Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2487

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
20-03-2020
Zaaknummer
NL20.5767 en NL20.5768
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Buiten zitting - Dublin - Spanje - interstatelijk vertrouwensbeginsel - artikel 17 Dublinverordening - ongegrond - voorlopige voorziening afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: NL20.5767 en NL20.5768

uitspraak van de enkelvoudige kamer en van de voorzieningenrechter van

19 maart 2020 op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiser en verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , eiser en verzoeker,

hierna verder te noemen eiser

(gemachtigde: mr. M. Erik),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat de overdracht achterwege blijft, tot op het beroep is beslist.

Overwegingen

1. De rechtbank/de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) doet, gelet op de aangevoerde gronden en in het licht van de bestendige en actuele jurisprudentie op grond van artikel 8:54, eerste lid, en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

2. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1980.

3. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000; daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Deze verordening is de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening). In dit geval heeft Nederland op 26 november 2019 bij Spanje een verzoek gedaan om eiser over te nemen. Spanje heeft dit verzoek via hun claimakkoord van 11 december 2019 aanvaard.

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de aanvraag van eiser ten onrechte niet in behandeling wordt genomen op grond van artikel 30, eerste lid van de Vw 2000. De overdracht naar Spanje is in zijn geval niet toelaatbaar. Eiser wijst hiervoor op het beleid volgend uit de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 geldend van 12 februari 2013 t/m

31 maart 2013. Uit dat beleid volgt, in tegenstelling tot wat verweerder stelt, dat Algerije geen veilig land van herkomst is.

Eiser loopt gevaar in zijn land van herkomst nu zijn homoseksuele geaardheid en oppositionele activiteiten daar bekend zijn geworden. Voorts voert eiser aan dat hij in Spanje geen daadwerkelijke kans zal krijgen om zijn asielaanvraag naar voren te brengen. Eiser is eerder in Spanje aangehouden en vastgehouden, waarbij hij na een dag is vrijgelaten zonder dat hem de mogelijkheid is gegeven om asiel aan te vragen. Eiser vreest hierom om een schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft bovendien hierover niet kenbaar gemotiveerd waardoor sprake is van een motiveringsgebrek.

Ten slotte wijst eiser erop dat hij niet veilig is in Spanje omdat daar een grote Algerijnse gemeenschap aanwezig is en bekend is geworden dat eiser homoseksuele contacten heeft.

Gelet op het voorgaande is verweerder ten onrechte uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en heeft verweerder ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in het algemeen van uitgaan dat Spanje zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat Spanje dit niet doet. Eiser is daarin niet geslaagd.

5.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Spanje sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure die ernstige op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eiser een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen. Eiser heeft niet concreet gemaakt en door middel van algemene rapporten of artikelen onderbouwd dat de situatie voor (homoseksuele) asielzoekers in Spanje dusdanig is dat sprake zou zijn van tekortkomingen in de asielprocedure. De Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn gelden ook ten aanzien van de asielprocedure in Spanje waardoor eiser zich in zijn asielaanvraag kan beroepen op de garanties en bepalingen uit deze richtlijnen.

Voorts is met het claimakkoord gegarandeerd dat de Spaanse autoriteiten het verzoek om internationale bescherming van eiser in behandeling nemen. Daarom is niet op voorhand al sprake van (in)direct refoulement. De achterhaalde verwijzing naar de Vc 2000, leidt evenmin tot een ander oordeel, nu het enkel gaat om de vraag, welke lidstaat verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser.

Los van het voorgaande mag van eiser worden verwacht dat voor zover hij meent dat er gebreken bestaan in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Spanje, hij zich wendt tot de (hogere) Spaanse autoriteiten dan wel de geëigende instanties in Spanje. Niet is gebleken dat de autoriteiten van Spanje eiser niet kunnen of willen helpen of dat het indienen van een klacht of het instellen van (hoger) beroep bij voorbaat zinloos zal zijn. De beroepsgrond slaagt niet.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank in wat eiser heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft mogen uitgaan en dat verweerder de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser aan zich diende te trekken. Evenmin ziet de rechtbank aanknopingspunten voor de conclusie dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.

6. Eiser betoogt verder dat verweerder ook overigens het asielverzoek op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich moet trekken. Deze beroepsgrond slaagt niet, omdat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat zijn overdracht naar Spanje van een onevenredige hardheid getuigt. Ten aanzien van het betoog van eiser dat hij vanwege zijn geaardheid in Spanje gevaar loopt door de Algerijnse gemeenschap aldaar, is de rechtbank van oordeel dat door eiser niet aannemelijk is gemaakt dat de Spaanse autoriteiten eiser bij eventuele problemen niet zouden kunnen of willen helpen en/of beschermen.

Terughoudend toetsend is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de aangevoerde omstandigheden daarom geen aanleiding heeft hoeven zien om het asielverzoek van eiser onverplicht in behandeling te nemen.

7. Eiser heeft voor het overige verzocht om wat hij eerder heeft aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen in de gronden van beroep. Omdat verweerder hier in het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank deugdelijk gemotiveerd op in is gegaan en eiser deze gronden, anders dan besproken in bovenstaande rechtsoverwegingen, in beroep niet nader heeft onderbouwd, kan de enkele verwijzing niet leiden tot het daarmee door eiser beoogde resultaat. De beroepsgrond slaagt niet.

8. Het beroep is kennelijk ongegrond. Omdat de rechtbank op het beroep beslist, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is op 19 maart 2020 gedaan door mr. M. van Nooijen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. B.P.C. Vonck, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekend gemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan – voor zover hierbij is beslist op het beroep – verzet worden gedaan bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.