Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2512

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-03-2020
Datum publicatie
13-05-2020
Zaaknummer
09/842068-19 en 09/817209-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet en het opzettelijk aanwezig hebben van grote hoeveelheden verdovende middelen als MDMA en amfetamine olie. De rechtbank veroordeelt hem tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/842068-19 en 09/817209-19 (ttz. gev.)

Datum uitspraak: 16 maart 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaken van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting ‘Alphen aan de Rijn’, locatie Eikenlaan te Alphen aan de Rijn.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 8 juli 2019, 9 september 2019, 5 december 2019 (steeds pro forma) en 2 maart 2020 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.L. Groeneveld en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman mr. J.G.D. Rutten naar voren hebben gebracht.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 2 maart 2020 medegedeeld dat zij voornemens is een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

ten aanzien van parketnummer 09/842068-19 (dagvaarding I)

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2019 tot en met 11 april 2019 te Den Haag tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld

in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van amfetamineolie en/of MDMA en/of cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA en/of cocaïne, zijnde amfetamine en/of MDMA en/of cocaïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen

- Emmers

- Maatbekers

- Trechters

- PH meters

- Jerrycans

- Grote hoeveelheid tabletten/substanties

- IJzerwaren zoals een frame

- Hydraulische krik

- Mal en stempels van een tabletteermachine

- Chemicaliën

- Jerrycans gevuld met lichtgele chemische vloeistoffen

- Mixers

- Weegschalen

- Pers voor het vervaardigen van blokken verdovende middelen

- Versnijdingsmiddelen,

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

2.

hij op of omstreeks 11 april 2019 te Den Haag tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 54,11 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 19 liter amfetamine olie, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, en/of ongeveer 3,2 kilo (ongeveer 8254 tabletten) MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA zijnde cocaïne en/of amfetamine en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij in de periode van op of omstreeks 25 februari 2019 tot en met 11 april 2019, te Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, van één of meerdere voorwerpen te weten

- Een of meer horloge(s) (merk: Rolex) en/of

- Een zonnebril (merk: Louis Vuitton) en/of

- geldbedragen ad in totaal Eur 38172 en/of

- een Audi A-6 voorzien van kenteken [kenteken] en/of

- een grote hoeveelheid medicamenten en/of

- een Aquaris cryptotelefoon en/of

- GPS trackers

- de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of

- heeft verborgen en/of heeft verhuld, wie de rechthebbende op dit voorwerp cq. deze voorwerpen is/zijn en/of

- dit voorwerp c.q. deze voorwerpen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp c.q. die voorwerpen, geheel of gedeeltelijk,

onmiddellijk of middellijk, afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;

4.

hij op of omstreeks 11 april 2019 te Den Haag tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Ruger, type LC9s, kaliber 9 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of bijbehorende munitie te weten een patroon van categorie III voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van parketnummer 09/817209-19 (dagvaarding II)

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 mei 2017 tot en met 2 mei 2019 te Den Haag in elk geval in Nederland, in een [naam opslagbedrijf] met [boxnummer] gevestigd aan de [adres] , tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 43,7 kilogram MDMA poeder, in elk geval (een) hoevee1he(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 mei 2017 tot en met 2 mei 2019 te Den Haag, in elk geval in Nederland in een [naam opslagbedrijf] met [boxnummer] gevestigd aan de [adres] , tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA, zijnde middelen als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden, (onder meer) voorhanden heeft gehad:

- 3 maatscheppen met poederrestanten bevattende MDMA

- 2 blenders met poederrestanten bevattende MDMA

- 3 zeven met poederrestanten bevattende MDMA

- grote hoeveelheden kleurenpoeders

- 12 flessen gootsteenontstopper

waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden, dat die goederen bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en).

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Op 25 februari 2019 wordt er bij Meld Misdaad Anoniem (hierna: MMA) de melding gemaakt dat de heer [medeverdachte] , woonachtig in een woning boven de [locatie] gelegen aan de [adres] te Den Haag, drugs verhandelt en in het bezit is van een handvuurwapen. Voorts wordt er door het Team Criminele Inlichtingen op 1 maart 2019 een proces-verbaal verstrekt, inhoudende dat - kort gezegd - in een woning op de tweede etage, boven de [locatie] , door een Turk speed gedraaid wordt. In dit proces-verbaal wordt ook gerelateerd dat met de woning op de tweede etage vermoedelijk de woning aan de [adres] [(--)] of [(--)] wordt bedoeld. Op nummer [(--)] staat volgens het GBA [verdachte] (hierna: de verdachte) ingeschreven. [medeverdachte] , de broer van de verdachte -en in onderliggend onderzoek eveneens aangemerkt als verdachte - staat blijkens het GBA ingeschreven op nummer [(--)] .

Op 15 maart 2019 wordt wederom een MMA-melding gemaakt met betrekking tot handel in drugs vanuit de portiek tussen [locatie] . Bij het betreden van de portiek wordt zowel vanuit de woning in het midden als vanuit de woning rechts drugs verhandeld en in beide woningen wordt speed gemaakt. Ook zijn er vuurwapens aanwezig. Volgens de melding is ene [medeverdachte] hier verantwoordelijk voor.

Naar aanleiding van deze meldingen vindt vervolgens op 11 april 2019 een doorzoeking plaats in genoemde woningen en worden beide verdachten aangehouden. In de woning van de verdachte treft de politie onder meer 8254 MDMA tabletten, 19 liter amfetamine olie en een veelheid aan goederen te relateren aan de productie van drugs aan. In de woning van [medeverdachte] worden onder meer een hoeveelheid cocaïne, een doorgeladen vuurwapen, een grote hoeveelheid medicijnen en contante geldbedragen aangetroffen.

Wanneer de politie onderzoek naar de bankrekening van [medeverdachte] verricht, blijkt dat maandelijks een geldbedrag wordt afgeschreven ten behoeve van [naam opslagbedrijf] Uit de door [naam opslagbedrijf] verstrekte gegevens blijkt dat hij sinds april 2017 een [naam opslagbedrijf] box huurt. Op 2 mei 2019 vindt ook hier een doorzoeking plaats, waarbij onder meer een grote hoeveelheid MDMA poeder, flessen gootsteenontstopper en goederen als maatscheppen en blenders met poederrestanten bevattende MDMA worden aangetroffen.

De verdachte wordt onder dagvaarding I - kort gezegd - verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen ter zake van Opiumwetdelicten (feit 1), het in vereniging voorhanden hebben van amfetamine olie, MDMA tabletten en cocaïne (feit 2), het medeplegen van witwassen (feit 3) en het in vereniging voorhanden hebben van een pistool met bijbehorende munitie (feit 4).

Naar aanleiding van het onderzoek in de [naam opslagbedrijf] box wordt de verdachte onder dagvaarding II het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 43,7 kilo MDMA (feit 1) en het medeplegen van voorbereidingshandelingen ter zake van Opiumwetdelicten (feit 2) verweten.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoir - vrijspraak gevorderd van het bij dagvaarding I onder 3 en 4 tenlastegelegde. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de bij dagvaarding I onder 1 en 2 (behoudens het opzettelijk aanwezig hebben van 54,11 gram cocaïne) en de bij dagvaarding II onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten. Op de specifieke standpunten van de officier van justitie zal hierna - voor zover relevant - nader worden ingegaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de bij dagvaarding I onder 1, 3 en 4 en de bij dagvaarding II onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten. Op de specifieke (bewijs)verweren van de verdediging zal hierna - voor zover relevant - nader worden ingegaan.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

3.4.1

Dagvaarding I

3.4.1.1 Feit 1

Nu de verdachte de feitelijk aan hem verweten gedraging heeft bekend en door de raadsman enkel een juridisch verweer is gevoerd, zal de rechtbank volstaan met een opsomming van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en de bespreking van het gevoerde verweer.

De rechtbank acht het onder 1 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 2 maart 2020;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 91-96;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 476-486;

- een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 21 augustus 2019, zaaknummer 2019.05.22.135 (aanvraag 004), p. 512-513.

Opzet voorbereidingshandelingen

De verdediging heeft aangevoerd dat - hoewel de verdachte heeft verklaard verantwoordelijk te zijn voor alles wat in zijn woning is aangetroffen - de verdachte nooit tot doel heeft gehad harddrugs te vervaardigen. De verdachte ontving jaren geleden, in het kader van een op te bouwen hennepplantage, van verschillende mensen de hiervoor benodigde goederen, zoals emmers en PH-meters. Daarbij kreeg hij doorgaans ook allerlei andere goederen mee, die altijd in zijn woning zijn blijven staan. Dat de verdachte heeft verklaard dat de aangetroffen spullen van hem zijn, maakt niet dat de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen en het opzet daarop wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, aldus de raadsman.

De rechtbank acht het door de verdediging geschetste scenario ongeloofwaardig. Hiertoe overweegt de rechtbank dat naast de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen eveneens een grote hoeveelheid MDMA tabletten en amfetamine olie zijn aangetroffen in de woning van de verdachte.2 Ook zijn in een emmer verschillende soorten stempels aangetroffen, waaronder een stempel van een Glock logo. De Forensische Opsporing (hierna: FO) heeft gerelateerd dat deze stempel overeenkomt met het Glock logo op de aangetroffen MDMA tabletten. In een andere emmer zijn restanten van een goudkleurige poedersubstantie aangetroffen, waarvan door het Nederlands Forensisch Instituut is geconcludeerd dat dit poeder MDMA bevat. Bij weer een andere emmer werd door de FO de geur van amfetamine geroken. Ook werden op de hydraulische pers witte poederrestanten gezien, waarvan de indicatieve test op de aanwezigheid van cocaïne wees. Onderzoek door het Nederlands Forensisch instituut heeft uitgewezen dat in totaal vier verschillende soorten versnijdingsmiddelen zijn aangetroffen in de woning van de verdachte, waarbij het gaat om versnijdingsmiddelen voor onder meer amfetamine en cocaïne. De Landelijke Faciliteit Ontmantelen (hierna: LFO) heeft uiteindelijk geconcludeerd dat in de woning van de verdachte kennelijk sprake was van vervaardiging en/of verwerking van synthetische drugs.

Het is naar het oordeel van de rechtbank dan ook evident dat de verdachte wist dat de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen bestemd waren voor het vervaardigen van, dan wel de handel in harddrugs, gelet op het samenstel van de aangetroffen voorwerpen en de genoemde bevindingen van de FO en LFO. De verdachte heeft verklaard dat hij altijd keek wat hij aan goederen binnenkreeg en hij wist van wat voor mensen deze goederen afkomstig waren, namelijk van mensen in het criminele circuit. Gelet daarop en gelet op het feit dat de verdachte zelf - gelet op zijn documentatie - ook niet geheel onbekend is in de wereld van de verdovende middelen, wist hij waarvoor deze goederen waren bestemd. Hij had dan ook opzet op de voorbereidingshandelingen. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

3.4.1.2 Feit 2

Aangezien de verdachte het tenlastegelegde feit heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en de raadsman van de verdachte ten aanzien van het opzettelijk aanwezig hebben van de MDMA tabletten en amfetamine olie geen vrijspraak heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan.

De rechtbank acht het onder 2 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 2 maart 2020;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 91-96;

- een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 11 april 2019, zaaknummer 2019.04.11.175 (aanvraag 002), p. 254;

- een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 25 april 2019, zaaknummer 2019.04.11.175 (aanvraag 003), p. 242-243;

- een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 19 april 2019, zaaknummer 2019.04.11.175 (aanvraag 004), p. 248;

- een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 19 april 2019, zaaknummer 2019.04.11.175 (aanvraag 005), p. 249;

- een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 19 april 2019, zaaknummer 2019.04.11.175 (aanvraag 006), p. 250.

Partiële vrijspraak cocaïne

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het tenlastegelegde opzettelijk aanwezig hebben van 54,11 gram cocaïne niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van dat onderdeel van de tenlastelegging.

3.4.1.3 Vrijspraak feit 3

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de verdachte van het onder 3 tenlastegelegde feit moet worden vrijgesproken, nu zich hiervoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier bevindt.

3.4.1.4 Vrijspraak feit 4

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de verdachte van het onder 4 tenlastegelegde feit moet worden vrijgesproken, nu zich hiervoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier bevindt.

3.4.2

Dagvaarding II

3.4.2.1 Feit 1

Bewijsmiddelen

Op 2 mei 2019 heeft bij de vestiging van [naam opslagbedrijf] aan de [adres] te Den Haag in [boxnummer] een doorzoeking plaatsgevonden. Aldaar werden onder meer gesloten en geopende dozen met gekleurde poeders en gesloten kratten met poederresidu aan meerdere zijden aangetroffen. Ook lag er poeder op de grond. Voornoemde dozen en kratten werden geopend. Hierbij bleek dat deze gevuld waren met al dan niet gesealde poeders. Naar aanleiding hiervan is de FO ter plaatse gekomen.3

Op 16 mei 2019 zijn door de FO onder meer de navolgende goederen onderzocht en bemonsterd:

- een krat met een roze poedersubstantie met een totaal netto gewicht van 14.400 gram;

- een krat met een roze poedersubstantie met een totaal netto gewicht van 9.300 gram;

- een krat met een groene poedersubstantie met een totaal netto gewicht van 13.450 gram;

- een krat met een gele poedersubstantie met een totaal netto gewicht van 6.550 gram.4

Deze monsters zijn ingezonden naar het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: RIVM). Uit onderzoek van het RIVM is gebleken dat voornoemde poedersubstanties MDMA bevatten.5 Het totaalgewicht van het MDMA poeder betrof 43,7 kilogram.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij gebruik maakte van de [naam opslagbedrijf] box, verantwoordelijk is voor de in deze opslagruimte aangetroffen goederen en dat deze goederen - met uitzondering van de bedrijfsinventaris van zijn broer - van hem zijn. De verdachte heeft verder verklaard dat hij deze spullen kreeg op dezelfde manier als dat hij de in zijn woning aangetroffen voorwerpen kreeg. Zijn idee was deze spullen door te verkopen.6

Het oordeel van de rechtbank

De verdediging heeft aangevoerd dat in het overgrote deel van de aangetroffen dozen en kratten geen verdovende middelen zaten. De verdachte heeft de betreffende dozen en kratten meegekregen met 40 andere dozen. Hij was er dan ook niet van op de hoogte dat in de aangetroffen kratten MDMA poeder zat, aldus de raadsman.

De rechtbank is van oordeel dat dit verweer feitelijke grondslag mist, nu de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat, hij vroeg of laat altijd de dozen opende en keek wat hij had ontvangen. De spullen die hij echt niet kon gebruiken gooide hij weg en wat interessant was, bleef staan. Dat het hier ging om een dubieuze poedersubstantie was bovendien ook direct met het blote oog zichtbaar, nu er poederresidu aan de buitenkant van de aangetroffen kratten zat en er eveneens poederrestanten op de grond lagen. Daaruit leidt de rechtbank af dat de verdachte wist dat er poeders in de dozen zaten. De rechtbank overweegt verder dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte zich bewust was van het feit van wie deze spullen afkomstig waren, namelijk van mensen in het criminele circuit. Het ontvangen van een dermate grote hoeveelheid van een dubieuze poedersubstantie had - mede in aanmerking genomen dat in de woning van de verdachte eveneens een grote hoeveelheid verdovende middelen is aangetroffen - dan ook de nodige alarmbellen moeten doen rinkelen.

De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat de verdachte met zijn gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de in de [naam opslagbedrijf] box aangetroffen poedersubstanties MDMA zouden bevatten. Gelet op voorgaande acht de rechtbank daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 2 mei 2019 schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 43,7 kilogram MDMA poeder.

3.4.2.2 Feit 2

Bewijsmiddelen

Bij de doorzoeking van de [naam opslagbedrijf] box met [boxnummer] , gevestigd aan de [adres] te Den Haag op 2 mei 2019 zijn - naast de onder feit 1 genoemde 43,7 kilo MDMA poeder - een veelheid aan dozen, kratten, emmers en (vuilnis)zakken met gekleurde poeders aangetroffen.7

Op 16 mei 2019 zijn door de FO onder meer de navolgende goederen onderzocht en bemonsterd:

- een geopende vacuumzak met een licht paarse poedersubstantie met een totaal netto gewicht van 1.400 gram;

- vuilniszakken gevuld met een wit/gelige poedersubstantie met een totaal netto gewicht van 36.550 gram;

- zakjes gevuld met een roze poedersubstantie met een totaal netto gewicht van 13.020 gram.8

Deze monsters zijn ingezonden naar het NFI met de vraag of deze stoffen bevatten

die gebruikt kunnen worden voor het maken van tabletten. In de monsters bleek

zetmeel, cellulose en stearaat te zitten. Het NFI heeft geconcludeerd dat deze stoffen

geschikt zijn als hulpstof in de productie van tabletten.9

Ook is in de [naam opslagbedrijf] box een krat met paarse poeder restanten aangetroffen waarin de volgende goederen zaten: drie maatscheppen, twee blenders en drie zeven, waarvan de volgende voorwerpen door de FO zijn bemonsterd:

- een metalen maatschep met roze poederrestanten;

- een blender met in het menggedeelte een groene poedersubstantie;

- een rechthoekige zeef met paarse poederrestanten.10

Deze poedersubstanties zijn vervolgens door het NFI onderzocht. Zowel de restanten op de

maatschep11, als ook de groene poedersubstantie in de blender12 en de paarse

poederrestanten op de zeef13 bleken MDMA te bevatten.

Ook werd in de opslagruimte een doos met daarin 12 witte flessen met de opdruk loodgieterontstopper aangetroffen. Uit onderzoek is gebleken dat deze flessen gelijkend zijn aan een tweetal lege flessen aangetroffen in de woning van de verdachte.14

Uit onderzoek van één van de telefoons die in de woning van de verdachte in beslag werden genomen, is gebleken dat hier foto’s op stonden van kartonnen dozen en een gesealde, transparante verpakking met daarin een roze stof. Op de kartonnen dozen waren aantallen genoteerd, gevolgd door ‘roze’ en ‘geel’. Gedurende de doorzoeking van de opslagruimte werden soortgelijke zakken met daarin roze en gele poeders aangetroffen.15

De FO heeft, gezien de in onderliggend onderzoek aangetroffen, bemonsterde en onderzochte goederen, geconcludeerd dat behalve het aanwezig hebben, kennelijk ook sprake is van het bewerken en/of verwerken van harddrugs.16

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij gebruik maakte van de [naam opslagbedrijf] box, verantwoordelijk is voor de in de opslagruimte aangetroffen goederen en dat deze goederen - met uitzondering van de bedrijfsinventaris van zijn broer - van hem zijn. De verdachte heeft ook verklaard dat hij deze spullen kreeg op dezelfde manier als dat hij de in zijn woning aangetroffen voorwerpen kreeg. Zijn idee was deze spullen door te verkopen.17

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat - met inachtneming van al hetgeen zij eerder heeft overwogen - en gelet op de feiten en omstandigheden waaronder de tenlastegelegde goederen zijn aangetroffen, de aanmerkelijke kans bestond dat de aangetroffen goederen bestemd waren voor de productie van MDMA en amfetamine. Daarbij is van belang dat soortgelijke goederen ook in de woning van de verdachte zijn aangetroffen. Zoals de verdachte zelf heeft verklaard, kreeg hij deze goederen van mensen uit het criminele circuit. Door die goederen desondanks aan te nemen en in de opslagruimte op te slaan, terwijl de verdachte zich terdege bewust was van de herkomst hiervan, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte deze kans bewust heeft aanvaard en daarmee opzet had op de voorbereidingshandelingen.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde feit.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

ten aanzien van parketnummer 09/842068-19 (dagvaarding I)

1.

hij op 11 april 2019 te Den Haag om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervaardigen van amfetamineolie en MDMA en cocaïne, zijnde amfetamine en MDMA en cocaïne, telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen

- Emmers

- Maatbeker

- Trechter

- PH meters

- Jerrycans

- Grote hoeveelheid tabletten/substanties

- IJzerwaren zoals een frame

- Hydraulische krik

- Mal en stempels van een tabletteermachine

- Chemicaliën

- Jerrycans gevuld met lichtgele chemische vloeistoffen

- Mixers

- Weegschaal

- Pers voor het vervaardigen van blokken verdovende middelen

- Versnijdingsmiddelen,

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten;

2.

hij op 11 april 2019 te Den Haag opzettelijk aanwezig heeft gehad 19 liter amfetamine olie en ongeveer 3,2 kilo (8254 tabletten) MDMA, zijnde amfetamine en MDMA, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

ten aanzien van parketnummer 09/817209-19 (dagvaarding II)

1.

hij op 2 mei 2019 te Den Haag in een [naam opslagbedrijf] met [boxnummer] gevestigd aan de [adres] opzettelijk aanwezig heeft gehad 43,7 kilogram MDMA poeder, zijnde MDMA, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 2 mei 2019 te Den Haag in een [naam opslagbedrijf] met [boxnummer] gevestigd aan de [adres] , om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden van een materiaal bevattende amfetamine en MDMA, zijnde amfetamine en MDMA, middelen als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden voorhanden heeft gehad:

- 3 maatscheppen met poederrestanten bevattende MDMA

- 2 blenders met poederrestanten bevattende MDMA

- 3 zeven met poederrestanten bevattende MDMA

- grote hoeveelheden kleurenpoeders

- 12 flessen gootsteenontstopper

waarvan verdachte wist dat die goederen bestemd waren tot het plegen van die feiten.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij de bepaling van de op te leggen straf rekening te houden met het feit dat de aangetroffen amfetamine olie niet aan de verdachte toebehoorde. Voorts heeft de raadsman opgemerkt dat in geval de rechtbank komt tot voorwaardelijk opzet, het juridische verwijt minder zwaar is en dit van invloed dient te zijn op de strafmaat.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet en het bezit van grote hoeveelheden verdovende middelen. De aangetroffen hoeveelheden betreffen zonder meer handelshoeveelheden, die bestemd zijn voor de markt. De handel in verdovende middelen gaat gepaard met overlast in de samenleving en het gebruik van verdovende middelen genereert ook zelf strafbare feiten. Het behoeft verder geen betoog dat het gebruik van verdovende middelen zeer schadelijk is voor de gezondheid van de gebruikers daarvan. De verdachte heeft zich kennelijk slechts laten leiden door eigen financieel gewin, zonder oog te hebben voor de maatschappelijke gevolgen van zijn handelen. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 23 januari 2020, waaruit volgt dat de verdachte eerder meermalen is veroordeeld ter zake van opiumdelicten, laatstelijk door het gerechtshof Den Haag op 30 juli 2018. In het kader van deze recente veroordeling liep de verdachte thans nog in een proeftijd, wat hem er klaarblijkelijk niet van heeft weerhouden opnieuw soortgelijke strafbare feiten te begaan. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee.

De straf

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten en met name de grote hoeveelheid aangetroffen verdovende middelen, slechts met het opleggen van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan worden volstaan. Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden passend en geboden is. De tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal op de gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank zal gelet op de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf het bevel tot voorlopige hechtenis niet opheffen.

7 De inbeslaggenomen voorwerpen

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage aan dit vonnis is gehecht) onder 1 en 2 genummerde voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard. De officier van justitie heeft zich niet uitgelaten over het onder 3 genummerde voorwerp op de beslaglijst.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich eveneens niet uitgelaten over de inbeslaggenomen voorwerpen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 tot en met 3 genummerde voorwerpen verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en met behulp van deze voorwerpen de bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid.

Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen (bijkomende) straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 33, 33 a, 57, 60 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2, 10, 10 a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I met parketnummer 09/842068-19 onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I met parketnummer 09/842068-19 onder 1 en 2 en de bij dagvaarding II met parketnummer 09/817209-19 onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I, feit 1:

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

ten aanzien van dagvaarding I, feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van dagvaarding II, feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van dagvaarding II, feit 2:

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 40 (veertig) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1 tot en met 3 genummerde voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P. Verbeek, voorzitter,

mr. B.F. Hammerle, rechter,

mr. M. Rigter, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.A. Lockhorst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 maart 2020.

Bijlage: beslaglijst

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal in het onderzoek Barrie, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 555).

2 Zie de bewezenverklaring bij feit 2.

3 Proces-verbaal van bevindingen doorzoeking [naam opslagbedrijf] box, p. 174-175.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 233-237.

5 Een geschrift, te weten een rapport van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu d.d. 21 juni 2019, zaaknummer 2019.05.22.135, p. 438-442.

6 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 2 maart 2020.

7 Proces-verbaal van bevindingen doorzoeking [naam opslagbedrijf] box, p. 174-175.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 233-237.

9 Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 24 oktober 2019, zaaknummer 2019.05.22.135 (aanvraag 003), los opgenomen.

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 472-475.

11 Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 16 mei 2019, zaaknummer 2019.04.11.175 (aanvraag 009), p. 435.

12 Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 16 mei 2019, zaaknummer 2019.04.11.175 (aanvraag 010), p. 436.

13 Een geschrift, te weten een rapport van het Nederland Forensisch Instituut d.d. 16 mei 2019, zaaknummer 2019.04.11.175 (aanvraag 011), p. 437.

14 Proces-verbaal van bevindingen, p. 233-237.

15 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek mobiele telefoons, p. 371-372.

16 Proces-verbaal van bevindingen, p. 474.

17 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 2 maart 2020.