Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2511

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-03-2020
Datum publicatie
20-03-2020
Zaaknummer
NL20.1662
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dublin. Italië. De informatie in de door eiser aangehaalde rapporten, waaronder het rapport van Schweizerische Flüchtlingshilfe (SFH/OSAR) van 21 januari 2020, schetst geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië dan de situatie die eerder door de Afdeling is beoordeeld. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.1662

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E.A. Welling),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL20.1663, plaatsgevonden op 21 februari 2020. Eiser is verschenen en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door gemachtigde mr. R. Jonkman. Op de zitting is het onderzoek geschorst. Het vervolgonderzoek heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 maart 2020. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door gemachtigde mr. R.R. de Groot. Het onderzoek is na afloop van de zitting gesloten.


Overwegingen

Waarover gaat deze uitspraak?

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beslissing van verweerder om eisers asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In deze zaak betoogt eiser dat verweerder niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Daarbij beroept eiser zich onder meer op het rapport Reception conditions in Italy, uitgebracht door de Schweizerische Flüchtlingshilfe (SFH/OSAR) op 21 januari 2020.1 Omdat in meer zaken een beroep is gedaan op dit rapport wordt in deze zaak beoordeeld of dit rapport, met name de hoofdstukken 4 en 8, in algemene zin tot de conclusie leidt dat verweerder met betrekking tot Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan

(overwegingen 5.4 tot en met 5.4.5). Bij dat algemene oordeel betrekt de rechtbank niet de situatie van kwetsbare asielzoekers omdat eiser, zoals onder 4 is overwogen, geen kwetsbare asielzoeker is.

Wat houdt het besluit van verweerder in?

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft het verzoek om terugname aanvaard.

Wat betoogt eiser?
3. Eiser betoogt dat ten aanzien van Italië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan omdat in Italië verdragsverplichtingen niet worden nagekomen. In de eerste plaats stelt eiser dat sprake is van tekortkomingen in de asiel- en de opvangprocedure die hem bij terugkeer hard zullen raken vanwege zijn kwetsbaarheid. In dat kader wijst eiser erop dat hij medische problemen heeft. Dit onderbouwt eiser aan de hand van een uittreksel van zijn patiëntendossier. Daarnaast wijst eiser naar eerdere rechtspraak, waaruit volgt dat asielzoekers die leiden aan een ernstige ziekte als kwetsbaar moeten worden aangemerkt.2 Eiser betoogt verder dat verweerder het Bureau Medische Advisering (BMA) had moeten inschakelen om zijn medische toestand te onderzoeken. In de tweede plaats stelt eiser dat in Italië sprake is van tekortkomingen in de asiel- en de opvangprocedure die alle Dublinclaimanten bij terugkeer raken en dat het moeilijk is om hierover in Italië te klagen. Hiervoor wijst eiser op zijn ervaringen in Italië. Volgens eiser is hij uit de opvang gezet, leefde hij op straat en ontbrak het aan voorzieningen. Verder wijst eiser op de volgende documenten:

a. a) het AIDA-rapport van 16 april 2019;

b) het SFH/OSAR-rapport van 8 mei 2019;

c) het nieuwsbericht van SFH/OSAR van 23 september 2019;
d) het SFH/OSAR-rapport van 21 januari 2020.

Moet eiser als een kwetsbare asielzoeker worden aangemerkt ?

4. Het is aan eiser om de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aan te tonen door middel van objectieve gegevens. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Uit het patiëntendossier kan alleen worden afgeleid dat eiser slaapproblemen heeft en klachten ervaart van een maagaandoening, waarvoor hij medicatie heeft gekregen. Verder kan uit het patiëntendossier worden afgeleid dat eiser een droge huid onder de haargrens heeft en kampt met een branderig gevoel op de borst. Eiser heeft hierover ter zitting slechts toegelicht dat dit betekent dat er sprake is van zwaardere problematiek en dat hij in afwachting is van een verwijsbrief die zijn medische situatie nader onderbouwt. De verwijsbrief is door eiser niet in het geding gebracht en maakt geen onderdeel uit van het digitale dossier. Naar het oordeel van de rechtbank geven de klachten zoals vermeld in het patiëntendossier onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat eiser een kwetsbare asielzoeker is. Hieruit kan immers niet worden afgeleid dat eiser daadwerkelijk een behandeling ondergaat of welke behandeling dit dan zou zijn. Bij deze stand van zaken heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien het BMA in te schakelen


om nader onderzoek te doen naar de gezondheidstoestand van eiser.3 Verder kan eiser geen geslaagd beroep doen op de door hem genoemde rechtspraak omdat de kwetsbaarheden in die gevallen niet vergelijkbaar zijn. De beroepsgrond slaagt niet.

Mag verweerder van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan?

5. Bij de beantwoording van deze vraag zal de rechtbank eerst ingaan op de rechtspraak over het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië, vervolgens op de persoonlijke ervaringen van eiser, de onder a tot en met c genoemde documenten en ten slotte op het rapport van SFH/OSAR van 21 januari 2020.

Wat is in rechtspraak geoordeeld over het interstatelijk vertrouwensbeginsel ?

5.1.

In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Italië uitgaan van het

interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit niet het geval is. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft tot nu toe geoordeeld dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers in die zaken daarin niet zijn geslaagd. Zo oordeelde de Afdeling dat, hoewel de algemene situatie en leefomstandigheden van asielzoekers in Italië tekortkomingen kennen, het Salvini-decreet niet tot gevolg heeft dat (kwetsbare) Dublinclaimanten geen opvang meer krijgen.4 Het decreet leidt er evenmin toe dat Dublinclaimanten zonder bijzondere omstandigheden geen opvang meer krijgen. Dit oordeel heeft de Afdeling enige malen herhaald.5

Leiden eisers persoonlijke ervaringen tot een ander oordeel?
5.2. De door eiser gestelde persoonlijke ervaringen geven geen grond om anders te oordelen. Dit omdat eiser zijn stelling dat hij uit de opvang is gezet, op straat leefde en het aan voorzieningen ontbrak niet onderbouwt. Eiser geeft in het gehoor aanmeldfase bijvoorbeeld aan dat hij niet weet waarom hij uit de opvang is gezet en dat hij er ook nergens over heeft geklaagd. Verder mag verweerder eiser op dit punt tegenwerpen dat eiser zich bij voorkomende problemen in Italië kan wenden tot de daartoe aangewezen Italiaanse (hogere) autoriteiten. Niet gebleken is dat klagen bij deze autoriteiten geen zin heeft. Het betoog van eiser slaagt daarom niet.


Leiden de documenten a, b en c tot een ander oordeel?

5.3.

Ook de door eiser ingediende documenten genoemd onder 3 als a, b en c geven geen grond om anders te oordelen. Documenten a en b zien op de periode van vóór de onder 5.1 genoemde rechtspraak en geven geen ander beeld van de situatie in Italië dan de situatie die reeds is beoordeeld door de Afdeling. Document c, het artikel van SFH/OSAR van 23 september 2019, is weliswaar van recentere datum, maar uit rechtspraak van deze rechtbank en zittingsplaats6 volgt dat dit artikel eenzelfde strekking heeft als de stukken die in bovengenoemde uitspraken zijn meegenomen. Het betoog van eiser slaagt daarom niet.

Leidt het rapport van SFH/OSAR van 21 januari 2020 tot een ander oordeel?

5.4.

Eiser betoogt dat uit het rapport van SFH/OSAR van 21 januari 2020 volgt dat er nog steeds tekortkomingen zijn in de asielprocedure en het opvangsysteem in Italië. In de eerste plaats stelt eiser dat reeds uit de onderzoeksmethode die ten grondslag ligt aan het rapport blijkt dat sprake is van een wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië. In het rapport zijn volgens eiser nieuwe bevindingen opgenomen die, anders dan in voorgaande

rapporten, mede zijn gebaseerd op interviews die tijdens de onderzoeksmissie zijn gehouden. In de tweede plaats stelt eiser dat uit de informatie in het rapport volgt dat sprake is van een wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië. Volgens eiser blijkt uit het rapport dat een specifieke procedure ontbreekt om Dublinclaimanten (opnieuw) in het systeem op te nemen. Aan groepen asielzoekers met bepaalde nationaliteiten wordt de toegang tot de asielprocedure ontzegd. Verder is volgens eiser sprake van problemen met de toegang tot opvang omdat het bevoegd provinciaal gezag kan besluiten om het recht op opvangvoorzieningen in te trekken in het geval dat een asielzoeker zonder voorafgaande kennisgeving het opvangcentrum heeft verlaten. Hierdoor bestaat het gevaar dat Dublinclaimanten het recht op opvang verliezen. Ook blijkt volgens eiser uit het rapport dat de kwaliteit en de dienstverlening van eerstelijns-opvangcentra aanzienlijk zijn verslechterd. Verder stelt eiser dat sprake is van problemen met de toegang tot gezondheidszorg. Volgens eiser worden asielzoekers niet goed geïnformeerd over de administratieve procedure en de voorwaarden die gelden om zich te registreren bij de nationale gezondheidsdienst (SSN) en een gezondheidskaart te krijgen. Eerstelijns-opvangcentra zijn onvoldoende uitgerust voor mensen met psychische problemen. Verder is het personeel onvoldoende opgeleid om kwetsbaarheden te identificeren, waardoor kwetsbare asielzoekers niet worden verwezen naar ngo’s (non-governmental organisations) die gespecialiseerd zijn in de behandeling van psychische problemen. Daar komt bij dat de ngo's lijden aan een gebrek aan middelen. Al deze problemen leiden er volgens eiser toe dat de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid als bedoeld in het Jawo-arrest7 wordt overschreden.

De onderzoeksmethode die ten grondslag ligt aan het rapport

5.4.1.

Uit het rapport komt naar voren dat een delegatie bestaande uit vier werknemers van de juridische afdeling van SFH/OSAR begin september 2019 een onderzoeksmissie heeft uitgevoerd naar de situatie in Italië. De delegatie heeft verschillende ngo's en autoriteiten geïnterviewd. Naast de kennis die uit deze interviews is opgedaan, bevat het rapport ook kennis en ervaringen van het Dublin Returnee Monitoring Project van SFH/OSAR en informatie uit recente rapporten en artikelen over de situatie in Italië. Eisers stelling dat reeds door het toepassen van deze onderzoeksmethode sprake is van nieuwe relevante informatie, wordt niet gevolgd. Het is juist de vraag of uit het onderzoek feiten naar voren zijn gekomen waaruit blijkt dat er sprake is van tekortkomingen in de asielprocedure en het opvangsysteem die eerder nog niet gebleken zijn. De gebruikte onderzoeksmethode is op zichzelf niet een zodanig feit. Eisers stelling kan daarom niet leiden tot het oordeel dat alleen al om die reden sprake is van een wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië dan reeds door de Afdeling in haar rechtspraak is beoordeeld. Deze grond slaagt niet.

De toegang tot de asielprocedure

5.4.2.

Uit het rapport komt naar voren dat enkele belemmeringen bestaan voor de toegang tot de Italiaanse asielprocedure. Zo wordt aan de hand van vragen in een interview of met een formulier (foglio notizie) beoordeeld of iemand van plan is om in de asielprocedure te stappen. Dit wordt vaak gedaan zonder verdere uitleg of vertaling, waardoor asielzoekers de relevantie en gevolgen van hun eigen antwoorden niet begrijpen. Dit kan ertoe leiden dat zij als illegale migranten worden aangemerkt en een verwijderingsbevel (provvedimento di respingimento) opgelegd krijgen. Verder ondervinden personen met nationaliteiten van landen die informeel als veilig worden beschouwd moeilijkheden bij de toegang tot de asielprocedure in Italië, ook als zij expliciet aangeven voornemens te zijn om bescherming te vragen. Hoewel uit al deze constateringen blijkt dat de toegang tot de asielprocedure niet soepel verloopt, leidt het rapport van 21 januari 2020 op dit punt niet tot nieuwe relevante inzichten. Deze

informatie is immers gebaseerd op het AIDA-rapport van 16 april 20198 dat reeds door de Afdeling is beoordeeld. Verder leidt eisers stelling dat geen sprake is van een gestandaardiseerd systeem voor Dublinclaimanten ook niet tot nieuwe relevante inzichten. Immers, ook deze informatie was reeds bekend. Uit de enkele omstandigheid dat Dublinclaimanten op dezelfde manier worden behandeld als nieuw aangekomen asielzoekers, blijkt bovendien nog niet dat de toegang tot de asielprocedure in relevante mate wordt belemmerd.

De toegang tot opvang

5.4.3.

Op grond van de Italiaanse wetgeving kan het bevoegd provinciaal gezag onder bepaalde voorwaarden beslissen om het recht op opvang in te trekken, de zogeheten revoca. Daartoe kan bijvoorbeeld worden beslist als de asielzoeker zonder voorafgaande kennisgeving het opvangcentrum heeft verlaten.

Dit onderwerp is reeds besproken in het AIDA-rapport9 van 16 april 2019. Hoewel in dit rapport staat dat Dublinclaimanten die voor hun vertrek uit Italië in een opvangcentrum hebben gezeten en naar Italië terugkeren mogelijk hun recht op opvang hebben verloren, volgt uit rechtspraak van de Afdeling10 dat daaruit nog niet blijkt dat daadwerkelijk opvang van Dublinclaimanten na eerder vertrek met enige regelmaat wordt geweigerd. Ook in het rapport van 21 januari 2020 wordt dit onderwerp besproken. In het rapport wordt gewezen op een studie die is uitgevoerd in de periode 2016 - 2017, waaruit nieuwe bevindingen naar voren zijn gekomen die op 30 mei 2018 zijn gepubliceerd in een Italiaans artikel11. Uit de bevindingen komt naar voren dat in 2016-2017 minstens 39.963 asielzoekers hun recht op opvang hebben verloren. Hoewel uit deze gegevens blijkt dat het recht van asielzoekers op opvang in die periode veel werd ingetrokken, betekent dit nog niet dat hierdoor de opvang van Dublinclaimanten in relevante mate wordt beïnvloed. Onduidelijk is wat de reden voor de intrekking van het recht op opvang is geweest. Ook is onduidelijk of en, zo ja, in hoeverre deze gegevens betrekking hebben op Dublinclaimanten. Daar komt nog bij dat de door SFH/OSAR gebruikte bron vanwege de onderzoeksperiode inmiddels is verouderd. Het rapport van 21 januari 2020 leidt op dit punt daarom niet tot nieuwe relevante inzichten. Deze grond slaagt niet.

Omstandigheden in de opvangcentra

5.4.4.

Op 21 november 2018 is, als gevolg van de zogenoemde Capitolato die is gepubliceerd met het Salvini-decreet, de regelgeving voor de aanbesteding van opvangcentra gewijzigd. Deze maatregel heeft als doel om de asielopvang te privatiseren en kosten te besparen. Tussen partijen is niet in geschil dat bovengenoemde maatregel ertoe heeft geleid dat de omstandigheden in de opvangcentra zijn verslechterd. Uit het rapport komt naar voren dat de kwaliteit van opvangvoorzieningen waar Dublinclaimanten zich tot kunnen wenden sterk varieert en het niveau van aangeboden voorzieningen van een absoluut minimum is. Veel opvangcentra worden beheerd door private organisaties die geen ervaring hebben op het gebied van migratie. Grote collectieve centra worden gestimuleerd omdat kleinere centra (relatief) duurder zijn. De bijdrage van de Italiaanse staat is verlaagd van € 35,- tot ongeveer € 20,- per dag per asielzoeker die opvang krijgt. Als gevolg hiervan is sprake van een aanzienlijke vermindering van het aantal personeelsleden in het opvangsysteem, zo ook professioneel personeel. Psychologische ondersteuning is geschrapt. Door deze ontwikkelingen zijn kwetsbare asielzoekers afhankelijk van de bijdrage van vrijwilligers. Voor wat betreft eisers stelling dat deze verslechteringen nu maken dat de situatie onacceptabel is,

overweegt de rechtbank dat steeds integraal wordt beoordeeld of de situatie door de ondergrens van artikel 4 van het EU Handvest zakt. Hoewel eiser terecht naar voren brengt dat de ontwikkelingen rond de opvang in Italië geen rooskleurig beeld schetsten, geven de verslechteringen waarop eiser heeft gewezen nog geen blijk van een situatie waarin de opvangvoorzieningen in zijn algemeenheid onder het minimaal aanvaardbare niveau komen. Daarom leidt het rapport van 21 januari 2020 ook op dit punt niet tot nieuwe relevante inzichten. Deze grond slaagt niet.


Toegang tot medische voorzieningen

5.4.5.

Uit het rapport kan worden opgemaakt dat de toegang tot medische voorzieningen wordt bemoeilijkt door afwezigheid van informatie, administratieve en financiële hindernissen, taalbarrières en een gebrek aan gekwalificeerd personeel. Deze ontwikkelingen zijn reeds besproken in het AIDA-rapport van 16 april 201912. Toen was al bekend dat er administratieve obstakels bestonden voor het verkrijgen van gezondheidskaarten. Dat er administratieve problemen zijn bij het uitgeven van gezondheidskaarten aan asielzoekers is daarom naar het oordeel van de rechtbank geen nieuwe informatie. Wel is nieuwe informatie dat het SFH/OSAR-rapport meldt dat sommige lokale gezondheidsbeheerders weigeren om asielzoekers in te laten schrijven, omdat ze geen bewijs van verblijf (residenza) hebben. Volgens het rapport13 treft dit met name asielzoekers die vanwege een revoca dakloos zijn en statushouders die niet in staat zijn geweest een vast adres te bemachtigen. Ook wordt in het rapport gewezen op dubbelzinnigheid over de registratie van asielzoekers als gevolg van het Salvini-decreet in sommige regio’s als gevolg waarvan sommige lokale gezondheidsorganisaties niet bereid zijn om asielzoekers te registreren bij SSN. De rechtbank constateert echter dat uit het rapport niet duidelijk wordt dat dit op grote schaal gebeurt en of daartegen niet kan worden geklaagd14. Nu onduidelijk is of dit alleen asielzoekers treft die een revoca hebben gekregen en statushouders of dat dit ook (in enige mate) ziet op Dublin claimanten slaagt het betoog niet dat hierin een wezenlijk andere situatie bestaat voor Dublin claimanten dan eerder door de Afdeling is beoordeeld. In de conclusies van het betreffende hoofdstuk in het rapport15 wordt overigens geen melding meer gemaakt van de weigering om asielzoekers te registreren, maar wordt volstaan met de conclusie dat de toegang tot de gezondheidszorg moeilijk is. In het rapport wordt als financiële hindernis gewezen op de verplichting om een eigen bijdrage te betalen aan zorg als gevolg van Legal Decree 286/98. Dit kan een obstakel zijn voor asielzoekers. Het rapport16 vermeldt echter ook dat de wet voorziet in een economische hardheidsclausule voor illegale vreemdelingen. Het rapport geeft geen informatie over hoe de feitelijke uitvoering van deze wetgeving uit 1998 zich heeft ontwikkeld. De rechtbank ziet in de financiële hindernissen die het rapport meldt daarom geen aanleiding om te concluderen dat er in dit opzicht sprake is van een wezenlijk veranderde situatie ten opzichte van de situatie die al door de Afdeling is beoordeeld. Verder wijst eiser er nog op dat uit het rapport volgt dat er een gebrek is aan opvangfaciliteiten en behandelmogelijkheden voor mensen met gezondheidsproblemen, maar zoals reeds onder 4 is overwogen heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege medische problemen speciale behoeften heeft. Hoewel uit al deze constateringen blijkt dat de toegang tot medische voorzieningen niet soepel verloopt, leidt het rapport van 21 januari 2020 op dit punt niet tot nieuwe relevante inzichten. Deze grond slaagt niet.


Wat betekent dit voor het interstatelijk vertrouwensbeginsel?

5.5.

Het voorgaande betekent dat de informatie in de door eiser aangehaalde rapporten geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Italië dan de situatie die eerder door de Afdeling is beoordeeld. De rapporten bevestigen dat sprake is van tekortkomingen, maar bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Italië op grond waarvan niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eisers stelling dat de bijzonder hoge drempel uit het Jawo-arrest wordt overschreden, wordt ook niet gevolgd.

Conclusie

6. De beslissing van verweerder om eisers asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag kan de rechterlijke toetsing doorstaan. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzitter, mr. S.A. van Hoof, en mr. D. Bruinse-Pot, rechters, in aanwezigheid van mr. T. Gelo, griffier.


Deze uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op de hieronder vermelde datum. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Dit rapport is gepubliceerd op de website van SFH/OSAR, https://www.fluechtlingshilfe.ch/assets/herkunftslaender/dublin/italien/200121-italy-reception-conditions-en.pdf.

2 De niet gepubliceerde uitspraken van deze rechtbank en voorzieningenrechter, zittingsplaatsen Haarlem, Groningen, Zwolle en Den Haag, van respectievelijk 31 december 2019 (NL19.28370), 7 februari 2020 (NL19.25646 en NL19.25648), 14 februari 2020 (NL19.24467) en 19 februari 2020 (NL20.2325).

3 Vergelijk ABRvS 23 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:223.

4 ABRvS 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2019:4131.

5 ABRvS 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1861), 22 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2845) en 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2957).

6 Zie de uitspraak van 11 oktober 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:11222.

7 Het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.

8 Zie p. 28-30 en 79.

9 Zie p. 57.

10 Zie de uitspraak van 12 juni 2019, ECLI:NL:RVS:1861.

11 Altreconomia, 40mila richiedenti asilo tagliati fuori dal sistema di accoglienza in due anni, 30 May 2018, https://altreconomia.it/revoche-accoglienza-aggiornamento/.

12 Zie p. 104 t/m 106.

13 Zie p. 74.

14 Het rapport vermeldt op p. 70 dat de Italiaanse grondwet bepaalt dat iedereen recht heeft op gezondheidszorg en dat dit geldt voor zowel legale als illegale vreemdelingen.

15 Zie p. 86.

16 Zie p. 75, hoofdstuk 8.3 en p. 71 paragraaf 8.1.2 van het rapport.