Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2555

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-03-2020
Datum publicatie
27-03-2020
Zaaknummer
NL20.5896 en NL20.6518
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring. Zonder reisdocument Nederland binnengekomen. Risico op onttrekking. Verweerder heeft tijdig laizzes-pazzer aangevraagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: NL20.5896 en NL20.6518


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K.M.A. van der Heijden).


Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2020 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 opgelegd.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Dit beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk in de Arabische taal is verschenen M. Essebai. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1994 en de Algerijnse nationaliteit te bezitten.

Over bestreden besluit 1

In het terugkeerbesluit heeft verweerder hierover vermeld dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 200), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.

Verweerder heeft ter zitting de zware grond onder 3f laten vallen.

Eiser heeft de gronden bestreden en aangevoerd dat hij op de weg is aangehouden vlak nadat hij de grens was gepasseerd waardoor er voor hem geen mogelijkheid was om zich te melden. Hij stelt voldoende te hebben meegewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit nu hij alle relevante omstandigheden heeft meegedeeld.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht de zware grond onder 3a ten grondslag heeft gelegd aan de maatregel van bewaring. Eiser is zonder identiteitsdocument en/of visum naar Nederland gereisd waardoor hij niet op de voorgeschreven wijze is ingereisd.

Voorts overweegt de rechtbank dat eiser blijkens de gehoren voorafgaand het opleggen van de maatregel van bewaring heeft verklaard niet mee te willen werken aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. Eiser heeft uitdrukkelijk aangegeven niet te willen zeggen waar hij vandaan komt om uitzetting te voorkomen. Ook heeft eiser geen identiteitsdocumenten overgelegd noch contact opgenomen met de diplomatieke vertegenwoordiging van zijn land van herkomst om zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk te maken. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de zware grond onder 3d ten onrechte is opgelegd.

Uit het voorgaande en het vertrekgesprek van 9 maart 2020 vloeit voort dat eiser te kennen heeft gegeven dat hij niet mee zal werken aan zijn verplichting tot terugkeer, waardoor de zware grond onder 3i terecht is opgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden onder 3a, 3d en 3i alsmede de – niet bestreden – lichte gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en in dit geval voldoende aannemelijk is dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Gelet hierop was verweerder niet verplicht om eiser een termijn voor vrijwillig vertrek te bieden. Ook is de motivering van verweerder en de daaraan ten grondslag gelegde feiten voldoende om duidelijk te maken waarom de door eiser aangevoerde omstandigheden hem geen aanleiding hebben gegeven van het opleggen van het inreisverbod af te zien of de duur daarvan te verkorten.

Over bestreden besluit 2

In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. In de maatregel heeft verweerder dezelfde gronden gehanteerd als die hierboven zijn genoemd bij het terugkeerbesluit.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is opgelegd en verwijst naar de hiervoor weergegeven overwegingen ten aanzien van de gronden.

Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering. Zo heeft eiser verklaard zelf naar Frankrijk te willen vertrekken en heeft verweerder eerst op 9 maart 2020 een vertrekgesprek met hem gevoerd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij voldoende voortvarend handelt, nu, naast en volgend op het genoemde vertrekgesprek, op 10 maart 2020 een laissez-passer aanvraag is ingevuld voor zowel Marokko als Algerije en deze op 12 maart 2020 is doorgezonden naar de Marokkaanse autoriteiten. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de Algerijnse aanvraag inmiddels ook is doorgezonden.

In hetgeen eiser aanvoert en de handelingen die verweerder tot op heden heeft verricht teneinde eiser uit te zetten, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Over de beroepen

De beroepen tegen de bestreden besluiten zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van J.J. Brands, griffier.

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl. Deze uitspraak is gedaan op

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.