Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2472

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-03-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3563
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De militaire politierechter heeft eiser vrijgesproken van het aanwezig hebben van cocaïne. De rechtbank ziet in dit geval niet de mogelijkheid het ontslagbesluit in stand te laten zonder twijfel op te roepen over de vrijspraak van de militaire politierechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/3563

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.P.K. Ruperti),

en

de staatssecretaris van Defensie, verweerder

(gemachtigde: kapitein mr. D.M.L.G. Lemmens).

Procesverloop

Bij besluit van 18 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser ontslag verleend per 1 december 2018.

Bij besluit van 30 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook zijn vader was aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van [A] en enkele toehoorders.

Overwegingen

Inleiding

1. Met ingang van 14 april 2014 is eiser als leerling in de rang van soldaat 3 op de Koninklijke Militaire School in School Zuid aangesteld bij het beroepspersoneel van de krijgsmacht met als bestemming functies binnen het Wapen der Genie te gaan vervullen. Op 4 juli 2014 heeft bevordering tot soldaat 2 plaatsgevonden en twaalf maanden later bevordering tot soldaat 1. Op 29 september 2014 is eiser definitief geplaatst als rampenbestrijder/elektrotech bij 414 CBRN-VERDCIE/3ONTSMPEL/A-GP.

Eiser is op 23 september 2018 op de parkeerplaats van winkelcentrum [winkelcentrum] te Aruba door het Korps Politie Aruba aangehouden op verdenking van het in het bezit hebben van cocaïne.

Het bestreden besluit

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder vermeld dat het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar van het Korps Politie Aruba, de verklaringen van getuigen en informatie van de Koninklijke Marechaussee voldoende aannemelijk maken dat eiser in de nacht van 22 september op 23 september 2018 in het bezit was van een zakje met cocaïne. Uit het proces-verbaal van 23 september 2018 blijkt dat de betreffende opsporingsambtenaar door het schijnen met de zaklantaarn op drie personen die op de parkeerplaats stonden, zag dat eiser een klein zakje met wit poeder dicht bij zijn neus hield. Vervolgens stapte de opsporingsambtenaar uit de dienstwagen en toen hij eiser benaderde, zag hij dat eiser het zakje wegwierp. Hij heeft dit zakje opgeraapt en heeft eiser aangehouden. Het feit dat het proces-verbaal van 23 september 2018 is opgemaakt door een beëdigd opsporingsambtenaar van het Korps Politie Aruba zorgt ervoor dat verweerder geen reden ziet om te twijfelen aan dat proces-verbaal.

Een van de getuigen heeft verklaard dat eiser op de parkeerplaats tegen hem en de andere getuige had gezegd dat eiser een zakje cocaïne had. De andere getuige heeft verklaard dat hij eiser, op het moment dat de politie eraan kwam, iets zag weggooien.

Omdat eiser in verhoren van 24 september 2018 en 28 september 2018 heeft aangegeven op de hoogte te zijn van het strikte drugsbeleid van Defensie, had hij moeten weten dat het zich op enigerlei wijze inlaten met harddrugs wordt gekwalificeerd als wangedrag. Eiser heeft niet gesteld en het is ook niet op een andere manier gebleken dat het wangedrag hem niet of in verminderde mate kan worden toegerekend.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers ontslag evenredig is aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim en dat hij niet met een mindere maatregel kon volstaan.

Het betoog van eiser

3. Eiser heeft aangevoerd dat hij op 14 november 2019 door de militaire politierechter is vrijgesproken. Volgens eiser ging het bij de militaire politierechter om hetzelfde feitencomplex als dat hier aan de orde is. Het proces-verbaal van 23 september 2018 bevat volgens hem onjuistheden. Eiser ontkent in bezit te zijn geweest van een zakje met cocaïne en deze bij zijn neus te hebben gehouden, laat staan dat hij dit zakje zou hebben weggegooid. Ook is het volgens eiser plausibel dat de getuigen een motief hebben om hieromtrent niet naar waarheid te verklaren, omdat zij zelf ook militair zijn en weten welke sanctie staat op het bezit en gebruik van harddrugs.

Verder vindt eiser het bestreden besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Eiser heeft een uitstekende staat van dienst en heeft tijdens zijn loopbaan bewezen dat hij als integer en betrouwbaar moet worden beschouwd. Zijn persoonlijke belangen om zijn inkomen te behouden om aan zijn financiële verplichtingen te voldoen moeten volgens hem prevaleren boven het belang van de organisatie.

Juridisch kader

4. Op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) kan aan de militair ontslag worden verleend wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor zijn dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt.

Volgens Aanwijzing SG A/925 Uitvoering Drugsbeleid Defensie wordt als hoofdregel de militair die binnen of buiten het grondgebied van Nederland harddrugs of softdrugs bereidt, bewerkt, verwerkt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of zich daar op enigerlei wijze mee inlaat voor ontslag voorgedragen.

Het oordeel van de rechtbank

5. Bij uitspraak van 14 november 2019 heeft de militaire politierechter de strafbeschikking van het openbaar ministerie van 21 maart 2019 vernietigd en eiser vrijgesproken van het aanwezig hebben van cocaïne. De rechtbank stelt vast dat in dit geval een verband bestaat tussen de bejegening door de bestuurlijke autoriteit, namelijk het strafontslag en de gronden waarop dit rust, en de latere strafrechtelijke procedure. Ook tussen deze beroepsprocedure en de strafrechtelijke vervolging bestaat dit verband. De vrijspraak van eiser en het hem door verweerder verweten wangedrag hebben immers betrekking op hetzelfde feitencomplex. In de strafbeschikking staat dat het strafbare feit bestond uit het aanwezig hebben van een stof als bedoeld in de bij de Opiumwet bedoelde lijst op 23 september 2018. Op deze lijst staat cocaïne. Bij het bestreden besluit is eiser het bezit van cocaïne op 23 september 2018 verweten.

6. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat het feit dat feit dat een verband als onder 5 is vastgesteld op zichzelf niet voldoende is voor de conclusie dat het oordeel van de strafrechter eraan in de weg staat dat in een bestuursrechtelijke procedure de gedragingen waarvan de betrokkene is vrijgesproken - als gevolg van minder strenge bewijsregels of op grond van aanvullend bewijs - bewezen worden verklaard. Zie bijvoorbeeld het arrest van 23 oktober 2014 in de zaak van Melo Tadeu tegen Portugal (ECLI:CE:ECHR:2014:1023JUD002778510, punt 66) en het arrest van 18 oktober 2016 in de zaak van Alkasi tegen Turkije (ECLI:CE:ECHR:2016:1018JUD002110707, punt 32). Daarbij is wel van belang dat de rechterlijke en andere autoriteiten door hun optreden, de motivering van hun beslissing of de door hen gebruikte bewoordingen geen twijfel dienen te doen ontstaan over de juistheid van de vrijspraak van wat de betrokkene in de strafzaak werd verweten. Daarbij is tevens van belang dat de autoriteiten zich dienen te onthouden van strafrechtelijke karakterisering van de gedraging van de betrokkene en hun eigen forum niet te buiten gaan. Vergelijk het eerdergenoemde arrest van 18 oktober 2016 in de zaak van Alkasi tegen Turkije en het arrest van 28 maart 2017 in de zaak van Kemal Coskun tegen Turkije (ECLI:CE:ECHR:2017:0328JUD004502807, punt 52).

7. De rechtbank ziet in dit geval niet de mogelijkheid het bestreden besluit in stand te laten zonder twijfel op te roepen over de vrijspraak van de militaire politierechter. Anders dan verweerder, is de rechtbank van oordeel dat deze zaak niet wezenlijk afwijkt van de zaak die heeft geleid tot de door eiser genoemde uitspraak van deze rechtbank van 12 september 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:10946, welke uitspraak door de Centrale Raad van Beroep in de uitspraak van 5 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:641, is bevestigd. De rechtbank acht onvoldoende aannemelijk dat eiser zich aan de hem verweten gedraging schuldig heeft gemaakt.

8. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen. Deze uitspraak treedt in de plaats van het bestreden besluit.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.100,- ( 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 525,-, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.100,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W.J. Sloots, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 20 maart 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.