Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2531

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
17-06-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4549
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aftrek voor uitgaven voor specifieke zorgkosten en scholingsuitgaven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 17-06-2020
V-N Vandaag 2020/1617
FutD 2020-1877
V-N 2020/41.2.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 19/4549 en SGR 19/4556

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

18 maart 2020 in de zaken tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van verweerder van 26 juni 2019 op het bezwaar van eiseres tegen de aan eiseres voor het jaar 2014 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en voor het jaar 2015 opgelegde aanslag IB/PVV en de bij beschikkingen daarbij in rekening gebrachte belastingrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2020.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en [B] .

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2014;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.330 en een belastbaar bedrag uit sparen en beleggen van € 24.173 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van die uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de belastingrentebeschikking bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 dienovereenkomstig;

  • -

    verklaart het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2015 ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiseres te vergoeden.

Overwegingen

1. Eiseres heeft voor het jaar 2014 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 14.813. Eiseres heeft een bedrag van € 15.864 (na toepassing van de drempel van € 599) aan uitgaven voor specifieke zorgkosten en € 5.677 (na toepassing van de drempel van € 250) aan scholingsuitgaven in aftrek gebracht. De aanslag IB/PVV 2014 is met dagtekening 28 mei 2016 conform de aangifte opgelegd.

2. Eiseres heeft voor het jaar 2015 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 14.189. Eiseres heeft een bedrag van € 14.638 aan uitgaven voor specifieke zorgkosten (na toepassing van de drempel van € 638) en € 9.840 aan scholingsuitgaven (na toepassing van de drempel van € 250) in aftrek gebracht.

3. Met dagtekening 2 mei 2017 heeft verweerder eiseres verzocht de aftrekposten te onderbouwen met bewijsstukken voor het jaar 2015. Met dagtekening 19 februari 2018 heeft verweerder ook verzocht de aftrekposten voor het jaar 2014 te onderbouwen.

4. Naar aanleiding van de door eiseres overgelegde stukken heeft verweerder de aftrekposten voor de jaren 2014 en 2015 gecorrigeerd. Voor het jaar 2014 is een navorderingsaanslag opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.830 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 24.173, waarbij de gehele aftrek voor uitgaven voor specifieke zorgkosten niet in aftrek is toegelaten en de aftrek voor scholingsuitgaven tot € 4.351 in aftrek is toegelaten. Tevens is belastingrente in rekening gebracht.

5. Voor het jaar 2015 is verweerder afgeweken van de aangifte en heeft een aanslag opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.479 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 24.188. De aftrek voor uitgaven specifieke zorgkosten en scholingsuitgaven is in zijn geheel niet toegelaten. Tevens is belastingrente in rekening gebracht.

6. In geschil is of verweerder de aftrek voor uitgaven specifieke zorgkosten en aftrek voor scholingsuitgaven in 2014 en 2015 terecht heeft gecorrigeerd.

Aftrek voor uitgaven specifieke zorgkosten

7. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat eiseres vanwege een ongeluk niet-aangeboren hersenletsel heeft en daarom extra zorgkosten maakt. Om kosten als uitgaven specifieke zorgkosten in aanmerking te kunnen nemen moet evenwel worden voldaan aan wettelijke vereisten. Zo vereist artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) dat de uitgaven voor specifieke zorgkosten op eiseres hebben gedrukt. Verder kunnen alleen de uitgaven in aanmerking worden genomen die limitatief zijn opgesomd in artikel 6.17 van de Wet IB, de daarop gebaseerde Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 en als aan alle daarin gestelde wettelijke voorwaarden is voldaan. Daarbij geldt dat op eiseres de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat zij terecht de uitgaven voor specifieke zorgkosten in aftrek heeft gebracht.

Hulpmiddelen 2014

8. Eiseres heeft aangevoerd dat zij € 4.884 heeft uitgegeven voor het aanpassen van haar woning in verband met haar beperking. Op grond van artikel 6.17, tweede lid, ten vierde, van de Wet IB zijn dergelijke uitgaven echter niet meer aftrekbaar in het jaar 2014. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank deze kosten terecht gecorrigeerd.

Genees- en heelkundige hulp 2014

9. Eiseres heeft gesteld dat zij € 3.519 aan kosten heeft gemaakt voor ‘Body mentor’ en ‘Gimmick’. Op grond van artikel 6.17, negende lid, van de Wet IB wordt onder genees- en heelkundige hulp verstaan:

a. een behandeling door een arts;

b. een behandeling op voorschrift en onder begeleiding van een arts door een paramedicus;

c. een behandeling door een bij ministeriële regeling aan te wijzen paramedicus, mits voor de behandeling een verklaring door de paramedicus is afgegeven die voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.

Niet aannemelijk is geworden dat deze behandelingen door een arts of bij ministeriële regeling aangewezen paramedicus zijn gedaan. Verder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de behandelingen op voorschrift en onder begeleiding van een arts hebben plaatsgevonden. Eiseres heeft dus niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 6.17, negende lid, van de Wet IB, zodat verweerder naar het oordeel van de rechtbank deze kosten terecht heeft gecorrigeerd.

Uitgaven voor extra gezinshulp 2014

10. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, onderdeel e, van de Wet IB, kunnen kosten voor extra gezinshulp die gemaakt zijn wegens ziekte of invaliditeit in aftrek worden gebracht voor zover die de drempel te boven gaan. Op grond van artikel 6.17, vijfde lid, van de Wet IB is bepaald dat uitgaven voor extra gezinshulp slechts in aanmerking worden genomen voor zover zij blijken uit gedagtekende facturen waarop duidelijk en op overzichtelijke wijze de naam en het adres van de gezinshulp zijn vermeld. Eiseres heeft in bezwaar een factuur met dagtekening 30 december 2014 overgelegd van ‘Stichting the Samaritans’, blijkens het briefhoofd een administratie en juridisch maatschappelijk adviesbureau. Uit de factuur leidt de rechtbank af dat eiseres in 2014 520 uur aan huishoudelijke hulp heeft gehad voor een totaalbedrag van € 7.865. Ter zitting heeft gemachtigde toegelicht dat deze factuur van zijn onderneming komt, dat hij eiseres op allerlei gebied helpt en dat de Stichting heeft bemiddeld in het huishoudelijke werk en de betreffende facturen heeft voorgeschoten en deze vervolgens bij eiseres in rekening brengt. Uit de door eiseres overgelegde factuur en met de gegeven toelichting kan niet worden vastgesteld wie de gezinshulp is geweest en wat voor werkzaamheden de gezinshulp heeft verricht. Zonder extra bewijsmiddelen kunnen de uitgaven voor extra gezinshulp niet in aftrek komen. De stelling van eiseres dat zij eerder extra bewijsmiddelen aan verweerder heeft verstrekt, is tegenover de betwisting daarvan door verweerder niet nader onderbouwd en niet aannemelijk gemaakt. De betreffende stukken zijn in beroep niet overlegt.

Uit het voorgaande volgt dat eiseres niet heeft voldaan aan de voorwaarden van artikel 6.17, eerste lid, onderdeel e, van de Wet IB en artikel 6.17, vijfde lid, van de Wet IB, zodat verweerder naar het oordeel van de rechtbank deze kosten terecht heeft gecorrigeerd.

Reiskosten en kleding en beddengoed 2014

11. Verweerder heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat gelet op de aard van eiseres haar beperking de reiskosten ziekenbezoek van € 198 en de lage forfaitaire aftrek voor kleding en beddengoed van € 310 aftrekbaar kunnen zijn. Omdat deze kosten echter niet boven de drempel van € 599 uitkomen, leiden ze niet tot aftrek.

Scholingsuitgaven 2014

12. Op grond van artikel 6.27, eerste lid, van de Wet IB komen scholingsuitgaven voor aftrek in aanmerking als sprake is van uitgaven voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning. De wet somt vervolgens limitatief op welke kosten als zodanig voor aftrek in aanmerking komen. Het betreft lesgeld, cursusgeld, collegegeld, examengeld en door de onderwijsinstelling verplicht gestelde leermiddelen en beschermingsmiddelen. Op grond van artikel 6.28, tweede lid, van de Wet IB, komen scholingsuitgaven voor aftrek in aanmerking als het meer bedraagt dan de toegekende studiefinanciering. Voor de aftrek voor scholingsuitgaven geldt ook het algemene vereiste dat de uitgaven op eiseres moeten hebben gedrukt op grond van artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet IB. En ook voor deze kosten geldt dat op eiseres de bewijslast rust aannemelijk te maken dat ze recht heeft op aftrek.

13. Verweerder heeft in bezwaar € 7.500 collegegeld en € 235 aan studieboeken minus de toegekende studiebeurs in aftrek toegestaan. Verweerder heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat de aftrek voor scholingsuitgaven te laag is vastgesteld in de bezwaarfase en € 4.851 had moeten zijn. Het beroep is in zoverre dus gegrond.

Voor het jaar 2014 is dan nog in geschil of verweerder terecht € 826 niet in aftrek heeft toegestaan. Eiseres heeft hiervoor enkele stukken overgelegd en aangevoerd dat zij veel scholingskosten heeft gemaakt vanwege haar beperking. Een ‘charity dinner’ valt echter niet onder de kosten die op grond van artikel 6.27 van de Wet IB in aftrek worden toegestaan. Verder heeft eiseres niet geconcretiseerd welke scholingsuitgaven zij heeft gedaan. Eiseres heeft dus niet aannemelijk gemaakt zij recht heeft op een hogere aftrek voor scholingsuitgaven ten bedrage van € 826, zodat verweerder deze kosten terecht niet in aftrek toe heeft gelaten.

14. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft eiseres geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Nu de aanslag is verminderd, heeft de rechtbank de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd. Gesteld noch gebleken is dat de rente die nog wel in rekening is gebracht naar een onjuist bedrag of in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht is berekend.

15. Nu verweerder de aanslag IB/PVV 2014 tot een te hoog bedrag heeft vastgesteld is het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2014 gegrond verklaard en is de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd.

Hulpmiddelen 2015
16. Eiseres heeft aangevoerd dat zij € 1.589 heeft afgeschreven vanwege het aanpassen van haar woning. Zoals reeds onder 8. geoordeeld zijn dergelijke kosten op grond van artikel 6.17, tweede lid, ten vierde, van de Wet IB niet meer aftrekbaar in het jaar 2015.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank deze kosten terecht gecorrigeerd.

Genees- en heelkundige hulp 2015
17. Eiseres heeft gesteld dat zij in 2015 € 703,96 aan kosten heeft gemaakt voor ‘Body mentor’ en ‘Healt Beuty’. Niet aannemelijk is geworden dat deze behandelingen door een arts of bij ministeriële regeling aangewezen paramedicus zijn gedaan. Verder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de behandelingen op voorschrift en onder begeleiding van een arts hebben plaatsgevonden. Eiseres heeft dus niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 6.17, negende lid, van de Wet IB, zodat verweerder naar het oordeel van de rechtbank deze kosten terecht heeft gecorrigeerd.

Uitgaven voor extra gezinshulp 2015

18. Eiseres heeft in bezwaar een factuur met dagtekening 30 december 2017 overgelegd van ‘Stichting De Samaritaan’ die gevestigd is op hetzelfde adres als de onder 10. genoemde ‘Stichting The Samaritans’. In de factuur staat dat eiseres van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2017 1.040 uur aan huishoudelijke hulp heeft gehad voor een totaalbedrag van € 13.370. Dit betreft een factuur met een dagtekening van bijna twee jaar na het onderhavige belastingjaar en uit de factuur kan niet afgeleid worden voor welk bedrag eiseres in 2015 aan gezinshulp heeft ontvangen. Verder kan ook niet worden afgeleid wie de gezinshulp is geweest en wat voor werkzaamheden de gezinshulp heeft verricht. Blijkens de factuur zou deze contant zijn betaald en gelet op de dagtekening daarvan, niet in het jaar waarop de uitgaven zien. Daarom heeft verweerder terecht in twijfel getrokken of de kosten wel in 2015 op eiseres drukken. Eiseres heeft verder een modelzorgovereenkomst overgelegd, maar ook dit is geen factuur zoals wordt bedoeld in artikel 6.17, vijfde lid, van de Wet IB. Eiseres heeft dus niet voldaan aan het vereiste in artikel 6.17, vijfde lid, van de Wet IB en zonder extra bewijsmiddelen kunnen de uitgaven voor extra gezinshulp niet in aftrek komen. Ook voor deze uitgaven geldt dat eiseres haar stelling dat zij eerder extra bewijsmiddelen aan verweerder heeft verstrekt, tegenover de betwisting daarvan door verweerder niet nader onderbouwt en niet aannemelijk heeft gemaakt. De betreffende stukken zijn in beroep niet overlegt. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de uitgaven voor extra gezinshulp voor aftrek in aanmerking komen, zodat verweerder deze kosten terecht heeft gecorrigeerd.

Scholingsuitgaven 2015

19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht de scholingsuitgaven in aftrek geweigerd. Eiseres heeft op 17 april 2015 collegegeld betaald voor het studiejaar 2014/2015 ten bedrage van € 4.500. Aan eiseres is volgens een renseignement van verweerder tot en met 31 augustus 2015 € 4.422,88 aan studiefinanciering toegekend, zodat rekening houdend met de drempel van € 250 geen recht bestaat op aftrek. Zoals reeds onder 13. is overwogen komen de op 27 april 2015 betaalde kosten voor een ‘charity dinner’ niet voor aftrek in aanmerking. Het is verder niet aannemelijk geworden dat andere aftrekbare scholingsuitgaven in de periode van 1 januari 2015 tot en met 30 juni 2015 op eiseres hebben gedrukt.

Op grond van artikel 6.28, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB (tekst na 1 juli 2015) komen scholingsuitgaven niet voor aftrek in aanmerking indien de belastingplichtige aanspraak maakt op studiefinanciering. Aangezien eiseres volgens een renseignement van verweerder na 1 juli 2015 aanspraak had op studiefinanciering, komen de collegegeldbetalingen na 1 juli 2015 ook niet voor aftrek in aanmerking.

20. Nu verweerder met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2015 terecht de aftrek voor uitgaven specifieke zorgkosten en scholingsuitgaven heeft geweigerd is het beroep ongegrond verklaard.

21. Nu eiseres geen afzonderlijke gronden tegen de beschikking belastingrente voor het jaar 2015 heeft aangevoerd, is ook het beroep tegen de beschikking belastingrente ongegrond verklaard.

22. Verweerder heeft de vraag opgeworpen of de gemachtigde van eiseres in de hoedanigheid van professioneel gemachtigde is opgetreden namens eiseres. De rechtbank stelt vast dat gemachtigde in zijn hoedanigheid van de Stichting the Samaritans voor eiseres heeft opgetreden en dat die Stichting zich presenteert als een administratie- en juridisch maatschappelijk adviesbureau. Eiseres heeft verder ter zitting verklaard dat zij een factuur van de gemachtigde heeft gekregen voor zijn diensten. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zodat deze als proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1). De proceskosten in bezwaar komen niet voor vergoeding in aanmerking, aangezien hierom niet verzocht is in de bezwaarfase (artikel 7:15 Algemene wet bestuursrecht).

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. van Riel, rechter, in aanwezigheid van

mr. F.J. Baak, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.