Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2552

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
NL20.6099 en NL20.6501
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring. Verweerder mag onderzoeken of hij kan worden uitgezet ondanks coronavirus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummers: NL20.6099 en NL20.6501


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. Y.M. Schrevelius),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K.M.A. van der Heijden).


Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2020 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Dit beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk in de Albanese taal is verschenen N. Rexhepi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Albanese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1998.

2. Eiser heeft aangevoerd dat er geen zicht op uitzetting is. Eiser zou met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) vertrekken maar de vlucht is geannuleerd omdat er niet wordt gevlogen naar Albanië. Daarnaast is het een vaste werkwijze van de Koninklijke Marechaussee om jonge Albanezen die in het bezit zijn van enige bestaansmiddelen, zoals eiser, bij de eerste aanhouding niet in bewaring te stellen. Verder voert eiser aan dat hij gelet op de staking van de tolken niet is gehoord dan wel zonder de aanwezigheid van een beëdigde tolk is gehoord. Ten aanzien van het lichter middel voert eiser aan dat hij een broer in Groot-Brittannië en een neef in België heeft. Ook heeft eiser in het verleden in Italië gewerkt en zou hij daar opnieuw werk kunnen krijgen. Verweerder heeft deze omstandigheden volgens eiser onvoldoende meegewogen.

Over bestreden besluit 1

3. In het terugkeerbesluit heeft verweerder vermeld dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

4. Nu de gronden niet zijn betwist, is de rechtbank van oordeel dat uit de gronden een risico voortvloeit dat het aannemelijk is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser is staandegehouden met twee anderen nadat zij zich toegang hadden verschaft tot het kadeterrein en een container waren ingeklommen om grenscontroles te ontlopen. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet gehouden was eiser een termijn voor vrijwillig vertrek te bieden.

5. Uit de enkele stelling daartoe van de gemachtigde van eiser volgt niet dat de Koninklijke Marechaussee een vaste gedragslijn hanteert om jonge Albanezen in het bezit van financiële middelen bij de eerste aanhouding geen terugkeerbesluit of inreisverbod op te leggen dan wel om af te zien van de inbewaringstelling. Bij gebrek aan een nadere onderbouwing, volgt de rechtbank de stelling van eiser daarom niet.

6. Ten aanzien van het horen is de rechtbank van oordeel dat er voor het gehoor voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit, het inreisverbod en de maatregel van bewaring een beëdigd tolk aanwezig was. Blijkens het proces verbaal van gehoor – het zogeheten M110-formulier – heeft de verbalisant aan de tolk gevraagd onder welk nummer zij staat geregistreerd als beëdigd tolk. De verbalisant heeft vervolgens gehoord dat de tolk L. Visser heet met tolkennummer 3080 en dat zij staat ingeschreven in het tolkenregister. Daarbij overweegt de rechtbank dat gesteld noch gebleken is dat tijdens het gehoor sprake is geweest van misverstanden in de communicatie met de tolk. De antwoorden van eiser geven geen blijk dat hem de mogelijkheid is ontnomen om zijn zienswijze te geven op de bestreden besluiten.

7. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerders motivering en de daaraan ten grondslag gelegde feiten voldoende zijn om duidelijk te maken waarom het door eiser aangevoerde familieleven hem geen aanleiding hebben gegeven van het opleggen van het inreisverbod af te zien of de duur daarvan te verkorten. Eiser heeft in zijn zienswijze of gedurende de behandeling van het beroep niet aannemelijk gemaakt dat tussen hem en zijn broer of neef familieleven dan wel een afhankelijkheidsrelatie bestaat of dat er een belemmering is voor betrokkenen om eiser te bezoeken in Albanië. Ook in de mogelijkheid dat eiser werk zou kunnen verkrijgen in Italië heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om af te zien van het opleggen van het inreisverbod nu dit een onzekere toekomstige gebeurtenis betreft. De rechtbank is tevens van oordeel dat verweerder in de summiere verklaringen van eiser omtrent zijn familieleven en werkmogelijkheden geen aanleiding heeft hoeven zien om hieromtrent een uitgebreidere motivering op te stellen en dat ook in beroep niet is gebleken van aanknopingspunten voor een ander oordeel.

Over bestreden besluit 2

8. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel heeft verweerder dezelfde gronden gehanteerd als die hierboven zijn genoemd bij het terugkeerbesluit.

9. Eiser heeft de gronden van de maatregel van bewaring niet verder betwist. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is opgelegd en verwijst hiertoe naar de hiervoor weergegeven overweging ten aanzien van de gronden.

10. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat na de annulering van de vlucht door het IOM de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) een vlucht heeft aangevraagd.

11. De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat het IOM de vlucht heeft geannuleerd niet zonder meer maakt dat verweerder dan wel de DT&V niet in staat kan worden geacht om alsnog de uitzetting te realiseren. Verweerder dient inde gelegenheid te worden gesteld om te onderzoeken of eiser kan worden uitgezet naar Albanië, ondanks het feit dat dit waarschijnlijk in de komende periode bemoeilijkt of tijdelijk onmogelijk wordt als gevolg van de beperkte reismogelijkheden door de maatregelen in verband met het coronavirus. Hierbij is van belang dat eventuele belemmeringen naar verwachting tijdelijk van aard zijn. Op dit moment ziet de rechtbank daarom gelet op hetgeen in dit geval naar voren is gebracht en bezien in het licht van omstandigheden van dit geval, geen aanleiding om te oordelen dat het zicht op uitzetting naar Albanië ontbreekt en dat tot opheffing van de maatregel dient te worden overgegaan, laat staan dat dit kan leiden tot het oordeel dat de maatregel van het begin af aan onrechtmatig is geweest.

Over de beroepen

12. De beroepen tegen de bestreden besluiten zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van J.J. Brands, griffier.

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl. Deze uitspraak is gedaan op

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.