt overdracht aan Duitsland van een onevenredige hardheid. Er bestond voor verweerder aanleiding om de behandeling van de asielaanvragen van eisers op grond van artikel 17 van de Dublinverordening op zich te nemen, aldus eisers.

3.1.

In beginsel mag verweerder ten opzichte van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat dit in hun geval niet kan. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers hierin niet geslaagd. Verweerder is in de bestreden besluiten gemotiveerd ingegaan op het betoog van eisers dat zij in Duitsland van elkaar zullen worden gescheiden. De rechtbank volgt verweerders standpunt dat uit de door eisers overgelegde brief blijkt dat eisers wel bij elkaar mogen wonen indien zij aan de door Duitsland gestelde voorwaarden voldoen, namelijk als een van hen een baan heeft en in zijn of haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De stelling van eisers dat zij in Duitsland niet samen mogen wonen wordt daarom niet gevolgd. Ter zitting heeft verweerder overigens nog toegelicht dat eisers niet gelijktijdig Duitsland zijn ingereisd en dat dit er waarschijnlijk toe geleid heeft dat eiser tijdelijk op een andere plek verblijft dan eiseres en hun kind. Ook is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat Duitsland in strijd handelt met de Europese richtlijnen dan wel dat er voor eisers geen mogelijkheid bestaat om te klagen bij de daartoe bevoegde instanties in Duitsland.

De rechtbank volgt eisers ook niet in hun stelling dat eiser na zijn overdracht aan Duitsland naar Nigeria zal worden uitgezet en zo van zijn minderjarige kind zal worden gescheiden. Vast staat dat de Duitse autoriteiten met het claimakkoord voor het hele gezin hebben bevestigd dat zij verantwoordelijk zijn voor de asielaanvragen van eisers. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat eiser door de Duitse autoriteiten zal worden uitgezet naar Nigeria en van zijn minderjarige kind zal worden gescheiden en dat de belangen van het kind geschaad worden wanneer eisers worden overgedragen aan Duitsland.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de belangen van het kind onvoldoende heeft meegewogen, zodat het beroep van eisers op de genoemde artikelen niet slaagt.

3.2.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvragen van eisers op grond van artikel 17 van de Dublinverordening op zich te nemen. Het is niet gebleken dat de bestreden besluiten onzorgvuldig zijn voorbereid of niet deugdelijk zijn gemotiveerd.

3.3.

Het betoog van eisers slaagt niet.

Conclusie

4. De beroepen zijn ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.

Deze uitspraak is openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.