Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2474

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
20-03-2020
Zaaknummer
NL20.5352
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

voorlopige voorziening buiten zitting, vierde asielaanvraag, in rechte vaststaat verzoeker niet tot risicogroep behoort of risico loopt op 3 EVRM, voorlopig oordeel geen nieuwe elementen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.5352


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. C.M. Suurmeijer-Wawoe),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Wieman).


Procesverloop
Bij besluit van 27 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Verzoeker heeft daarop een reactie ingezonden.

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 8:83, derde lid, van de Awb buiten zitting uitspraak in onderhavig verzoek om een voorlopige voorziening.

2. De voorzieningenrechter is verzocht om hangende beroep in de procedure met kenmerk NL20.5351 te bepalen dat de voorlopige voorziening toe te wijzen, zodat verzoeker rechtmatig verblijf krijgt en uit vreemdelingenbewaring kan komen. Het nadeel dat verzoeker ondervindt in detentie door het uitstellen van de zitting in de beroepsprocedure is onevenredig groot en buiten proportioneel ten opzichte van het belang van de overheid om hem vast te houden nu er geen zicht is op een zitting, uitspraak in de beroepsprocedure en uitzetting. Verzoeker stelt dat de kans dat het beroep zal slagen redelijk groot is, aangezien verzoeker behoort tot een risicogroep omdat hij actief is geweest met mensenrechten in Soedan. Hiervoor wordt verwezen naar het besluit van verweerder van 12 januari 2020, nummer WBV 2020/1.

3. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker sinds 2002 in Nederland is, er sprake is van een vierde asielaanvraag en dat door deze rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, in de uitspraak van 7 november 2017 is geoordeeld dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling is geraakt van de Soedanese autoriteiten of dat hij behoort tot een risicogroep. Deze uitspraak is op 22 januari 2018 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigd, waardoor het besluit van 20 juni 2017 in rechte vast staat.

Om in de onderhavige procedure aannemelijk te maken dat hij wel in de negatieve aandacht staat van de Soedanese autoriteiten en behoort tot een risicogroep heeft verzoeker bij zijn asielaanvraag een brief van de penningmeester van de Nationale Al Umma partij, gedateerd op 16 oktober 2018, overgelegd. Nu verzoeker in de voorgaande procedure stelde dat hij door lidmaatschap van deze partij en politieke activiteiten in Nederland gevaar zal lopen in Soedan, heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat de overgelegde brief eerder had kunnen en moeten worden overgelegd. Hierdoor heeft verweerder kunnen stellen dat aan de asielaanvraag geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd of aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag van verzoeker. Aangezien in de vorige procedure door verweerder niet ten onrechte is gesteld dat verzoeker niet behoort tot een risicogroep omdat hij actief is geweest met betrekking tot de mensenrechten in Soedan en er geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen in onderhavige procedure, is de voorzieningenrechter van voorlopig oordeel dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. Daarnaast zijn er geen bijzondere feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden afgeweken van nationale procedureregels omdat sprake zou zijn van een geslaagd beroep op vluchtelingschap of een reƫel risico op schending van artikel 3 van het EVRM.

4. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

5. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

6. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is op 19 maart 2020 gedaan door mr. G.P. Kleijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Maas, griffier.

Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl.

De beslissing is gedaan op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.