Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2473

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-03-2020
Datum publicatie
24-03-2020
Zaaknummer
09/842069-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van cocaïne, het aanwezig en in voorraad hebben van een grote hoeveelheid geneesmiddelen, witwassen en vuurwapenbezit. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 11 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/842069-19

Datum uitspraak: 16 maart 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte ]

geboren op [geboortedag] 1972 te [geboorteplaats] ,

BPR-adres: [adres ] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 8 juli 2019, 9 september 2019, 5 december 2019 (steeds pro forma) en 2 maart 2020 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.L. Groeneveld en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw mr. F. Tosun naar voren hebben gebracht.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 2 maart 2020 medegedeeld dat zij voornemens is een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na nadere omschrijving van de tenlastelegging ter terechtzitting van 9 september 2019 en na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 5 december 2019 - tenlastegelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2019 tot en met 11 april 2019 te Den Haag tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld

in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van amfetamineolie en/of MDMA en/of cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA en/of cocaïne, zijnde amfetamine en/of MDMA en/of cocaïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen

- Emmers

- Maatbekers

- Trechters

- PH meters

- Jerrycans

- Grote hoeveelheid tabletten/substanties

- IJzerwaren zoals een frame

- Hydraulische krik

- Mal en stempels van een tabletteermachine

- Chemicaliën

- Jerrycans gevuld met lichtgele chemische vloeistoffen

- Mixers

- Weegschalen

- Pers voor het vervaardigen van blokken verdovende middelen

- Versnijdingsmiddelen,

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

2.

hij op of omstreeks 11 april 2019 te Den Haag tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 54,11 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 19 liter amfetamine olie, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, en/of ongeveer 3,2 kilo (ongeveer 8254 tabletten) MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA zijnde cocaïne en/of amfetamine en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij in de periode van op of omstreeks 25 februari 2019 tot en met 11 april 2019, te Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, van één of meerdere voorwerpen te weten

- Een of meer horloge(s) (merk: Rolex) en/of

- Een zonnebril (merk: Louis Vuitton) en/of

- geldbedragen ad in totaal Eur 38172 en/of

- een Audi A-6 voorzien van kenteken [kenteken] en/of

- een grote hoeveelheid medicamenten en/of

- een Aquaris cryptotelefoon en/of

- GPS trackers

- de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of

- heeft verborgen en/of heeft verhuld, wie de rechthebbende op dit voorwerp cq. deze voorwerpen is/zijn en/of

- dit voorwerp c.q. deze voorwerpen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp c.q. die voorwerpen, geheel of gedeeltelijk,

onmiddellijk of middellijk, afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;

4.

hij op of omstreeks 11 april 2019 te Den Haag tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Ruger, type LC9s, kaliber 9 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of bijbehorende munitie te weten een patroon van categorie III voorhanden heeft gehad;

5.

hij op of omstreeks 11 april 2019 te Den Haag opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer

- 399, althans een of meer stuks Temazepam 20 mg, elk bevattende het middel Temazepam en/of

- 84, althans een of meer stuks Diazepam 10 mg, elk bevattende het middel Diazepam en/of

- 100, althans een of meer stuks Lormetazepam 2 mg, elk bevattende het middel Lormetazepam

zijnde Temazepam en/of Diazepam en/of Lormetazepam een middel/middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

6.

hij in of omstreeks de periode van 4 juni 2018 tot en met 11 april 2019 te Den Haag al dan niet

opzettelijk een geneesmiddel, als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub b van de Geneesmiddelenwet

waarvoor geen handelsvergunning gold, te weten

- 100 ampullen Sustanon 250 (bevattende testosteron) en/of

- 260 tabletten T3 (bevattende liothyronine sodium 25 ug) en/of

- 72 ampullen B12 WZF (bevattende cyanocobalamine 500 ug) en/of

- 650 tabletten Methandrostenolone (bevattende methandrostenolon 10 mg) en/of

- 84 tabletten Bensedin (bevattende diazepam 10 mg) en/of

- 231 tabletten Clomihene Citrate (bevattende clomifeencitraat 50 mg) en/of

- 800 tabletten Turinabol (bevattende 4-chloordehydromethyltestosteron 25 mg) en/of

- 50 ampullen Unitest-Long 300 (bevattende testosteronenantaat 300 mg/ml) en/of

- 300 tabletten Mestererolone (bevattende mestererolon 25 mg) en/of

- 300 tabletten Stanozolol 50 (bevattende stanozolol 50 mg) en/of

- 25 ampullen Alphabolin (bevattende methenolonenantaat 100 mg/ml) en/of

- 250 tabletten Astralean (bevattende clenbuterol HCI 40 ug) en/of

- 150 Capsules Slimcapsules (bevattende sibutramine HCI 15 mg) en/of

- 40 tabletten Proviron (bevattende mesterolon 25 mg) en/of

- 35 tabletten Alphabol (bevattende methandiénon 10 mg) en/of

- 18 ampullen NandroRapid (bevattende nandrolonfenylpropionaat 100 mg/ml) en/of

- 10 ampullen lnduject-250 (bevattende testosteron) en/of

- 100 tabletten Stanozolol (bevattende stanozolol 10 mg) en/of

- 180 tabletten Proviron (bevattende mesterolon 25 mg) en/of

- 122 tabletten Oral turinabol (bevattende turinabol) en/of

- 76 tabletten Provi (bevattende mesterolon 25 mg) en/of

- 78 tabletten Provibol (bevattende mesterolon 25 mg) en/of

- 29 injectiepennen Genotropin (bevattende somatropine 12 mg) en/of

- 4 injectiepennen Humatrope (bevattende somatropine 24 mg) en/of

- 352 tabletten Oxanabol (bevattende oxandrolon 10 mg)

in grote hoeveelheid, in voorraad heeft gehad, te koop heeft aangeboden, heeft verkocht, heeft afgeleverd, en/of ter hand heeft gesteld;

7.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 mei 2017 tot en met 2 mei 2019 te Den Haag in elk geval in Nederland, in een [naam opslagbedrijf] met [boxnummer] gevestigd aan de [locatie] , tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 43,7 kilogram MDMA poeder, in elk geval (een) hoevee1he(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de hij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

8.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 mei 2017 tot en met 2 mei 2019 te Den Haag, in elk geval in Nederland in een [naam opslagbedrijf] met [boxnummer] gevestigd aan de [adres ] , tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA, zijnde middelen als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden, (onder meer) voorhanden heeft gehad:

- 3 maatscheppen met poederrestanten bevattende MDMA

- 2 blenders met poederrestanten bevattende MDMA

- 3 zeven met poederrestanten bevattende MDMA

- grote hoeveelheden kleurenpoeders

- 12 flessen gootsteenontstopper

waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden, dat die goederen bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en).

3 Inleiding

Op 25 februari 2019 wordt er bij Meld Misdaad Anoniem (hierna: MMA) de melding gemaakt dat de heer [verdachte ] , woonachtig in een woning boven de [locatie] gelegen aan de [adres ] te Den Haag, drugs verhandelt en in het bezit is van een handvuurwapen. Voorts wordt er door het Team Criminele Inlichtingen op 1 maart 2019 een proces-verbaal verstrekt, inhoudende dat - kort gezegd - in een woning op de tweede etage, boven de [locatie] , door een Turk speed gedraaid wordt. In dit proces-verbaal wordt ook gerelateerd dat met de woning op de tweede etage vermoedelijk de woning aan de [adres ] [(--)] of [(--)] wordt bedoeld. Op nummer [(--)] staat volgens het GBA [verdachte ] (hierna: de verdachte) ingeschreven. [medeverdachte] , de broer van de verdachte - en in onderliggend onderzoek eveneens aangemerkt als verdachte - staat blijkens het GBA ingeschreven op nummer [(--)] .

Op 15 maart 2019 wordt wederom een MMA-melding gemaakt met betrekking tot handel in drugs vanuit de portiek tussen [locatie] . Bij het betreden van de portiek wordt zowel vanuit de woning in het midden als vanuit de woning rechts drugs verhandeld en in beide woningen wordt speed gemaakt. Ook zijn er vuurwapens aanwezig. Volgens de melding is ene [verdachte ] hier verantwoordelijk voor.

Naar aanleiding van deze meldingen vindt vervolgens op 11 april 2019 een doorzoeking plaats in genoemde woningen en worden beide verdachten aangehouden. In de woning van [medeverdachte] treft de politie onder meer 8254 MDMA tabletten, 19 liter amfetamine olie en een veelheid aan goederen te relateren aan de productie van drugs aan. In de woning van de verdachte worden onder meer een hoeveelheid cocaïne, een doorgeladen vuurwapen, een grote hoeveelheid medicijnen en contante geldbedragen aangetroffen.

Wanneer de politie onderzoek naar de bankrekening van de verdachte verricht, blijkt dat maandelijks een geldbedrag wordt afgeschreven ten behoeve van [naam opslagbedrijf] Uit de door [naam opslagbedrijf] verstrekte gegevens blijkt dat de verdachte sinds april 2017 een [naam opslagbedrijf] box huurt. Op 2 mei 2019 vindt ook hier een doorzoeking plaats, waarbij onder meer een grote hoeveelheid MDMA poeder, flessen gootsteenontstopper en goederen als maatscheppen en blenders met poederrestanten bevattende MDMA worden aangetroffen.

De verdachte wordt - kort gezegd - verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen ter zake van Opiumwetdelicten (feit 1), het in vereniging voorhanden hebben van amfetamine olie, MDMA tabletten en cocaïne (feit 2), het witwassen van onder meer een geldbedrag van € 38.172 (feit 3) en het voorhanden hebben van een pistool met bijbehorende munitie (feit 4).

Voorts ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van verschillende medicijnen in strijd met de Opiumwet (feit 5) en het opzettelijk in voorraad hebben van een grote hoeveelheid geneesmiddelen als bedoeld in de Geneesmiddelenwet (feit 6).

Tot slot wordt de verdachte naar aanleiding van het onderzoek in de [naam opslagbedrijf] box het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 43,7 kilo MDMA (feit 7) en het medeplegen van voorbereidingshandelingen ter zake van Opiumwetdelicten (feit 8) verweten.

4 Rechtmatigheid binnentreden [adres ]

De verdediging heeft betoogd dat de politie de woning van de verdachte op 11 april 2019 onrechtmatig is binnengetreden. De raadsvrouw heeft daartoe - kort gezegd - aangevoerd dat de MMA-melding van 25 februari 2019 tezamen met de inhoud van het TCI proces-verbaal, onvoldoende grond vormden om een redelijk vermoeden van schuld jegens de verdachte aan te nemen. Het onderzoek naar aanleiding van deze meldingen heeft niet geleid tot bevestiging van de inhoud van de meldingen, dan wel tot belastend bewijs jegens de verdachte. Uit de in de periode van 14 maart 2019 tot en met 18 maart 2019 van de portiek van de woningen van de verdachte en zijn broer gemaakte video-opnames blijkt immers niet van handel in verdovende middelen. Ook de MMA-melding van 15 maart 2019 was voor het binnentreden onvoldoende, aldus de raadsvrouw. De verdediging stelt zich op het standpunt dat met het onrechtmatig binnentreden sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. Door het onrechtmatig binnentreden is er een onrechtmatige inbreuk gemaakt op de bewaring van de huisvrede en is de privacy van de verdachte geschonden, als gevolg waarvan de resultaten van de doorzoeking van het bewijs moeten worden uitgesloten.

De rechtbank overweegt dat blijkens het dossier op 25 februari 2019 een MMA-melding is binnengekomen, gevolgd door de verstrekking van een TCI proces-verbaal op 1 maart 2019. In dit proces-verbaal is eveneens gerelateerd dat de verstrekte informatie als betrouwbaar kan worden aangemerkt en dat met de woning op de tweede etage vermoedelijk de woning aan de [adres ] [(--)] of [(--)] wordt bedoeld. De politie heeft vervolgens vastgesteld dat de verdachte staat ingeschreven op de [adres ] en dat hij antecedenten op het gebied van de Opiumwet heeft. Op 15 maart 2019 is nogmaals een MMA-melding binnengekomen, waarin wederom wordt gesproken over ene [verdachte ] als verantwoordelijke voor de drugshandel vanuit de woning in het midden als ook vanuit de woning rechts in de portiek. De politie heeft vervolgens geconstateerd dat de woning aan de rechterzijde huisnummer [(--)] betreft. Naar het oordeel van de rechtbank was de ontvangen informatie voldoende concreet en specifiek en rechtvaardigen de omstandigheden zoals hiervoor weergegeven wel degelijk de conclusie dat op het moment van binnentreden sprake was van een voldoende verdenking op grond waarvan de politie het pand mocht betreden. Het enkele feit dat op de camerabeelden niet te zien is dat sprake is van de handel in verdovende middelen, doet hier niet aan af. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat het bij de doorzoeking aangetroffen bewijsmateriaal rechtmatig is verkregen en voor het bewijs kan worden gebezigd.

5 Bewijsoverwegingen

5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoir - vrijspraak gevorderd van het onder 1 tenlastegelegde. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 2 (behoudens het opzettelijk aanwezig hebben van de amfetamine olie en 3,2 kilogram MDMA tabletten) tot en met 8 tenlastegelegde feiten. Op de specifieke standpunten van de officier van justitie zal hierna - voor zover relevant - nader worden ingegaan.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft - overeenkomstig haar pleitnota - integrale vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1, 5, 7 en 8 tenlastegelegde. Met betrekking tot de feiten 2, 3, 4 en 6 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Op de specifieke (bewijs)verweren van de verdediging zal hierna - voor zover relevant - nader worden ingegaan.

5.3

De beoordeling van de tenlastelegging1

5.3.1

Vrijspraak feit 1

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde feit moet worden vrijgesproken, nu zich hiervoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier bevindt.

5.3.2

Feit 2

Nu de verdachte de feitelijk aan hem verweten gedraging heeft bekend en de raadsvrouw ten aanzien van het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne geen vrijspraak heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan.

De rechtbank acht het onder 2 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 2 maart 2020;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 97-99, met bijlage p. 100-102;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 126-127;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 260-261;

- een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 31 mei 2019, zaaknummer 2019.04.11.175 (aanvraag 012), p. 262.

Partiële vrijspraak amfetamine olie en MDMA

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het tenlastegelegde opzettelijk aanwezig hebben van 19 liter amfetamine olie en 8254 tabletten (3,2 kilogram) MDMA niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van die onderdelen van de tenlastelegging.

5.3.3

Feit 3

De bewijsmiddelen

Op 11 april 2019 heeft de politie de woning van de verdachte aan de [adres ] te Den Haag doorzocht. Aldaar zijn door de politie onder meer een drietal geldbedragen van in totaal € 38.172,702 aangetroffen en in beslag genomen.

Uit de analyse van de rapportage infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen (hierna: iCOV) is gebleken dat de verdachte eigenaar is van [bedrijfsnaam] . Deze onderneming heeft in de jaren 2017 en 2018 geen omzet verkregen.3 De verdachte heeft verklaard dat hij de [bedrijfsnaam] tot 2016/2017 heeft gerund en dat hij daarna - vanwege ziekte - niet meer heeft gewerkt.4 Uit de gegevens van de belastingdienst is verder gebleken dat de verdachte vanaf 2017 geen (legaal) inkomen meer heeft ontvangen, behoudens huur- en zorgtoeslag.5

De verdachte heeft aanvankelijk verklaard dat het aangetroffen geldbedrag spaargeld betrof.6 In een tweede verklaring ten overstaan van de politie en ter terechtzitting van 2 maart 2020 heeft de verdachte verklaard dat hij het geld voor een kennis, [naam 1] , onder zich hield. De verdachte heeft verklaard dat [naam 1] werd gezocht door justitie vanwege een hem opgelegde gevangenisstraf. Een paar maanden voor zijn aanhouding heeft [naam 1] (onder meer) een geldbedrag ter hoogte van ongeveer € 35.000,- bij de verdachte neergelegd. De verdachte heeft ook nog verklaard dat [naam 1] heeft samengewerkt met de politie door als informant te fungeren en hem op die manier ‘genaaid’ heeft.7

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het aantreffen van een dergelijk groot bedrag aan contanten onder bovengenoemde feiten en omstandigheden van dien aard is, dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Dit maakt dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag.

De rechtbank acht het door de verdachte geschetste scenario dat een groot deel van het aangetroffen geldbedrag van [naam 1] was en hij dit voor hem onder zich hield, ongeloofwaardig. Het komt de rechtbank in het geheel niet logisch voor dat iemand die een dergelijk groot geldbedrag bij iemand anders neerlegt, vervolgens belastende informatie over deze houder aan de politie verstrekt en daarbij het risico loopt dat de politie de woning zal doorzoeken, het in die woning bewaarde geldbedrag in beslag zal nemen en hij dat geldbedrag vervolgens kwijt is.

De rechtbank overweegt verder dat de verklaring die de verdachte in eerste instantie heeft gegeven - namelijk dat het aangetroffen geldbedrag spaargeld betrof - niet kan worden aangemerkt als een verklaring, die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Doordat de verdachte geen enkel inzicht heeft willen geven in zijn financiële situatie en hij blijkens de gegevens van de belastingdienst slechts beschikte over zeer geringe inkomsten, is een criminele herkomst van het geldbedrag onvoldoende ontzenuwd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen andere conclusie mogelijk is dan dat het tenlastegelegde geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van dat geldbedrag.

Partiële vrijspraak

Ten aanzien van de Audi A-6

Met betrekking tot de Audi A-6 voorzien van kenteken [kenteken] overweegt de rechtbank dat uit het dossier ontegenzeggelijk blijkt dat de verdachte de (vaste) gebruiker was van dit voertuig. Gedurende de doorzoeking in zijn woning is immers bijbehorend kentekenbewijs aangetroffen, het voertuig bleek voor de woning van de verdachte geparkeerd te staan en in het voertuig zijn een veelheid aan schriftelijke bescheiden op naam van de verdachte aangetroffen. Uit onderzoek is bovendien gebleken dat de verdachte veelvuldig met dit voertuig heeft geparkeerd middels Parkmobile en dat hij goederen heeft aangeschaft voor de het voertuig. Op grond van het dossier en de door de raadsvrouw overlegde stukken kan echter ook worden vastgesteld dat de zus van de verdachte de kentekenhouder en rechtmatige eigenaar van voernoemde Audi betreft.

De rechtbank is van oordeel dat op geen enkele wijze uit het dossier blijkt dat het voertuig uit enig misdrijf afkomstig is, te meer nu op basis van de stukken die de raadsvrouw van de verdachte heeft overgelegd niet onaannemelijk is dat de zus van de verdachte voldoende draagkrachtig was voor de aanschaf van genoemde Audi. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Ten aanzien van de horloge(s) van het merk Rolex

Bij de doorzoeking van voornoemde Audi werd een plastic tas van het bedrijf [bedrijfsnaam 2] aangetroffen. In die tas zaten twee Rolex horlogedozen. In één van de horlogedozen werd enkel een garantiebewijs aangetroffen, in de andere doos zat slechts een klein prijskaartje waarop een bedrag van € 29.800,- stond. Ook werd er in de tas een aankoopbon van [bedrijfsnaam 2] aangetroffen, die op naam van de verdachte stond en was gedateerd op 23 oktober 2018. Op de bon stond een Rolex Submariner ter waarde van € 22.000,- vermeld.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het voorgaande niet vastgesteld kan worden dat de verdachte daadwerkelijk één of meer horloges van het merk Rolex voorhanden heeft gehad in de tenlastegelegde periode. De horloges zijn immers niet aangetroffen. Ook de factuur toont dit niet aan. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het witwassen van een of meer horloge(s) van het merk Rolex.

Ten aanzien van de zonnebril van het merk Louis Vuitton

Verder werd in de Audi door de politie in het opbergvakje boven de binnenspiegel een zonnebril van het merk Louis Vuitton aangetroffen. De rechtbank overweegt dat niet is vastgesteld of de genoemde zonnebril daadwerkelijk een bril van Louis Vuitton betreft of dat dit een namaakexemplaar is. In het verlengde daarvan is eveneens onduidelijk wat de waarde van de aangetroffen bril is. Gelet op voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet gesteld worden dat dit een voorwerp met een dermate hoge waarde betreft, dat van de verdachte een verklaring mag worden verlangd omtrent het voorhanden hebben hiervan. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Ten aanzien van de medicamenten

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het witwassen van een grote hoeveelheid medicamenten zoals aangetroffen in de woning van de verdachte niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Ten aanzien van de GPS trackers en de Aquaris cryptotelefoon

Gedurende de doorzoeking van de woning van de verdachte zijn eveneens een viertal GPS trackers en een BQ Aquaris telefoon aangetroffen, waarvan door de politie is vastgesteld dat dit een zogenaamde cryptophone betreft. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat deze voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Dat deze voorwerpen bestemd kunnen zijn tot het begaan van een misdrijf, doet daar niet aan af. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het witwassen van de Aquaris cryptotelefoon en de GPS trackers.

5.3.4

Feit 4

Nu de verdachte dit feit heeft bekend en de raadsvrouw zich - met uitzondering van het tenlastegelegde medeplegen - heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, is de rechtbank van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan.

De rechtbank acht het onder 4 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 2 maart 2020;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 97-99, met bijlage p. 100-102;

- het proces-verbaal van team Forensische Opsporing, Wapens, Munitie en Explosieven, p. 123-125.

Partiële vrijspraak medeplegen

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het tenlastegelegde medeplegen niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank zal de verdachte derhalve vrijspreken van dat onderdeel van de tenlastelegging.

5.3.5

Feit 5

Nu de verdachte de feitelijk aan hem verweten gedraging heeft bekend en door de raadsvrouw enkel een juridische verweer is gevoerd, zal de rechtbank volstaan met een opsomming van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en de bespreking van het gevoerde verweer.

De rechtbank acht het onder 5 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 2 maart 2020;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 97-99, met bijlage p. 100-102;

- een geschrift, te weten een productbeoordeling door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd d.d. 29 juli 2019, p. 514-524, met bijlage p. 525-526.

Opzet

Op grond van genoemde bewijsmiddelen staat vast dat de verdachte deze middelen aanwezig heeft gehad. Het verweer dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat hij niet wist dat genoemde middelen in de Opiumwet staan en daarom de opzet bij de verdachte ontbreekt, kan niet slagen. Er is immers sprake van kleurloos opzet, wat betekent dat voor het bewijs van opzet niet is vereist dat de verdachte wist dat het aanwezig hebben van deze middelen strafbaar was. Algemeen juridisch uitgangspunt is dat een ieder die in Nederland verblijft, wordt geacht de wet te kennen. Dus ook de verdachte. Hij had zich van de toepasselijke wet- en regelgeving op de hoogte moeten stellen. Zijn gebrek aan kennis op dit punt disculpeert niet. Het verweer wordt dan ook verworpen

5.3.6

Feit 6

Nu de verdachte de feitelijk aan hem verweten gedraging heeft bekend en de raadsvrouw zich ten aanzien van het in voorraad hebben van de in de tenlastelegging genoemde medicamenten op 11 april 2019 heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, is de rechtbank van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan.

De rechtbank acht het onder 6 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 2 maart 2020;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 97-99, met bijlage p. 100-102;

- een geschrift, te weten een productbeoordeling door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd d.d. 29 juli 2019, p. 514-524, met bijlage p. 525-526.

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen staat vast dat de verdachte de tenlastegelegde medicamenten op 11 april 2019 opzettelijk in voorraad heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende concrete aanknopingspunten bevat om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat de verdachte de medicamenten in de tenlastegelegde periode van 4 juni 2018 tot en met 11 april 2019 in voorraad heeft gehad. Hij zal daarvan partieel worden vrijgesproken.

5.3.7

Vrijspraak feiten 7 en 8

Naar aanleiding van het onderzoek waaruit bleek dat de verdachte de beschikking had over een [naam opslagbedrijf] box met [boxnummer] , heeft op 2 mei 2019 in de betreffende opslagruimte een doorzoeking plaatsgevonden. Gedurende de doorzoeking heeft de politie naast de eerder genoemde 43,7 kilogram MDMA poeder, flessen gootsteenontstopper en overige aan verdovende middelen te relateren voorwerpen ook een groot aantal voedingssupplementen aangetroffen. Van nagenoeg alle aangetroffen voedingssupplementen bleek de houdbaarheidsdatum te zijn verstreken. Voorts werden administratieve bescheiden aangetroffen te relateren aan de onderneming van de verdachte, [bedrijfsnaam] .

Uit de door [naam opslagbedrijf] verstrekte gegevens is gebleken dat de verdachte op 5 april 2017 genoemde opslagruimte in gebruik heeft genomen, waartoe hij op diezelfde datum een huurovereenkomst heeft afgesloten. Verder is gebleken dat de box in de periode van 28 juni 2018 tot en met 4 december 2018 15 keer is bezocht, waarbij echter niet vastgesteld kon worden door wie. [naam opslagbedrijf] bleek niet meer te beschikken over camerabeelden.

De verdachte heeft verklaard dat op het moment dat [bedrijfsnaam] dicht ging, het bedrijfspand leeg gehaald diende te worden en hij ten behoeve van de opslag van zijn bedrijfsinventaris - waaronder een veelheid aan voedingssupplementen - een opslagruimte bij [naam opslagbedrijf] heeft gehuurd. De verdachte heeft verder verklaard dat hij in die tijd te kampen had met medische problemen. Om die reden heeft hij na het afsluiten van de huurovereenkomst de sleutel van de opslagruimte aan zijn broer (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte] ) gegeven, zodat zijn broer hem kon helpen met het verplaatsen naar en het stallen van zijn bedrijfsinventaris in de opslagruimte. Er was maar één sleutel. De verdachte heeft verklaard dat de box leeg was op het moment dat hij de huurovereenkomst afsloot. De verdachte heeft ook verklaard dat hij niet wist dat zijn broer zelf ook gebruik maakte van de opslagruimte en dat hij niet op de hoogte was van de aldaar aangetroffen verdovende middelen en de overige daaraan te relateren goederen.

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij degene is die gebruik maakte van de opslagruimte en aldus verantwoordelijk is voor de in de opslagruimte aangetroffen verdovende middelen en overige goederen. Hij heeft verder verklaard dat er maar één sleutel van de opslagruimte was, dat hij deze in zijn bezit had teneinde de inventaris van zijn broertje (de rechtbank begrijpt: de verdachte) aldaar op te slaan en dat zijn broertje helemaal in het begin één keer in de opslagruimte is geweest en daarna niet meer.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat het de verdachte is geweest die genoemde opslagruimte in 2017 heeft gehuurd en ten behoeve hiervan maandelijks een bedrag aan huur heeft betaald. In diezelfde opslagruimte zijn verdovende middelen en voorwerpen te relateren aan de productie van verdovende middelen aangetroffen. Op grond van de door [naam opslagbedrijf] verstrekte gegevens is niet vast te stellen wie de opslagruimte gedurende de duur van de huurovereenkomst heeft bezocht. Het enkele feit dat het huurcontract op naam van de verdachte stond en hij de huur heeft betaald, maken volgens de rechtbank niet dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte ook wetenschap had van, en in die zin dus enige betrokkenheid had bij het opzettelijk aanwezig hebben van de verdovende middelen en in het verlengde daarvan bij de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen. De rechtbank overweegt verder dat op geen enkele andere wijze vastgesteld kan worden dat de verdachte na 2017 enige actieve bijdrage heeft geleverd aan hetgeen in de opslagruimte is aangetroffen, te meer nu nergens uit volgt dat de verdachte op de hoogte was, dan wel kennis had kunnen hebben van het feit dat zijn broer - na het verhuizen en opslaan van de inventaris van de verdachte - de opslagruimte voor eigen gebruik is gaan benutten. Het feit dat de verdachte de sleutel van de opslagruimte aan zijn broer heeft gegeven, is daarvoor onvoldoende. Te meer nu de verdachte daarvoor een aannemelijke verklaring heeft gegeven. Verder biedt het dossier en het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende aanknopingspunten dat de verdachte wetenschap had van het feit dat zijn broer in zijn woning aan de Opiumwet gerelateerde goederen had staan, waardoor de verdachte extra oplettend had moeten zijn.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is gebleken van feiten en omstandigheden waaruit de betrokkenheid van de verdachte als medepleger blijkt bij de tenlastegelegde feiten, zodat de rechtbank de verdachte daarom van beide feiten zal vrijspreken.

5.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

2.

hij op 11 april 2019 te Den Haag opzettelijk aanwezig heeft gehad 47,4 gram cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op 11 april 2019, te Den Haag van een voorwerp, te weten een geldbedrag ad in totaal Eur 38.172,-, de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verhuld en dit voorwerp voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit voorwerp, onmiddellijk of middellijk, afkomstig was uit enig misdrijf;

4.

hij op 11 april 2019 te Den Haag een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Ruger, type LC9s, kaliber 9 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en bijbehorende munitie, te weten een patroon van categorie III, voorhanden heeft gehad;

5.

hij op 11 april 2019 te Den Haag opzettelijk aanwezig heeft gehad

- 399 stuks Temazepam 20 mg, elk bevattende het middel Temazepam en

- 84 stuks Diazepam 10 mg, elk bevattende het middel Diazepam en

- 100 stuks Lormetazepam 2 mg, elk bevattende het middel Lormetazepam

zijnde Temazepam en Diazepam en Lormetazepam, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

6.

hij op 11 april 2019 te Den Haag opzettelijk geneesmiddelen, als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub b van de Geneesmiddelenwet waarvoor geen handelsvergunning gold, te weten

- 100 ampullen Sustanon 250 (bevattende testosteron) en

- 260 tabletten T3 (bevattende liothyronine sodium 25 ug) en

- 72 ampullen B12 WZF (bevattende cyanocobalamine 500 ug) en

- 650 tabletten Methandrostenolone (bevattende methandrostenolon 10 mg) en

- 231 tabletten Clomihene Citrate (bevattende clomifeencitraat 50 mg) en

- 800 tabletten Turinabol (bevattende 4-chloordehydromethyltestosteron 25 mg) en

- 50 ampullen Unitest-Long 300 (bevattende testosteronenantaat 300 mg/ml) en

- 300 tabletten Mestererolone (bevattende mestererolon 25 mg) en

- 300 tabletten Stanozolol 50 (bevattende stanozolol 50 mg) en

- 25 ampullen Alphabolin (bevattende methenolonenantaat 100 mg/ml) en

- 250 tabletten Astralean (bevattende clenbuterol HCI 40 ug) en

- 150 capsules Slimcapsules (bevattende sibutramine HCI 15 mg) en

- 40 tabletten Proviron (bevattende mesterolon 25 mg) en

- 35 tabletten Alphabol (bevattende methandiënon 10 mg) en

- 18 ampullen NandroRapid (bevattende nandrolonfenylpropionaat 100 mg/ml) en

- 10 ampullen lnduject-250 (bevattende testosteron) en

- 100 tabletten Stanozolol (bevattende stanozolol 10 mg) en

- 180 tabletten Proviron (bevattende mesterolon 25 mg) en

- 122 tabletten Oral turinabol (bevattende turinabol) en

- 76 tabletten Provi (bevattende mesterolon 25 mg) en

- 78 tabletten Provibol (bevattende mesterolon 25 mg) en

- 29 injectiepennen Genotropin (bevattende somatropine 12 mg) en

- 4 injectiepennen Humatrope (bevattende somatropine 24 mg) en

- 352 tabletten Oxanabol (bevattende oxandrolon 10 mg)

in grote hoeveelheid in voorraad heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

7 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

8 De strafoplegging

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest, eventueel met een voorwaardelijke straf als stok achter de deur.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft zich op 11 april 2019 schuldig gemaakt aan een vijftal strafbare feiten, waaronder het voorhanden hebben van cocaïne, het aanwezig en in voorraad hebben van een grote hoeveelheid geneesmiddelen en vuurwapenbezit. De verdachte heeft in zijn woning een doorgeladen vuurwapen en bijbehorende munitie voorhanden gehad. Vuurwapens worden veelal gebruikt bij het plegen van strafbare feiten en vormen een groot gevaar en aanzienlijke bedreiging voor de veiligheid van personen in de samenleving.

Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 38.172,-. Witwassen tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan, bedreigt de legale economie en draagt bij aan de instandhouding van criminaliteit. Onderliggende strafbare feiten worden immers afgedekt en de mogelijkheid van geldelijke beloning voor die strafbare feiten wordt gerealiseerd. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 23 januari 2020, waaruit volgt dat de verdachte eerder meermalen is veroordeeld ter zake van opiumdelicten. Verder blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar eerder is veroordeeld wegens onder meer het bezit van een wapen. Deze eerdere veroordeling was ten tijde van het bewezenverklaarde onherroepelijk en heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een soortgelijk strafbaar feit te begaan. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee.

De straf

De aard en ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten, rechtvaardigen het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van de feiten tenlastegelegd onder 1, 7 en 8 en komt daardoor tot een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie. Hierdoor zal zij aan de verdachte een lagere gevangenisstraf opleggen dan geëist. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en rekening gehouden met de straffen zoals die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat voor de bewezenverklaarde feiten oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden passend en geboden is. De tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal op de gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Het bevel tot voorlopige hechtenis is reeds per 5 maart 2020 opgeheven op grond van het bepaalde in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

9 De inbeslaggenomen voorwerpen

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage aan dit vonnis is gehecht) onder 1 tot en met 42

genummerde voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard en dat de onder 43 en 44 genummerde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer. Ten aanzien van de BQ Aquaris cryptotelefoon (ongenummerd) heeft de officier van justitie eveneens gevorderd dat deze zal worden onttrokken aan het verkeer.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van de Audi A-6. Nu vaststaat dat de zus van de verdachte de rechtmatige eigenaar is van dit voertuig, heeft de raadsvrouw verzocht de Audi A-6 terug te geven aan de rechthebbende. Over de inbeslaggenomen cryptotelefoon heeft de raadsvrouw zich niet uitgelaten.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 tot en met 41 genummerde voorwerpen verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze aan de verdachte toebehoren en met betrekking tot deze voorwerpen de bewezenverklaarde feiten zijn begaan, dan wel degene aan wie deze voorwerpen toebehoren bekend was met het gebruik of de bestemming in verband met strafbare feiten.

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de rechthebbende, te weten [naam 2] , gelasten van het op de beslaglijst onder 42 genummerde voorwerp, de Audi A-6.

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 43 en 44 genummerde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met betrekking tot dit voorwerp het onder 4 bewezenverklaarde feit is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De rechtbank zal de BQ Aquaris cryptotelefoon, waarvan de inbeslagname uit het beslagdossier volgt (p. 78), onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien dit voorwerp bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten, dan wel de feiten waarvan hij wordt verdacht, is aangetroffen, terwijl het voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan en dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

10 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen (bijkomende) straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 33, 33 a, 36b, 36c, 36d, 57, 60, 420bis van het Wetboek van Strafrecht;

- 2, 3, 10, 11, 13 a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I en II;

- 26, 55 van de Wet wapens en munitie;

- 40 van de Geneesmiddelenwet;

- 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

11 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 7 en 8 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 5.4 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 3:

witwassen;

ten aanzien van feit 4:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

ten aanzien van feit 5:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 6:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40, tweede lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1 tot en met 41 genummerde voorwerpen;

gelast de teruggave aan de rechthebbende, te weten [naam 2] , van het op de beslaglijst onder 42 genummerde voorwerp;

verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 43 en 44 genummerde voorwerpen en de op p. 78 van het beslagdossier genoemde BQ Aquaris cryptotelefoon.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P. Verbeek, voorzitter,

mr. B.F. Hammerle, rechter,

mr. M. Rigter, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.A. Lockhorst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 maart 2020.

Bijlage: beslaglijst

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal in het onderzoek [naam onderzoek] , van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 555).

2 Proces-verbaal van bevindingen doorzoeking [adres ] , p. 97-99, met bijlage p. 100-102.

3 Proces-verbaal van bevindingen iCOV, p. 273-275, met bijlage p. 276-286.

4 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 2 maart 2020.

5 Proces-verbaal van bevindingen iCOV, p. 273-275, met bijlage p. 276-286.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 25.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte p. 539; de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 2 maart 2020.