Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2522

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-02-2020
Datum publicatie
08-06-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 6575
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft niet in strijd met de abbb gehandeld door belastingrente in rekening te brengen. De aanslag is binnen de aanslagtermijn opgelegd en de duur van de aanslagtermijn is deels aan eiseres te wijten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 08-06-2020
V-N Vandaag 2020/1518
FutD 2020-1802
V-N 2020/31.2.5
NTFR 2020/2712
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 19/6575

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

20 februari 2020 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 6 september 2019 op het bezwaar van eiseres tegen de voor het jaar 2015 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) en in rekening gebrachte belastingrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2020.

Namens eiseres is de gemachtigde verschenen, bijgestaan door [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [B] en

[C] .

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Aan eiseres is voor het indienen van de aangifte Vpb voor het jaar 2015 uitstel verleend tot 1 november 2016. Op 11 april 2017 is de aangifte Vpb ingediend naar een belastbare winst van € 738.793. In de aangifte is een buitengewone last opgenomen van

€ 1.696.000, vanwege een afwaardering naar lagere bedrijfswaarde van de onroerendgoedportefeuille van eiseres.

2. Bij de aanslagregeling heeft verweerder de afwaardering geheel gecorrigeerd. De aanslag Vpb 2015 is op 26 januari 2019 gedagtekend, berekend naar een belastbare winst van € 2.434.793 en een belastbaar bedrag van € 1.701.727. Daarbij is belastingrente in rekening gebracht van € 89.244, berekend over een periode van 1 juli 2016 tot en met 9 maart 2019.

3. In geschil is of verweerder terecht belastingrente in rekening heeft gebracht. Niet in geschil is dat de belastingrente conform de wettelijke bepalingen is berekend.

4. Eiseres stelt dat ten onrechte belastingrente in rekening is gebracht, aangezien met betrekking tot de afwaardering sprake was van een pleitbaar standpunt. Gelet op de verzuimgedachte van de belastingrente is het in rekening brengen van belastingrente vanwege het pleitbaar standpunt niet mogelijk. Verder voert eiseres aan dat het in rekening brengen van belastingrente onevenredig is gelet op de lange duur van de aanslagregeling en het hoge rentepercentage.

5. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de belastingrente is aangesloten op de verzuimrenteregeling in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Die verzuimrenteregeling gaat ervan uit dat een bestuursorgaan rente in rekening brengt indien de burger niet op tijd aan zijn betalingsverplichting jegens het bestuursorgaan voldoet. Anderzijds vergoedt het bestuursorgaan rente als het zelf niet op tijd aan zijn betalingsverplichting jegens de burger voldoet (MvT, Kamerstukken II, 2011/12, 33 003, nr. 3, pp 32-35).

6. Het gaat hier om een regeling die uitsluitend wordt bepaald door tijdsverloop en de hoogte van de afwijking van de aangifte. De belastingrente wordt niet beïnvloed door mogelijke verwijten aan hetzij eiser, hetzij verweerder en is dus geen boete. De ‘verzuimgedachte’ waar eiseres op doelt heeft geen betrekking op het ten onrechte indienen van een onjuiste aangifte, maar op het ten onrechte niet op tijd de verschuldigde belasting in de Schatkist laten vloeien. Van een ‘verzuimboete’ is dus geen sprake en een eventueel pleitbaar standpunt kan eiseres dan ook niet baten tegen een belastingrentebeschikking, als de aanslag onherroepelijk vaststaat.

7. Onder omstandigheden kunnen algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het in artikel 3:4 van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, meebrengen dat geen belastingrente in rekening mag worden gebracht, dan wel dat de berekening van deze rente moet worden beperkt (vergelijk Hoge Raad van 28 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0764 en Hoge Raad 25 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8524).

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel. De aanslag Vpb met correctie is binnen de in artikel 11 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen genoemde termijn opgelegd, zodat reeds daarom geen sprake is van schending van het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel. Verweerder heeft verder binnen die termijn de vrijheid om zijn werkzaamheden in te richten en te prioriteren zoals hij dat wenselijk acht, zolang de aanslag maar binnen de aanslagtermijn wordt vastgesteld (vgl r.o. 4.8 Hof Arnhem-Leeuwarden 24 september 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7700). Aan het vorenstaande doet dus niet af dat de aanslagregelende fase lang heeft geduurd. Dat is overigens verklaarbaar en deels aan eiseres te wijten. Eiseres heeft de aangifte Vpb immers pas op 11 april 2017 ingediend en het waarderingsvraagstuk was complex.

9. Dat eiseres het percentage van de belastingrente te hoog vindt kan er niet toe leiden dat geen belastingrente in rekening kan worden gebracht. Het is een bewuste keus van de wetgever geweest aan te sluiten bij de wettelijke rente voor handelstransacties (MvT, Kamerstukken II 2013/14, 33 755, nr. 3, p. 2 e.v.). Het staat de rechter namelijk niet vrij af te wijken van de wet en de rechter mag niet de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen (artikel 11 van de Wet algemene bepalingen).

10. Aangezien de belastingrente terecht en tot de juiste hoogte in rekening is gebracht en het in rekening brengen van belastingrente aan eiseres niet in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, is het beroep ongegrond verklaard.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Baak, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.