Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2516

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
NL20.5837
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

inhoudsindicatie niet geleverd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.5837


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. G.M.H. Vriesde),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. Heerebeek-de Graaf).

Procesverloop

Verweerder heeft op 22 december 2019 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft hierop gereageerd.

In verband met de maatregelen die zijn getroffen vanwege de uitbraak van het ‘coronavirus’, zijn partijen telefonisch (met behulp van een zogenaamd 3-gesprek) gehoord op 19 maart 2020. Eiser heeft zich daarbij laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 24 januari 2020 (in de zaak NL19.31671) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt (17 januari 2020), rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.

2. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting in zijn geval binnen een redelijke termijn ontbreekt, omdat vanuit moet worden gegaan dat de Marokkaanse autoriteiten niet zullen meewerken. Eiser zit nu ruim tweeënhalve maand in detentie en is nog niet gepresenteerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Sinds het versturen van de laissez-passeraanvraag (lp) hebben de Marokkaanse autoriteiten niet gereageerd op de rappels van verweerder.

2.1.

Zicht op uitzetting ontbreekt als verweerder niet aannemelijk maakt dat er binnen een redelijke termijn een mogelijkheid is om eiser uit te zetten, ook als eiser actief en volledig meewerkt.

2.2.

In wat door eiser is aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat zicht op uitzetting in zijn geval ontbreekt. Uit de voortgangsrapportage van 6 maart 2020 blijkt dat de lp-aanvraag, die verweerder op 2 januari 2020 heeft verzonden aan de Marokkaanse autoriteiten, nog steeds loopt. De enkele stelling dat er vanuit moet worden gegaan dat Marokko niet meewerkt, maakt niet dat zicht op uitzetting ontbreekt. Voor het realiseren van eisers uitzetting is verweerder afhankelijk van de Marokkaanse autoriteiten en hem moet daarom enige tijd worden gegund.

Daarnaast rust op eiser de plicht om actief en volledig mee te werken aan zijn uitzetting naar Marokko. Hiervan is tot op heden niet gebleken. Uit de daartoe opgemaakte verslagen blijkt dat eiser tijdens de vertrekgesprekken van 31 januari en 5 maart 2020 heeft verklaard niet mee te willen werken aan zijn vertrek naar Marokko. Voorts heeft eiser verklaard dat hij bij vrijlating zal terugkeren naar Spanje om daar te gaan werken.

Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

3. Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Verweerder heeft in de maand februari van dit jaar immers geen vertrekgesprek met eiser gevoerd. Pas nadat eiser op 5 maart 2020 om 13:17 uur een vervolgberoep had ingesteld, heeft verweerder dezelfde dag nog om 16:10 uur een vertrekgesprek met eiser gevoerd.

3.1.

Zoals onder 2.2 is vermeld, heeft verweerder de lp-aanvraag op 2 januari 2020 verzonden naar de Marokkaanse autoriteiten. Sinds de sluiting van het onderzoek in het vorige beroep heeft verweerder op 5 en 26 februari 2020 gerappelleerd en op 31 januari en 5 maart 2020 vertrekgesprekken gevoerd met eiser. Naar het oordeel van de rechtbank handelde verweerder hiermee voldoende voortvarend om de uitzetting van eiser te realiseren.

Dat verweerder geen vertrekgesprek heeft gevoerd in de maand februari van dit jaar doet aan het voorgaande niet af. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is het in beginsel aan de regievoerder om te bepalen welke uitzettingshandelingen noodzakelijk zijn (zie de uitspraak van 4 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2415). Verweerder kan dus op verschillende manieren voortvarend aan een uitzetting werken, waarbij het voeren van een vertrekgesprek er een van is. Daarnaast staat het eiser vrij om ook zelf een vertrekgesprek aan te vragen, om zodoende de uitzetting te bespoedigen.

Gelet op voormelde uitzettingshandelingen is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend handelt om eiser uit te zetten naar Marokko. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet

4. Eiser voert tot slot aan dat door het uitblijven van de behandeling van zijn lichamelijke klachten hij niet langer in bewaring kan verblijven. Eiser heeft vanaf de oplegging van de maatregel van bewaring al last van zijn maag en tandvlees. Eiser kon voor zijn maagklachten pas vanaf 7 januari 2020 terecht bij de huisarts en hij ontving pas op die datum medicatie hiervoor. Eiser is voor zijn tandvleesklachten in zijn geheel niet behandeld. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft eiser een uitdraai van zijn medische gegevens overgelegd.

4.1.

Uit de Afdelingsuitspraak van 5 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:16) volgt dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat de in detentie beschikbare medische zorg in zijn geval niet toereikend is, dat hij niet in staat kan worden geacht de inbewaringstelling op verantwoorde wijze te ondergaan of dat zijn medische omstandigheden in detentie door gebrek aan medische zorg zullen verslechteren.

4.2.

Niet in geschil is dat eiser maagklachten heeft. Uit de overgelegde uitdraai kan, anders dan eiser betoogt, naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat eiser geen dan wel niet tijdig behandeling heeft gekregen voor zijn maagklachten. Eiser zit sinds 22 december 2019 in bewaring. Op 24 december 2019 kon eiser voor het eerst voor zijn maagklachten terecht bij de medische dienst van het detentiecentrum. De betreffende arts heeft op dat moment geen acute noodzaak gezien om medicatie voor te schrijven. Vervolgens is eiser op 25 en 26 december 2019 lichamelijk onderzocht. Op 2 januari 2020 heeft de arts dit onderzoek besproken met eiser en op 7 januari 2020 is medicatie voorgeschreven. Gelet op het voorgaande is de medische behandeling van eisers maagklachten voortvarend ter hand genomen. Verder heeft eiser niet met andere stukken of anderszins aannemelijk gemaakt dat de in detentie beschikbare zorg voor deze problematiek in zijn geval niet toereikend is.

4.3.

Niet in geschil is dat eiser tandvleesklachten heeft. Uit de overgelegde uitdraai blijkt dat eiser op 17 februari 2020 door de tandarts is behandeld. Daarom volgt de rechtbank de stelling van eiser dat hij niet is behandeld voor zijn tandvleesproblemen niet. Uit de uitdraai blijkt verder dat eiser al op 30 december 2019 zijn tandvleesproblemen kenbaar heeft gemaakt ten overstaan van de medewerkers van het detentiecentrum, terwijl eiser dus pas op 17 februari 2020 door een tandarts is behandeld. Deze wachttijd maakt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat eiser daardoor niet in staat moet worden geacht om zijn inbewaringstelling op verantwoorde wijze te ondergaan. Daarbij wijst de rechtbank op de aard van de medische problematiek en het feit dat eiser tussentijds (13 januari 2020) is gecontroleerd door de tandarts.

Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier.

Deze uitspraak is openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.