Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2539

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
17-07-2020
Zaaknummer
09/226731019
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugd

Openlijk in vereniging geweld plegen wettig en overtuigend bewezen. Deze verdachte was 13 jaar ten tijde van het plegen van het feit.

In plaats van de gevorderde deels voorwaardelijke werkstraf heeft de rechtbank een geheel voorwaardelijke werkstraf opgelegd, met diverse bijzondere voorwaarden. De rechtbank heeft rekening gehouden met het aandeel van het slachtoffer in het gebeurde (hij heeft zich provocerend gedragen), de leeftijd van de verdachte, zijn persoonlijke problematiek en het ontbreken van een strafblad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Parketnummer 09-226731-19

Datum uitspraak 19 maart 2020

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer jeugdstrafzaken

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006,

[adres] ,

advocaat: mr. J.S. Dijkstra te 's-Gravenhage.

1 Het onderzoek op de zitting

Het onderzoek is gehouden op de zitting van 5 maart 2020.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 september 2019 te 's-Gravenhage openlijk, te weten, op de Stationsweg en/of het Stationsplein, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon en/of een goed te weten [benadeelde]
door
- het meermalen slaan van die persoon en/of
- het (al dan niet tegen het hoofd) schoppen van die persoon.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

[benadeelde] ) heeft ervan aangifte gedaan dat hij op 19 september 2019 op de Stationweg en/of het Stationsplein te 's-Gravenhage door drie jongens is geslagen en geschopt. Dit is tenlastegelegd als openlijke geweldpleging in vereniging. De verdachte heeft bij de politie en ook ter zitting bekend aangever te hebben geslagen en geschopt.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie mr. S.R.C. Polderman heeft geëist dat de rechtbank bewezen zal verklaren dat de verdachte het feit heeft begaan. De officier van justitie heeft ter onderbouwing van haar standpunt aangegeven dat de verdachte heeft bekend een aandeel in het geweld te hebben gehad en dat met name op de camerabeelden die door de HTM zijn verstrekt, het gepleegde geweld duidelijk te zien is. Aangever is meerdere malen geslagen en geschopt, ook tegen zijn hoofd, terwijl hij op de tramrails lag.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de tenlastelegging gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging. 1

De rechtbank acht op grond van de volgende bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte

het tenlastegelegde feit heeft begaan:

- de verklaring van de verdachte afgelegd op de zitting van 5 maart 2020;

- een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] , met bijlagen (p. 57-65);

- een proces-verbaal van verhoor [getuige] (p. 66-68);

- een proces-verbaal van bevindingen, met bijlage (p. 71-72);

- een proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen (p. 73-76);

- een proces-verbaal van verhoor minderjarige [verdachte] (p. 86-93);

- een proces-verbaal van verhoor minderjarige [medeverdachte] (p. 81-85).

4 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte wettig en overtuigend bewezen dat

hij op 19 september 2019 te 's-Gravenhage openlijk, te weten, op de Stationsweg en/of het Stationsplein, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde]
door
- het meermalen slaan van [benadeelde] en
- het (al dan niet tegen het hoofd) schoppen van [benadeelde] .

De rechtbank heeft taal- en/of schrijffouten in de bewezenverklaring verbeterd.

De verdachte is hierdoor niet benadeeld.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

De feiten zijn strafbaar.

De verdachte is ook strafbaar.

6 De straf en/of maatregel

6.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan

30 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden

begeleiding door de jeugdreclassering, inclusief de meldplicht, welke begeleiding de eerste drie maanden bestaat uit ITB Criem Plus, het meewerken aan begeleiding door de coach van Its4Sure, het volgen van behandeling en het volgen van onderwijs volgens het lesrooster.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat aan de verdachte een geheel voorwaardelijke werkstraf

wordt opgelegd, met de door de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) geadviseerde voorwaarden. Zij heeft er hierbij op gewezen dat de verdachte blijkens het weekschema, waarin zijn huisarrest is weergegeven, al in totaal 26 dagen in zijn vrijheid is beperkt, terwijl hij ook nog 4 dagen in voorarrest heeft doorgebracht. Het plafond van het onvoorwaardelijke deel van de straf is, aldus de raadsvrouw, daarmee wel bereikt.

De raadsvrouw verzoekt de rechtbank voorts bij de strafoplegging sterk rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte was op de pleegdatum getraumatiseerd en daardoor extra prikkelbaar, aldus de raadsvrouw. Ook verzoekt de raadsvrouw de rechtbank het eigen aandeel van het slachtoffer in het gebeurde mee te wegen. Hij heeft de verdachte en zijn mededaders uitgedaagd, nadat hij in eerste instantie was weggelopen, en heeft zelf ook geweld gebruikt. Het slachtoffer heeft de verdachte uitgescholden en een muziekbox en mobiele telefoon in de richting van de verdachte gegooid. Ten slotte verzoekt de raadsvrouw de rechtbank rekening te houden met de manier waarop de verdachte is aangehouden. De politieagent sloeg de verdachte drie maal met zijn hoofd tegen de politieauto terwijl de verdachte hem vroeg dit niet te doen omdat hij net hersenvliesontsteking had gehad.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Om te bepalen welke straf en/of maatregel voor de verdachte gepast is, kijkt de rechtbank naar de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en ook naar de persoon van de verdachte.

6.3.1

De ernst van het feit

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging, midden op de dag op een drukke plek.

Het slachtoffer dacht te moeten ingrijpen toen hij zag dat er een tasje van een meisje werd afgepakt door een medeverdachte (hoewel achteraf bleek dat de medeverdachte hiermee geen kwade bedoelingen had). Vervolgens is hij na een discussie door de verdachte en de medeverdachten achterna gezeten en hebben zij hem diverse malen geslagen en geschopt, terwijl hij op de tramrails lag. Zij hebben het slachtoffer ook tegen zijn hoofd geschopt en hem weerloos achtergelaten.

Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van een dergelijk geweldsdelict zich nog gedurende langere tijd angstig en onveilig kunnen voelen en/of psychische gevolgen van het gebeurde kunnen ondervinden. Bovendien nemen als gevolg van dit soort delicten de gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen toe.

Dit geldt zeker voor de vele mensen die op dat moment rondom station Holland Spoor getuige waren van de geweldshandelingen.

6.3.2

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De verdachte is niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank heeft het rapport gelezen van de Raad van 3 oktober 2019 en heeft kennisgenomen van het weekschema van de verdachte.

In het rapport van de Raad leest de rechtbank dat de verdachte in een belaste thuissituatie leeft. Zijn ouders zijn gescheiden, maar zijn nog steeds in conflict met elkaar. Contacten tussen beide ouders verlopen via de William Schrikker Stichting en Middin (opvoedondersteuning aan het gezin en tevens wordt er gewerkt aan de relatie tussen ouders). Alle gezinsleden zijn de recente dood van de 15-jarige broer van de verdachte door hersenvliesontsteking nog aan het verwerken. De verdachte volgt behandeling bij een psycholoog omdat de vader zich zorgen maakte over de boosheid van zijn zoon.

De vrijetijdsbesteding van de verdachte is weinig zinvol ingericht. Positief is wel dat

de verdachte naar school gaat.

De Raad is van mening dat hulpverlening vanuit de jeugdreclassering geïndiceerd

is. Zo kan worden gecontroleerd of de verdachte zich aan de afspraken houdt met de psycholoog en kan met hem een delictanalyse worden gemaakt.

Volgens het dynamisch risicoprofiel is de kans op herhaling laag, maar de Raad schat de kans op herhaling iets hoger in. Dit gezien het feit dat de verdachte veel moet verwerken, moeite heeft om zich te uiten en boosheid in zich heeft.

De Raad adviseert een (deels) voorwaardelijke werkstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering (William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering) in het kader van de meldplicht, het deelnemen aan onderwijs, het meewerken aan het volgen van een behandeling in het kader van de zorgen rondom zijn gedrag (met name emotie-regulatie) en stemming (somberheid).

De rechtbank onderschrijft de conclusie van de Raad met betrekking tot de kans op herhaling.

Op de zitting is namens de Raad het advies aangevuld, in die zin, dat tevens wordt verzocht in de bijzondere voorwaarden op te nemen dat de begeleiding door de jeugdreclassering gedurende de eerste drie maanden zal bestaan uit ITB Criem Plus en dat ook de begeleiding door de coach van Its4Sure aan de bijzondere voorwaarden wordt toegevoegd.

Van de zijde van de jeugdreclassering is ter zitting meegedeeld dat de verdachte baat heeft bij duidelijke kaders en structuur. Het weekschema is opgesteld om de verdachte te beschermen, niet om hem te straffen, en hij wordt er ook rustiger van. De coach van Ist4Sure begeleidt de verdachte gedurende 10 uren per week met betrekking tot school en de invulling van zijn vrije tijd. Voor de behandeling is de verdachte aangemeld bij De Jutters en hij staat daar op de wachtlijst. Het nakomen van medische afspraken is belangrijk voor de gezondheid van de verdachte.

De heer [naam 1] , coach van de verdachte en gehoord als deskundige ter zitting, heeft desgevraagd meegedeeld dat hij de eerste periode van de begeleiding heeft gebruikt om kaders te schetsen, duidelijke afspraken te maken met de verdachte en beide ouders en om de structuur binnen het gezin te herstellen. De verdachte is hier heel gevoelig voor. Voorts is er nog geen optimale rouwverwerking geweest na het overlijden van de broer van de verdachte en dat heeft effect op het gedrag van de verdachte.

De heer [naam 1] heeft ook aangeven elke dinsdag met de verdachte te gaan sporten, waarbij de mogelijkheid bestaat dat de zus van de verdachte ook meesport. Het initiatief voor het maken van deze afspraken ligt bij de verdachte en zijn zus.

6.3.3

De straf / maatregel

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat tot uitgangspunt genomen de straffen die in soortgelijke zaken gewoonlijk worden opgelegd, zoals neergelegd in de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vastgestelde oriëntatiepunten voor de straftoemeting

De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat een geheel voorwaardelijke werkstraf een passende sanctie is.

De rechtbank weegt daarbij mee dat het een ernstig feit is, maar dat het slachtoffer zelf ook een aandeel in het gebeurde heeft gehad door zich provocerend te gedragen, hoewel de rechtbank benadrukt dat daarin geen excuus is gelegen voor de mate van geweldpleging tegen het slachtoffer. Verder weegt de rechtbank mee dat de verdachte inzicht heeft getoond in het kwalijke van zijn handelen en over het algemeen goed heeft meegewerkt aan de schorsende voorwaarden, die een serieuze verandering in zijn houding van hem vergden.

Ook de leeftijd, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het ontbreken van een strafblad weegt de rechtbank mee. De nadruk van de strafoplegging moet nu liggen op de begeleiding en behandeling van de verdachte om herhaling te voorkomen. Het voorgestelde traject van coaching en behandeling is intensief en zal daarom veel inspanning van de verdachte vergen.

De rechtbank zal als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering, waarvan de eerste drie maanden bestaan uit ITB Criem Plus, inclusief de meldplicht, opleggen en daarnaast het meewerken aan begeleiding door de coach van Its4Sure, het volgen van een behandeling bij De Jutters en het volgen van onderwijs volgens het lesrooster.

7 De vordering van de benadeelde partij

[naam 2] , bewindvoerder van [benadeelde] heeft namens hem een vordering ingediend voor het bedrag van € 1.000,00, bestaande uit een bedrag van € 500,00 aan materiële schade en uit een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade, kort gezegd smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de [benadeelde] van € 400,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Zij heeft ten aanzien van de materiële schade geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij, nu deze kosten niet zijn onderbouwd.

7.2

Het standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft eveneens niet-ontvankelijk verklaring van de [benadeelde]

dan wel afwijzing van de vordering, ten aanzien van de materiële schade bepleit, nu deze schade niet is onderbouwd en uit de verklaring van de verdachte blijkt dat de benadeelde partij de telefoon zelf heeft weggegooid. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsvrouw matiging tot een bedrag van € 200,- bepleit en aangegeven dat hierbij rekening moet worden gehouden met de eigen schuld van de benadeelde partij en het ontbreken van enige medische verklaring over het letsel van de benadeelde partij.

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat de eventueel toe te wijzen schadevergoeding in termijnen mag worden betaald, nu de vader en de moeder het financieel niet breed hebben en zij, gezien de leeftijd van de verdachte, de eventuele schadevergoeding moeten betalen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De verdachte had de leeftijd van veertien jaar nog niet bereikt ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit en daarom is hij naar burgerlijk recht niet aansprakelijk voor de door de benadeelde partij geleden schade. De vordering van de benadeelde partij wordt daarom geacht te zijn gericht tegen de ouders van de verdachte.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde feit schade heeft geleden, waarvoor de verdachte medeverantwoordelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat voor de immateriële schade naar billijkheid een bedrag van € 400,00 hoofdelijk kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf 19 september 2019 tot de dag dat het bedrag is betaald.

De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de immateriële schade voor het overige afwijzen.

De rechtbank acht, net als de officier van justitie en de raadsvrouw, de materiële schade onvoldoende onderbouwd en zal de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien een nadere onderbouwing en de beoordeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding zouden opleveren.

Vorenstaande brengt mee dat de ouders van de verdachte ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij, tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, die de rechtbank tot op vandaag begroot op € 0,00.

De rechtbank zal bepalen dat de vordering door de ouders van de verdachte mag worden betaald in 8 opeenvolgende maandelijkse termijnen van € 50,00.

De wet biedt geen mogelijkheid om aan de ouders van de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

24a, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het plegen van de bewezen verklaarde feiten dan wel zoals zij tijdens deze uitspraak gelden.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Dat is volgens de wet:

OPENLIJK IN VERENIGING GEWELD PLEGEN TEGEN PERSONEN;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde

arbeid, voor de tijd van 40 UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 20 DAGEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging de hem opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

bepaalt dat de werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich tot het einde van de proeftijd, die 2 jaar is, houdt aan de volgende voorwaarden:

1. dat hij zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

2. dat hij zich zal melden bij de jeugdreclassering, op momenten waarop zij dat willen en

zolang zij dat willen, waarbij de eerste drie maanden van de begeleiding zal bestaan uit

ITB Criem Plus;

3. dat hij meewerkt aan de begeleiding door de coach van Its4Sure, zolang de

jeugdreclassering dit noodzakelijk vindt;

4. dat hij meewerkt aan het volgen van behandeling bij De Jutters, of een soortgelijke

instelling, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk vindt;

5. dat hij volgens het lesrooster onderwijs zal volgen, zolang de jeugdreclassering dit

noodzakelijk vindt;

geeft de opdracht aan de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om erop toe te zien dat de veroordeelde zich zal houden aan de voorwaarden en om hem daarbij te begeleiden;

wijst de veroordeelde op de overigens geldende voorwaarden dat hij gedurende de proeftijd:

6. voor het vaststellen van zijn identiteit zal meewerken aan het nemen van vingerafdrukken

of een identiteitsbewijs (artikel 1 Wet op de identificatieplicht) zal laten inzien;

7. zal meewerken aan het toezicht door de jeugdreclassering en aan huisbezoeken en het

zich melden bij de jeugdreclassering op momenten waarop zij dat willen en

zolang zij dat willen (artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van

Strafrecht);

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde;

de rechtbank wijst de vordering van de [benadeelde] ten laste van de ouders van de verdachte hoofdelijk toe tot het bedrag van € 400,00, zijnde immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf 19 september 2019 tot de dag waarop de vordering is betaald en veroordeelt de ouders van de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 0,00, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de ouders van de verdachte, indien de mededaders van de verdachte het bedrag geheel of gedeeltelijk aan de benadeelde partij hebben betaald, dit bedrag niet meer hoeven te betalen;

wijst de vordering ten aanzien van de overige immateriële schade af;

verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de geleden materiële schade

niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de vordering door de ouders van de verdachte mag worden betaald in

8 opeenvolgende maandelijkse termijnen van € 50,00.

Dit vonnis is gewezen door

mr. L. Kelkensberg, rechter, voorzitter,

mr. E.C.M. Bouman, kinderrechter,

en mr. C.J. van der Wilt, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank van 19 maart 2020.

1 De hierna genoemde pagina’s zijn te vinden in het dossier met het nummer PL1500-2019262834