Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2560

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
NL20.4975
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenrecht. Zie ook ECLI:NL:RBDHA:2020:2562

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.4975


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. M.M.J. van Zantvoort),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).

Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.4976, plaatsgevonden op 12 maart 2020. Eiser is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om terugname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.

2. Eiser voert aan dat zijn zienswijze in beroep als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Eiser heeft met de enkele verwijzing naar zijn zienswijze onvoldoende uiteengezet op welke punten het bestreden besluit volgens hem onjuist of onvolledig is en waarom. Dit betoog van eiser slaagt daarom niet.

3. Eiser voert aan dat ten aanzien van Spanje niet meer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser stelt dat hij geen toegang zal krijgen tot opvang en op straat zal moeten leven wanneer hij overgedragen wordt aan Spanje. Dit is in strijd met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Hij wijst ter onderbouwing hiervan op zijn eigen ervaringen in Spanje en een overgelegde brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 11 februari 2020 waaruit volgt dat er zware tekortkomingen zijn in de Spaanse opvangvoorzieningen. In deze brief wordt onder andere het Asylum Information Database rapport (AIDA-rapport) van 20 maart 2019 aangehaald. Daarnaast haalt de brief van Vluchtelingenwerk Nederland de volgende rapporten en nieuwsberichten aan.

  • -

    European Council on Refugees and Exiles van 2019;

  • -

    Het US Department of State (USDOS) rapport over religieuze vrijheid van 21 juni 2019;

  • -

    USDOS jaarrapport over mensenhandel 20 juni 2019;

  • -

    USDOS mensenrechtenrapport van 13 maart 2019;

  • -

    Amnesty International over Spanje 22 februari 2018;

  • -

    Deutsche Welle van 9 december 2017;

  • -

    RT News bericht op 23 november 2017.

Eiser stelt op basis van deze rapporten en nieuwsberichten dat verweerder ten onrechte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat en dat hij dit oordeel eveneens onvoldoende gemotiveerd heeft.

3.1.

In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Spanje uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan.

3.2.

In hetgeen eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat thans sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen in Spanje op grond waarvan niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank zittingsplaats Middelburg van 14 mei 2019 (NL19.8453) en een uitspraak van deze rechtbank zittingsplaats Amsterdam van 27 november 2019 (NL19.24875) voldoende heeft gemotiveerd dat het door eiser aangehaalde AIDA-rapport onvoldoende grond biedt voor de conclusie dat eiser in Spanje geen opvang zal krijgen. Uit dit rapport (p. 34) blijkt weliswaar dat het voorgekomen is dat teruggekeerde Dublinclaimanten in Spanje de toegang tot de opvang werd geweigerd, maar ook dat nadien door het Spaanse Tribunal Superior de Justitia is bepaald dat alle Dublinclaimanten tot de opvangvoorzieningen moeten worden toegelaten. De stelling van eiser dat de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 27 november 2019 niet gaat over de toegang tot opvang mist dan ook feitelijke grondslag.

3.3.

Ook de overige rapporten en nieuwsberichten schetsen geen ander beeld van de situatie in Spanje ten aanzien van Dublinclaimanten en leiden derhalve niet tot het oordeel dat Spanje zich niet houdt aan zijn internationale verplichtingen. Uit deze rapporten volgt immers niet dat eiser geen recht zou hebben op opvang in Spanje als Dublinclaimant. In deze rapporten en nieuwsberichten heeft verweerder dan ook geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat ten aanzien van Spanje niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

3.4.

Ten aanzien van de stelling van eiser dat hij acht dagen gedetineerd is in Spanje en Spanje zich derhalve niet houdt aan zijn internationale verplichting, geldt het volgende. Het ligt op de weg van eiser om daarover in Spanje te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. De rechtbank verwijst hierbij naar het arrest K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 2 december 2008 (ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308). Niet is gebleken dat eiser zich hierover heeft beklaagd of niet heeft kunnen beklagen bij de Spaanse autoriteiten. Verweerder heeft zich daarom met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt mogen stellen dat ervan kan worden uitgegaan dat Spanje de internationale verplichtingen nakomt. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4. Eiser voert aan dat hij afkomstig is uit een 15c-gebied en bescherming nodig heeft. Op grond hiervan had verweerder het verzoek om internationale bescherming aan zich moeten trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.

4.1.

Verweerder heeft terecht overwogen dat dit asielmotief van eiser bij de autoriteiten van Spanje naar voren gebracht kan worden en bij die behandeling moet worden meegenomen. In de onderhavige procedure gaat het slechts om de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser en niet om de vraag of eiser in aanmerking kom voor internationale bescherming. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

5. Eiser stelt voorts dat de Spaanse registratie van zijn geboortedatum onjuist is. Hij zou in werkelijkheid geboren zijn op 8 november 2003 en dus minderjarig zijn. De reden dat hij een vals paspoort heeft overlegd aan de Spaanse autoriteiten is gelegen in het feit dat hij anders volgens de smokkelaar niet kon uitreizen uit Jemen. Aangezien hij minderjarig is, zou Nederland zijn asielaanvraag aan zich moeten trekken, aldus eiser.

5.1.

Vast staat dat eiser bij de asielaanvraag die hij in Spanje heeft ingediend waarop vermeld staat dat hij is geboren op [geboortedatum] . Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 11 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:392), volgt dat verweerder er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel vanuit mag gaan dat de registratie van de geboortedatum zorgvuldig heeft plaatsgevonden, zodat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat de geregistreerde geboortedatum onjuist is. Eiser is hier niet in geslaagd. Hij heeft immers geen identificerende documenten overlegd. Ook in zijn aanmeldgehoor heeft eiser niets gezegd over het feit dat hij minderjarig zou zijn. Verweerder is dan ook terecht uitgegaan van de geboortedatum zoals die in Spanje is geregistreerd. Dit betoog slaagt evenmin.

6. Het beroep is ongegrond

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier.

Deze uitspraak is openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.