Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:245

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-01-2020
Datum publicatie
16-01-2020
Zaaknummer
09/842297-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 318 Wetboek van Strafrecht. Afdreiging. Klachtdelict. Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie. Verkrachting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2020/84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/842297-18

Datum uitspraak: 16 januari 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

[geboortedatum] 1995 [geboorteplaats] ,

[adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling hebben drie pro forma-zittingen plaatsgevonden op 8 maart 2019, 17 mei 2019 en 8 augustus 2019. De inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 19 december 2019. Op 2 januari 2020 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. K. van Diemen en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman mr. B.C.M. Sprenger naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzittingen van 17 mei 2019 en 19 december 2019 – ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 4 tot en met 6 juli 2018 in Den Haag, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 1] , heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , door

- een psychisch en een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht op die [slachtoffer 1] te creëren, onder meer door het verkrijgen/verwerven van pikante/naaktfoto's van die [slachtoffer 1] en/of (vervolgens) dreigen met deze te publiceren/openbaar te maken/ te verspreiden (tenzij die [slachtoffer 1] zou doen wat hij, verdachte, zei/wilde) en/of andere soortgelijke dwingende en/of dreigende uitlatingen te doen jegens die [slachtoffer 2] , en/of

- ( aldus) (telkens) een voor die [slachtoffer 1] (ongelijkwaardige) situatie te doen ontstaan waaraan of waardoor die [slachtoffer 1] zich niet kon verzetten tegen de genoemde seksuele handelingen;

en/of door

- de deur van de slaapkamer dicht te doen en/of die deur te blokkeren door er een kastGe) voor te zetten, en/of

- die [slachtoffer 1] (met kracht) bij de keel en/of hals te pakken en/of dicht te knijpen, en/of

- die [slachtoffer 1] haar kleren laten uittrekken en/of op haar knieën laten plaatsnemen, en/of

- zijn, verdachtes, penis, (met kracht) in de mond van die [slachtoffer 1] te duwen en/of heen en weer te bewegen, en/of

- die [slachtoffer 1] (vervolgens) op bed te duwen en/of aan het haar van die [slachtoffer 1] te trekken en/of op haar billen te slaan, terwijl hij, verdachte, zijn penis (met kracht) in de vagina van die [slachtoffer 1] heeft gebracht en/of heen en weer bewogen;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2018

tot en met 31 augustus 2018, in Den Haag en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door hem en/of

zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zichzelf of een ander,

wederrechtelijk te bevoordelen, één of meer personen (waaronder [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4]

en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] ), door bedreiging met

smaad en/of smaadschrift en/of openbaring van een geheim, te dwingen tot de afgifte van

een goed en/of het ter beschikking te stellen van gegevens en/of het aangaan van een schuld,

te weten ( een) geldbedrag( en) en/of pikante/ naaktfoto's en/of filmpjes en/of het verrichten

van seksuele diensten bij verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens)

- een (erotisch getint) contact is aangegaan via Baddoo, Tinder, WhatsApp, Snapchat en/of lnstagram en/of andere social media met die perso(o)n(en) en/of daaruit, dan wel op andere wijze, naaktfoto's en/of-filmpjes van die perso(o)n(en) (op verzoek) heeft verkregen en/of (vervolgens)

- die perso( o )n( en) dreigende en/of dwingende berichten heeft gestuurd en/of heeft gebeld waarbij hij, verdachte, dwingende en/of dreigende uitlatingen en/of eisen deed, onder meer inhoudende dat hij die perso(o)n(en) zou "exposen" op internet en/of die foto's en/of filmpjes aan de familie, vrienden en/of werkgever(s) en/of collega('s) van voornoemde perso(o)n(en) zou sturen, als zij niet (een) naaktfoto('s) en/of filmpje(s) en/of geldbedragen zou(den) sturen en/of geven en/of doen toekomen/overmaken en/of seksuele diensten bij verdachte en/of zijn mededader(s) zou(den) verrichten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf (telkens) niet is voltooid.

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2017 tot en met 27

november 2018 in Den Haag en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om

zichzelf en/of zijn mededader(s) en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, een of

meer personen (waaronder [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] en/of

[slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 12] en/of [slachtoffer 13] en/of [slachtoffer 14] en/of

[slachtoffer 15] en/of [slachtoffer 2] ), (telkens) door bedreiging met smaad en/of smaadschrift en/of

openbaring van een geheim, heeft gedwongen tot de afgifte van een goed en/of het ter

beschikking te stellen van gegevens en/of het aangaan van een schuld, te weten (een)

geldbedrag( en) en/of pikante/naaktfoto's en/of -filmpjes en/of het verrichten van seksuele

handelingen bij verdachte en/of zijn mededader(s), immers heeft/hebben verdachte en/of

zijn mededader(s) (telkens)

- ( erotisch getint) contact gelegd via Baddoo, Tinder, WhatsApp, Snapchat en/of Instagram en/of andere social media met die perso(o)n(en) en/of daaruit, dan wel via andere wijze, naaktfoto's en/of-filmpjes van die perso(o)n(en) verkregen/verworven en/of (vervolgens)

- die perso(o)n(en) dreigende en/of dwingende berichten gestuurd en/of gebeld waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) dwingende en/of dreigende uitlatingen en/of eisen de(e)d(en), onder meer inhoudende dat hij en/of zijn mededader(s) die perso(o)n(en) zou(den) "exposen" op internet en/of die foto's en/of filmpjes aan de familie, vrienden en/of werkgever(s) en/of collega('s) van voornoemde perso(o)n(en) zou(den) sturen, als zij niet (een) naaktfoto('s) en/of filmpje(s) en/of geldbedragen zou(den) sturen en/of geven en/of doen toekomen/ovennaken en/of seksuele diensten bij verdachte en/of zijn mededader(s) zou(den) verrichten;

4.

Hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2018 tot en met 13

november 2018 in Den Haag en/of Amstelveen, in elk geval in Nederland, meermalen,

althans eenmaal, (telkens) door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met

geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 2] , heeft gedwongen tot het ondergaan van een

of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen

van het lichaam van die [slachtoffer 2] , door (telkens):

- een psychisch en een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht op die [slachtoffer 2] te creëren, onder meer door het verkrijgen/verwerven van pikante/ naaktfoto's van die [slachtoffer 2] en/of vervolgens dreigen met deze te exposen op internet/ publiceren/ openbaar te maken/ te verspreiden (tenzij die [slachtoffer 2] zou doen wat hij, verdachte, zei/wilde) en/of andere soortgelijke dwingende en/of dreigende uitlatingen te doen jegens die [slachtoffer 2] en/of

- ( aldus) (telkens) een voor die [slachtoffer 2] (ongelijkwaardige) situatie te doen ontstaan waaraan of waardoor die [slachtoffer 2] zich niet kon verzetten tegen genoemde seksuele handelingen

en/of door (telkens)

- de deur van de slaapkamer dicht te doen en/of die deur te blokkeren door er een kastje) voor te zetten, en/of

- die [slachtoffer 2] (met kracht) bij de keel en/of hals te pakken en/of dicht te knijpen, en/of

- te zeggen dat zij, [slachtoffer 2] , goed moest luisteren en/of dat hij gemener zou worden en/of dat hij, verdachte, haar ( [slachtoffer 2] ) pijn zou doen en/of

- andere dreigende uitlatingen te doen en/of

- die [slachtoffer 2] haar kleren te laten uittrekken en/of op haar knieën te laten plaatsnemen, en/of

- zijn, verdachtes, penis, (met kracht) in de mond van die [slachtoffer 2] te duwen en/of heen en weer te bewegen, en/of

- die [slachtoffer 2] aan zijn ballen te laten zitten, en/of

- in de mond van die [slachtoffer 2] klaar te komen en/of

- die [slachtoffer 2] (vervolgens) op bed te duwen en/of aan het haar van die [slachtoffer 2] te

trekken en/of op haar billen te slaan en/of de billen van die [slachtoffer 2] om hoog te trekken, terwijl hij, verdachte, zijn penis (met kracht) in de vagina van die [slachtoffer 2] heeft gebracht en/of heen en weer bewogen en/of

- die [slachtoffer 2] de billen en/of anus van hem, verdachte, te laten likken

en/of ( op een later/ander tijdstip)

- die [slachtoffer 2] mee te nemen in een openbare wc en/of ruimte en/of die ruimte af te sluiten, en/of

- die [slachtoffer 2] op haar knieën te laten plaatsnemen en/of

- zijn, verdachtes, penis (met kracht) in de mond van die [slachtoffer 2] te duwen en/of heen en weer te bewegen, en/of

- in de mond van die [slachtoffer 2] klaar te komen.

3 Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

3.1

Het standpunt van de verdediging

Niet voldaan aan klachtvereiste (feiten 2 en 3)

De verdediging heeft niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit ten aanzien van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten. De verdediging heeft daartoe het volgende aangevoerd. Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde feiten hebben geen van de aangeefsters tijdig klacht gedaan. Een aangifte alleen voldoet niet aan het klachtvereiste. Ten aanzien van de onder 3 ten laste gelegde feiten hebben de aangeefsters niet tijdig aangifte gedaan dan wel niet tijdig klacht gedaan.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten. In de jurisprudentie is de tendens dat klachtdelicten als het onderhavige toch kunnen worden vervolgd indien een klacht ontbreekt of niet tijdig of op de juiste wijze is gedaan, als maar van de uitdrukkelijke wens van het slachtoffer tot vervolging blijkt. In alle gevallen is deze uitdrukkelijke wens te lezen in de aangiftes, aldus de officier van justitie.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Wettelijk kader en jurisprudentie

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie acht geslagen op de wettelijke regeling en de heersende jurisprudentie. Daaruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank het volgende.

De onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten betreffen (pogingen tot) afdreigingen als genoemd in artikel 318 van het Wetboek van Strafrecht. Misdrijven als bedoeld in dit artikel kunnen alleen op klacht worden vervolgd (van hem tegen wie het feit gepleegd is). In artikel 164 van het Wetboek van Strafvordering is bepaald dat een klacht bestaat in ‘eene aangifte met verzoek tot vervolging’. In artikel 66 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat deze klacht kan worden ingediend gedurende drie maanden na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit.

De Hoge Raad heeft meerdere arresten gewezen waarin de toepassing van de genoemde wettelijke regeling omtrent klachtmisdrijven aan de orde is geweest.

De rechtbank heeft in het bijzonder acht geslagen op het arrest van 4 december 2018. In dit arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat in het geval dat voor het instellen van een vervolging een klacht is vereist en de klacht niet is ingediend binnen drie maanden nadat de klachtgerechtigde heeft kennisgenomen van het gepleegde delict, de vervolging daarop afstuit. Ingeval de klacht weliswaar niet voldoet aan alle formele wettelijke eisen of niet is ingediend bij de bevoegde ambtenaar, maar vaststaat dat de klachtgerechtigde de vervolging heeft gewenst, zal van die wens binnen die termijn van drie maanden moeten zijn gebleken.1 Hieruit leidt de rechtbank af, dat de termijn van 3 maanden een absolute is, maar dat voor wat betreft de vorm waarin de klacht wordt gedaan ruimte zit. De rechtbank kijkt hiervoor naar eerdere rechtspraak.

In het arrest van 27 maart 2012 van de Hoge Raad is een zaak aan de orde geweest waarin er weliswaar geen formele klacht lag, maar de aangeefster bij haar aangifte wel had aangegeven dat zij geïnformeerd wilde worden omtrent het verloop van de strafzaak tegen de verdachte. Voorts had zij (de rechtbank begrijpt: nadien) een vordering benadeelde partij ingediend. Het Hof overwoog dat daaruit voldoende bleek dat de aangeefster vervolging in de zaak wenste.

De Hoge Raad verwijst in dit arrest naar een eerder gewezen arrest, waarin is bepaald dat indien een stuk wel een aangifte bevat maar geen uitdrukkelijk verzoek tot vervolging inhoudt, het bestaan van een klacht als omschreven in artikel 164, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, niettemin kan worden aangenomen, mits op grond van het onderzoek op de terechtzitting is vastgesteld dat de klager ten tijde van het opmaken van dat stuk de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld (vgl. HR 11 januari 1994, LJN ZC8448, NJ 1994/278). De Hoge Raad oordeelde vervolgens dat het oordeel van het Hof op grond van de verklaring van de aangeefster dat zij ten tijde van het doen van aangifte wenste dat tegen de verdachte een vervolging zou worden ingesteld, niet getuigde van een onjuiste rechtsopvatting. Hetgeen het Hof voorts nog heeft overwogen omtrent de door haar ingediende vordering als benadeelde partij, doet daaraan niet af, aldus de Hoge Raad.2

Uit het bovenstaande leidt de rechtbank af dat een aangifte, gedaan binnen drie maanden na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit, waaruit de bedoeling blijkt dat een vervolging kan worden ingesteld, voldoende is voor het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan. Een latere uiting van die vervolgingswens kan wel worden gezien als een bevestiging daarvan, maar is geen noodzakelijke voorwaarde voor de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan.

Toegepast op de strafzaak tegen de verdachte komt de rechtbank tot het volgende oordeel.

Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde feiten

Alle genoemde aangeefsters hebben tijdig aangifte gedaan, dat wil zeggen binnen drie maanden na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis had genomen van het gepleegde feit. De rechtbank heeft hierbij acht geslagen op de pleegdata/-perioden zoals genoemd in de processen-verbaal van aangifte en de datum waarop de betreffende aangiftes zijn gedaan.

Met uitzondering van [slachtoffer 6] , die een klacht heeft ingediend bij haar aangifte, heeft geen van de aangeefsters een formele klacht ingediend binnen de genoemde drie maanden.

In lijn met de genoemde arresten van de Hoge Raad van 27 maart 2012 en 4 december 2018 heeft de rechtbank onderzocht of anderszins binnen de genoemde drie maanden is gebleken dat de klachtgerechtigden vervolging van de verdachte wensten. De rechtbank beantwoordt deze vraag in alle gevallen bevestigend. Alle aangeefsters hebben bij hun aangiftes aangegeven dat zij geïnformeerd wilden worden omtrent het verloop van het onderzoek en dat zij hun schade wilden verhalen op de verdachte. De rechtbank komt op grond hiervan tot het oordeel dat voldoende vaststaat dat deze aangeefsters de vervolging van de verdachte hebben gewenst. Daarbij merkt de rechtbank op dat aangeefsters Van [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] op een later moment, buiten de genoemde termijn van drie maanden, deze vervolgingswens nogmaals hebben geuit, zo blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van de politie (p. 46 van het dossier).

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van alle onder feit 2 genoemde zaken.

Ten aanzien van feit 3: Aangeefsters [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 13] en [slachtoffer 2]

Aangeefsters [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 13] en [slachtoffer 2] hebben tijdig aangifte gedaan, dat wil zeggen binnen drie maanden na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis had genomen van het gepleegde feit. De rechtbank heeft hierbij acht geslagen op de pleegdata/-perioden zoals genoemd in de processen-verbaal van aangifte en de datum waarop de betreffende aangiftes zijn gedaan.

[slachtoffer 13] heeft bovendien tijdig een formele klacht ingediend. De overige aangeefsters, [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] , hebben dat niet gedaan. In lijn met de genoemde arresten van de Hoge Raad van 27 maart 2012 en 4 december 2018 heeft de rechtbank onderzocht of anderszins binnen de genoemde drie maanden is gebleken dat deze klachtgerechtigden de vervolging van de verdachte wensten. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] hebben bij hun aangiftes aangegeven dat zij geïnformeerd wilden worden omtrent het verloop van het onderzoek en dat zij hun schade wilden verhalen op de verdachte. De rechtbank komt op grond hiervan tot het oordeel dat voldoende vaststaat dat ook [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] de vervolging van de verdachte hebben gewenst.

Ditzelfde geldt ook voor [slachtoffer 2] die aangifte heeft gedaan op 21 december 2018 over de periode l juni 2018 tot en met 15 november 2018, waarbij zij heeft verklaard dat zij door de verdachte is afgedreigd. Zij moest hem geld betalen, haar bankrekening ter beschikking stellen bij het afdreigen van anderen en seks met de verdachte hebben, waarvan de laatste keer op 13 november 2018. Deze laatste datum valt daarmee binnen de vereiste termijn van drie maanden. Daarnaast heeft ook [slachtoffer 2] aangegeven dat zij geïnformeerd wilde worden omtrent het verloop van het onderzoek en dat zij haar schade wilde verhalen op de verdachte.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de onder feit 3 genoemde zaken van [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 13] en [slachtoffer 2] .

Ten aanzien van feit 3: Aangeefsters [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 14] en [slachtoffer 15] :

[slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 14] en [slachtoffer 15] hebben niet tijdig aangifte gedaan, dat wil zeggen niet binnen drie maanden na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis had genomen van het gepleegde feit. Alleen al hierom stuit de vervolging af op het bepaalde in artikel 66 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank zal het Openbaar Ministerie dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van de zaken [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 14] en [slachtoffer 15] .

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten. Op de specifieke standpunten zal de rechtbank hierna, voor zover relevant, nader in gaan.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de onder 2, met uitzondering van het feit voor zover dat betrekking heeft op aangeefster [slachtoffer 7] , en 3 ten laste gelegde feiten heeft de verdediging geen bewijsverweer gevoerd. De verdachte heeft ten aanzien van deze feiten een bekennende verklaring afgelegd. Ten aanzien van feit 2 ten aanzien van aangeefster [slachtoffer 7] is vrijspraak bepleit, nu dit feit buiten de ten laste gelegde periode ligt.

Ten aanzien van de feiten 1 en 4 heeft de verdediging vrijspraak bepleit. De verdediging heeft ten aanzien van beide aangeefsters gesteld dat de seks vrijwillig was. Op de specifieke verweren zal de rechtbank hierna, voor zover relevant, nader in gaan.

4.3

De beoordeling van de tenlastelegging3

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit [slachtoffer 1] )

[slachtoffer 1] heeft op 17 juli 2018 aangifte gedaan van verkrachting. Aangeefster kreeg op 4 juli 2018 (woensdag) een snapchatbericht van iemand met de [chatnaam] die berichtte dat hij foto’s van haar had die hij niet naar buiten zou brengen als zij 200 euro naar hem zou overmaken. [chatnaam] zei dat hij een account bij Snapchat had met 6.000 volgers en dat hem vanuit het hele land foto’s van meisjes werden gestuurd. Aangeefster liet weten dat zij dit geld niet had. [chatnaam] bood toen aan dat aangeefster bij hem langs zou komen. In dat geval zou ze maar 100 euro hoeven te betalen en mocht ze de foto’s zelf verwijderen. Aangeefster ging hiermee akkoord. [chatnaam] wilde een bedrag van 25 euro als verzekering dat zij het bedrag zou betalen en langs zou komen . Ook wilde hij een (nieuwe) naaktfoto waarop ook het hoofd van aangeefster stond. [chatnaam] instrueerde aangeefster hoe zij deze naaktfoto moest maken van zichzelf: zittend op haar knieën op bed. Aangeefster verstuurde de foto via Snapchat en zag dat [chatnaam] een screenshot hiervan maakte. Vervolgens stuurde [chatnaam] haar ook een Tikkie voor het bedrag van 25 euro. Aangeefster betaalde het bedrag. Op 6 juli 2018 (vrijdag) is aangeefster naar de woning van [chatnaam] gereden op de Jacob Schorerlaan in Den Haag. Bij binnenkomst in de woning zijn ze samen naar de slaapkamer van [chatnaam] gegaan.4

De verdachte heeft verklaard dat hij zich tegenover aangeefster heeft bediend van de [chatnaam] en dat hij geld heeft afgedreigd door aan haar te berichten dat hij naaktfoto’s van haar had die hij zou ‘exposen’ als zij niet zou betalen. Voorts heeft de verdachte verklaard dat het klopt dat aangeefster op 6 juli 2018 naar zijn woning is gekomen, dat zij samen naar zijn slaapkamer zijn gegaan en dat zij seks hebben gehad.5

Aangeefster heeft over hetgeen in de slaapkamer plaatsvond het volgende verklaard. De verdachte deed de deur dicht en zette een kastje voor de deur. Aangeefster kreeg daar een naar gevoel van. Aangeefster gaf de verdachte 25 euro in een briefje van 20 en 5 en vroeg of zij de foto’s mocht verwijderen. De verdachte zei dat dat niet mocht. De verdachte duwde haar tegen de muur aan en pakte haar met twee handen om haar keel. De verdachte zei dat zij naar hem moest luisteren. Aangeefster kreeg bijna geen lucht, maar zei dat ze dat zou doen. De verdachte zei dat zij haar kleren uit moest doen. Dat deed aangeefster. De verdachte zei dat ze op haar knieën moest gaan zitten. De verdachte had zijn broek een klein beetje naar beneden gedaan. De verdachte zei dat aangeefster hem moest pijpen, dat wil zeggen zijn piemel in haar mond moest nemen. De verdachte pakte hierbij aangeefsters hoofd vast. De verdachte kwam klaar in haar mond. De verdachte gooide haar vervolgens op bed. Aangeefster moest op haar buik/op haar knieën liggen met haar kont omhoog. De verdachte deed zijn penis in haar vagina en ging heen en weer. De verdachte trok een paar keer aan haar haren en sloeg een paar keer hard op haar kont.6

Conclusie

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde feit op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen. Aangeefster en de verdachte verklaren beiden immers dat de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Volgens de verdachte betrof dit vrijwillige seks. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte op dit punt echter ongeloofwaardig. De verdachte heeft aangeefster immers leren kennen doordat hij haar had afgedreigd via Snapchat. De reden dat aangeefster naar de verdachte is gegaan was er in gelegen om te voorkomen dat hij naaktfoto’s van haar zou ‘exposen’. De rechtbank is van oordeel dat aangeefster - een nog zeer jonge vrouw - in deze kwetsbare situatie, waarin de verdachte haar zelf had gebracht, een dergelijk overwicht op aangeefster heeft gehad dat zij zich gedwongen voelde de seksuele handelingen te ondergaan. De rechtbank vindt hiervoor steun in de verklaring van [getuige] die heeft verklaard dat aangeefster toen zij in de auto vanuit Den Haag zat, haar had gebeld. Ze was bang en wilde iemand om mee te praten. Ze vertelde dat de jongen eiste van haar om seks met hem te hebben om te voorkomen dat de naaktfoto’s door de verdachte zouden worden ‘exposed’.7 De verdachte had moeten begrijpen dat aangeefster de seksuele handelingen onder dwang heeft ondergaan. Dat zij zich niet heeft verzet doet niets af aan het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte.

De rechtbank acht het ten laste gelegde geweld niet bewezen. Voor dit laatste heeft de rechtbank immers niets anders aangetroffen dan de verklaring van aangeefster zelf. [getuige] heeft bij de politie niets over het door de verdachte toegepaste geweld verklaard. Dit terwijl zij aangeefster kort na de seks heeft gesproken. De verdachte ontkent ten stelligste enig geweld te hebben gebruikt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor dit onderdeel van de tenlastelegging, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde feiten

[slachtoffer 7] : Vrijspraak

De rechtbank zal de verdachte vrijspreken, nu het feit zoals ten laste gelegd niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De in het proces-verbaal van aangifte genoemde pleegperiode valt buiten de ten laste gelegde periode.

[slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6]

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank is met betrekking tot deze onder 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, kan worden volstaan, nu de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank bezigt de volgende bewijsmiddelen voor de bewezenverklaring:

  1. de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 december 2019;

  2. het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] van de politie eenheid Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, basisteam Ede, nr. PL0600-2018273032-1, d.d. 25 juni 2018, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (blz. 125-127);

  3. het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4] van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Centrum, nr. PL1500-2018066255-1, d.d. 13 maart 2018, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (blz. 112-114);

  4. het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 5] van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-West, basisteam Scheveningen, nr. PL1500-2018158130-1, d.d. 15 juni 2018, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (blz. 98-101);

  5. het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 6] van de politie eenheid Oost-Brabant, district Eindhoven, basisteam De Kempen, nr. PL2100-2018073700-1, d.d. 18 april 2018, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (blz. 54-57).

Ten aanzien van de onder 3 ten laste gelegde feiten ( [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 13] en [slachtoffer 2] )

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank is met betrekking tot de onder 3 ten laste gelegde feiten ( [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] , De [slachtoffer 13] en [slachtoffer 2] ) van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank bezigt de volgende bewijsmiddelen voor de bewezenverklaring:

  1. de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 december 2019;

  2. het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 8] van de politie eenheid Oost-Brabant, district Helmond, basisteam Peelland, nr. PL2100-2018136918-1, d.d. 12 juli 2018, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (blz. 135-137);

  3. het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 9] van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, district Zeeland, basisteam Walcheren, nr. PL2000-2018129590-1, d.d. 6 juni 2018, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (blz. 87-89);

  4. het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 10] van de politie eenheid Den Haag, district Leiden-Bollenstreek, basisteam Leiden-Zuid, nr. PL1500-2018164462-1, d.d. 5 juli 2018, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (blz. 83-86);

  5. het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 13] van de politie eenheid Limburg, district Zuid-West-Limburg, basisteam Westelijke Mijnstreek, d.d. 21 januari 2019, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (blz. 362-364);

  6. het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] van de politie eenheid Den Haag, dienst regionale recherche, afdeling thematische opsporing, team zeden, nr. PL1500-2018328775-1, d.d. 21 december 2018, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (blz. 671-688).

Ten aanzien van de onder 4 ten laste gelegde feiten

Op 6 december 2018 heeft [slachtoffer 2] een verklaring afgelegd, waarin zij, kort gezegd, de verdachte beschuldigt van afdreiging en verkrachting.8 Op 21 december 2018 heeft zij aangifte gedaan.9

Uit de verklaringen en enkele aanvullende processen-verbaal van bevinding komt het volgende naar voren.

Eind mei 2018 heeft aangeefster de verdachte leren kennen via datingsite Badoo. Via Snapchat nam hij contact met haar op onder de naam [chatnaam] . De verdachte berichtte dat hij over naaktfoto’s van haar beschikte en dat hij deze zou versturen naar haar school en haar ouders, tenzij zij hem zou betalen. Aangeefster raakte hierdoor in paniek en heeft de verdachte betaald middels een Tikkie. Ook moest aangeefster haar bankrekening ter beschikking stellen zodat hij hetzelfde bij andere meiden kon doen. Op zeker moment wilde de verdachte dat aangeefster naar hem toe kwam, hetgeen zij drie keer heeft gedaan. Aangeefster heeft drie keer tegen haar wil seks met de verdachte gehad. De eerste keer was op het woonadres van de verdachte (in Den Haag), de tweede keer was in een invalidentoilet in een universiteitsgebouw waar de verdachte een gesprek had met zijn scriptiebegeleider en de derde keer was (weer) op het woonadres van de verdachte. Het contact met de verdachte eindigde op 13 november 2018.

De eerste keer dat zij seks hadden, was voor het begin van de zomervakantie in 2018. Toen aangeefster in zijn slaapkamer was, zette de verdachte een kastje voor de deur. Aangeefster moest het geld geven en zich uitkleden. De verdachte pakte aangeefster bij haar keel. De verdachte zei tegen haar dat ze goed moest luisteren en dat hij gemener zou worden en haar pijn zou doen. Aangeefster moest zich uitkleden om seks met de verdachte te hebben. Aangeefster had hier niets over afgesproken met de verdachte. De verdachte duwde aangeefster tegen de muur. Aangeefster was bang dat de verdachte haar pijn zou doen. Aangeefster moest de verdachte pijpen en aan zijn ballen zitten. De verdachte kwam klaar in haar mond. Aangeefster moest alles doorslikken, anders zou de verdachte haar slaan. Aangeefster moest vervolgens op het bed gaan liggen. Aangeefster moest op haar buik met haar billen omhoog gaan liggen, op haar handen en knieën. Ze moest haar billen ‘opentrekken’ zodat hij haar kon penetreren en seks kon hebben tot hij klaar kwam in haar. Toen ging de verdachte op het bed liggen en moest zij zijn anus likken. De verdachte lag op zijn rug. Aangeefster moest op haar knieën voor het bed gaan zitten. Dat wilde aangeefster niet. Toen kwam de verdachte omhoog en sloeg aangeefster in haar gezicht, op haar wang. De verdachte zei: ‘Je gaat het gewoon doen.’ Aangeefster heeft het toen toch gedaan. De verdachte heeft vervolgens nogmaals vaginale seks met aangeefster gehad en is ook toen weer in haar klaargekomen.

De tweede keer was in een toiletruimte nadat de verdachte een gesprek had gehad met zijn scriptiebegeleider. Aangeefster moest hem toen pijpen. Aangeefster moest de verdachte meerdere keren laten klaarkomen en zijn sperma doorslikken, anders zou de verdachte aangeefster weer slaan.

De derde keer vond weer plaats in de slaapkamer van de verdachte (in zijn woning in Den Haag). Aangeefster moest dezelfde handelingen verrichten als de eerste keer, alleen was de volgorde anders.10

De verdachte heeft verklaard dat hij zich tegenover aangeefster (aanvankelijk) had bediend van de [chatnaam] en dat hij geld had afgedreigd door aan haar te berichten dat hij naaktfoto’s van haar had die hij zou ‘exposen’ als zij niet zou betalen. Voorts heeft de verdachte verklaard dat het klopt dat hij met aangeefster in de genoemde periode drie keer seks heeft gehad, tweemaal bij hem thuis in de slaapkamer in Den Haag en eenmaal in het invalidentoilet van een universiteitsgebouw in Amstelveen, waarbij de seksuele handelingen zijn gepleegd die zij heeft omschreven.11

Conclusie

De rechtbank acht het onder 4 ten laste gelegde feit op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen. Aangeefster en de verdachte verklaren beiden immers dat de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Volgens de verdachte betrof dit vrijwillige seks. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte op dit punt echter ongeloofwaardig. De verdachte heeft aangeefster immers leren kennen doordat hij haar had afgedreigd via Snapchat. De reden dat aangeefster naar de verdachte is gegaan was er in gelegen om te voorkomen dat hij naaktfoto’s van haar zou ‘exposen’. De rechtbank is van oordeel dat aangeefster - een nog zeer jonge vrouw - in deze kwetsbare situatie, waarin de verdachte haar zelf had gebracht, een dergelijk overwicht op aangeefster heeft gehad dat zij zich gedwongen voelde de seksuele handelingen te ondergaan. De verdachte had moeten begrijpen dat aangeefster de seksuele handelingen onder dwang heeft ondergaan. Dat zij zich niet heeft verzet doet niets af aan het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte.

De rechtbank acht het ten laste gelegde geweld en bedreiging daarmee niet bewezen. Voor dit laatste heeft de rechtbank immers niets anders aangetroffen dan de verklaring van aangeefster zelf. De verdachte ontkent ten stelligste enig geweld te hebben gebruikt of daarmee te hebben gedreigd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor dit onderdeel van de tenlastelegging, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

1.

in de periode van 4 tot en met 6 juli 2018 in Den Haag, in elk geval in Nederland, een feitelijkheid en/of bedreiging met een feitelijkheid, [slachtoffer 1] , heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , door

- een psychisch en een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht op die [slachtoffer 1] te creëren, onder meer door het verkrijgen/verwerven van pikante/naaktfoto's van die [slachtoffer 1] en dreigen met deze te publiceren/openbaar te maken (tenzij die [slachtoffer 1] zou doen wat hij, verdachte, zei/wilde), en

- aldus een voor die [slachtoffer 1] (ongelijkwaardige) situatie te doen ontstaan waaraan of waardoor die [slachtoffer 1] zich niet kon verzetten tegen de genoemde seksuele handelingen;

en door

- de deur van de slaapkamer dicht te doen en die deur te blokkeren door er een kastje voor te zetten, en

- die [slachtoffer 1] haar kleren te laten uittrekken en op haar knieën te laten plaatsnemen, en

- zijn, verdachtes, penis, in de mond van die [slachtoffer 1] te duwen en heen en weer te bewegen, en

- die [slachtoffer 1] (vervolgens) op bed te duwen en aan het haar van die [slachtoffer 1] te trekken en op haar billen te slaan, terwijl hij, verdachte, zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 1] heeft gebracht en heen en weer heeft bewogen;

2.

op tijdstippen in de periode van 1 februari 2018 tot en met 31 augustus 2018 in Den Haag

en/of elders in Nederland, telkens, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf

om met het oogmerk om zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen, personen ( [slachtoffer 3]

en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] , door bedreiging met openbaring van een

geheim, te dwingen tot de afgifte van een goed, te weten een geldbedrag, en/of het

verrichten van seksuele diensten bij verdachte, telkens

- een (erotisch getint) contact is aangegaan via Baddoo, Tinder, WhatsApp, Snapchat en/of Instagram en/of andere social media met die perso(o)n(en) en daaruit, dan wel op andere wijze, naaktfoto's en/of-filmpjes van die perso(o)n(en) (op verzoek) heeft verkregen en vervolgens

- die perso(o)n(en) dreigende en/of dwingende berichten heeft gestuurd en/of heeft gebeld waarbij hij, verdachte, dwingende en/of dreigende uitlatingen en/of eisen deed, onder meer inhoudende dat hij die perso(o)n(en) zou "exposen" op internet en/of die foto's en/of filmpjes aan de familie, vrienden en/of werkgever(s) en/of collega('s) van voornoemde perso(o)n(en) zou sturen, als zij niet (een) naaktfoto('s) en/of filmpje(s) en/of geldbedragen zou(den) sturen en/of geven en/of doen toekomen/overmaken en/of seksuele diensten bij verdachte zou(den) verrichten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf telkens niet is voltooid.

3.

op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2017 tot en met 27 november 2018 in Den Haag

en/of elders in Nederland, meermalen, met het oogmerk om zichzelf wederrechtelijk te

bevoordelen, personen [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] en [slachtoffer 13] en

[slachtoffer 2] ), telkens door bedreiging met openbaring van een geheim, heeft gedwongen tot

de afgifte van een goed, te weten een geldbedrag, en/of het verrichten van seksuele

handelingen bij verdachte, immers heeft verdachte telkens

- ( erotisch getint) contact gelegd via Baddoo, Tinder, WhatsApp, Snapchat en/of Instagram en/of andere social media met die perso(o)n(en) en/of daaruit, dan wel via andere wijze, naaktfoto's en/of-filmpjes van die perso(o)n(en) verkregen/verworven en vervolgens

- die perso(o)n(en) dreigende en/of dwingende berichten gestuurd en/of gebeld waarbij hij, verdachte, dwingende en/of dreigende uitlatingen en/of eisen de(e)d(en), onder meer inhoudende dat hij die perso(o)n(en) zou(den) "exposen" op internet en/of die foto's en/of filmpjes aan de familie, vrienden en/of werkgever(s) en/of collega('s) van voornoemde perso(o)n(en) zou(den) sturen, als zij niet een geldbedragen zou(den) sturen en/of geven en/of doen toekomen/overmaken en/of seksuele diensten bij verdachte zou(den) verrichten;

4.

op drie tijdstippen in de periode van 1 mei 2018 tot en met 13 november 2018 in Den Haag

en Amstelveen, in elk geval in Nederland, telkens door een feitelijkheid en/of bedreiging

met een feitelijkheid, [slachtoffer 2] , heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die

bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[slachtoffer 2] , door telkens:

- een psychisch en een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht op die [slachtoffer 2] te creëren, onder meer door het verkrijgen/verwerven van pikante/ naaktfoto's van die [slachtoffer 2] en vervolgens dreigen met deze te exposen op internet/publiceren/openbaar te maken/te verspreiden (tenzij die [slachtoffer 2] zou doen wat hij, verdachte, zei/wilde) en/of andere soortgelijke dwingende en/of dreigende uitlatingen te doen jegens die [slachtoffer 2] en

- aldus telkens een voor die [slachtoffer 2] (ongelijkwaardige) situatie te doen ontstaan waaraan of waardoor die [slachtoffer 2] zich niet kon verzetten tegen genoemde seksuele handelingen

en

- de deur van de slaapkamer dicht te doen en die deur te blokkeren door er een kastje voor te zetten, en

- die [slachtoffer 2] haar kleren te laten uittrekken en op haar knieën te laten plaatsnemen, en

- zijn, verdachtes, penis, in de mond van die [slachtoffer 2] te duwen en heen en weer te bewegen, en

- die [slachtoffer 2] aan zijn ballen te laten zitten, en

- in de mond van die [slachtoffer 2] klaar te komen en

- ( vervolgens) zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 2] heeft gebracht en heen en weer bewogen en

- die [slachtoffer 2] de anus van hem, verdachte, te laten likken

en

- die [slachtoffer 2] mee te nemen in een openbare wc en die ruimte af te sluiten, en

- die [slachtoffer 2] op haar knieën te laten plaatsnemen en

- zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 2] te duwen en heen en weer te bewegen, en

- in de mond van die [slachtoffer 2] klaar te komen.

Voor zover in de tenlastelegging typ- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft oplegging gevorderd van een contactverbod met de slachtoffers op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (vrijheidsbeperkende maatregel).

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft (subsidiair) een strafmaatverweer gevoerd, gebaseerd op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Voor zover relevant zal de rechtbank hierna nader ingaan op hetgeen de verdediging heeft aangevoerd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afdreigingen met gebruikmaking van naaktfoto’s en/of -video’s van de slachtoffers en pogingen hiertoe. Het gaat hierbij in totaal om tien slachtoffers. In de zaken waarin de verdachte slaagde in zijn afdreigingen wist hij de slachtoffers, door de macht die hij over hen had, geld afhandig te maken. Daarbij ging hij zeer berekenend en lafhartig te werk door veelal eerst het vertrouwen van de slachtoffers te winnen door een geanimeerd chatgesprek met hen aan te gaan, waarbij hij hen uiteindelijk vroeg een naaktfoto van zichzelf aan hem te sturen. Vervolgens veranderde de verdachte van toon en ging hij over tot de afdreigingen met behulp van diezelfde naaktfoto’s waardoor de slachtoffers vanaf dat moment in angst leefden onder dreiging van het ‘exposen’ van hun naaktfoto’s. Ten aanzien van twee van deze slachtoffers slaagde de verdachte er bovendien in om seksuele handelingen af te dwingen voor zijn eigen genot. De verdachte heeft deze twee slachtoffers verkracht, één van hen zelfs tot driemaal toe.

De verdachte heeft door zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers van de afdreigingen en de pogingen hiertoe. Uit de verklaringen van de slachtoffers blijkt de grote impact op hun leven. Dit geldt in nog sterkere mate voor de twee slachtoffers van verkrachting. Ten aanzien van deze slachtoffers heeft de verdachte niet alleen een forse inbreuk gemaakt op hun persoonlijke levenssfeer, maar ook op hun lichamelijke integriteit.

De verdachte heeft bij zijn handelen slechts zijn eigen gewin en persoonlijk genot nagestreefd zonder zich maar een enkel moment te bekommeren om het lot van de slachtoffers. De rechtbank rekent dit alles de verdachte zeer zwaar aan.

De verdachte is blijkens zijn blanco strafblad niet eerder met justitie in aanraking gekomen.

Uit het psychologisch onderzoek (Pro Justitia) komt naar voren dat de verdachte, alhoewel hij beschikt over een gemiddelde intelligentie, weinig oog en interesse heeft voor het welzijn van anderen. De verdachte heeft een vrij hoge dunk van zichzelf en is van mening een bijzondere bejegening te verdienen. Er is geen sprake van een persoonlijkheidsstoornis, maar de verdachte heeft wel narcistische persoonlijkheidstrekken. Ook leidt de genoemde houding van de verdachte tot beperkingen in zijn functioneren. Geadviseerd wordt het tenlastegelegde volledig toe te rekenen aan de verdachte.

De reclassering heeft geadviseerd de door de psycholoog gesignaleerde problematiek bij de voorwaardelijke invrijheidstelling aan de orde te laten komen in de vorm van een behandeltraject bij De Waag of een soortgelijke zorgverlener.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, uitsluitend een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Deze straf is lager dan de eis van de officier van justitie, nu zij is uitgegaan van meer strafbare feiten dan de rechtbank bewezen acht.

De rechtbank ziet geen reden om thans een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen zoals gevorderd, nu dit te zijner tijd (voor zover nog relevant) als voorwaarde bij de voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden opgenomen.

8. De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen

1. [slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 25.371,27.

2. [slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 20.110,20.

3. [slachtoffer 9] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.760,44.

4. [slachtoffer 15] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.684,81.

5. [slachtoffer 13] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.378,53.

6. [slachtoffer 12] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.400,-.

7. [slachtoffer 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.550,-.

8. [slachtoffer 14] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 20,-.

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van alle genoemde vorderingen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De officier van justitie heeft verzocht bij toewijzing van een vordering de gevorderde wettelijke rente toe te kennen alsmede de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.2

Het standpunt van de verdediging

1. De verdediging heeft primair niet-ontvankelijkheid bepleit nu de verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan de vordering ten grondslag liggende feit. De verdediging heeft subsidiair geen verweer gevoerd tegen de materiële schade. De verdediging heeft subsidiair matiging bepleit van de immateriële schade. De verdediging heeft daartoe gewezen op de jurisprudentie.

2. De verdediging heeft primair niet-ontvankelijkheid bepleit nu de verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan de vordering ten grondslag liggende feit. De verdediging heeft subsidiair gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering nu deze onvoldoende is onderbouwd. De verdediging heeft meer subsidiair matiging bepleit van de immateriële schade. De verdediging heeft daartoe gewezen op de jurisprudentie.

3. De verdediging heeft primair de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering bepleit, nu het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vervolging ten aanzien van het aan de vordering van de benadeelde partij ten grondslag liggende feit. De verdediging heeft subsidiair gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering (zowel ten aanzien van de materiële als de immateriële schade) nu deze onvoldoende is onderbouwd. De verdediging heeft meer subsidiair matiging bepleit van de immateriële schade. De verdediging heeft daartoe gewezen op de jurisprudentie.

4. De verdediging heeft primair de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering bepleit, nu het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vervolging ten aanzien van het aan de vordering van de benadeelde partij ten grondslag liggende feit. De verdediging heeft subsidiair geen verweer gevoerd tegen de materiële schade. De verdediging heeft subsidiair gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering van immateriële schade nu deze onvoldoende is onderbouwd. De verdediging heeft meer subsidiair matiging bepleit van de immateriële schade. De verdediging heeft daartoe gewezen op de jurisprudentie.

5. De verdediging heeft primair de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering bepleit, nu het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vervolging ten aanzien van het aan de vordering van de benadeelde partij ten grondslag liggende feit. De verdediging heeft subsidiair geen verweer gevoerd tegen de materiële schade. De verdediging heeft subsidiair gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering van immateriële schade nu deze onvoldoende is onderbouwd. De verdediging heeft meer subsidiair matiging bepleit van de immateriële schade. De verdediging heeft daartoe gewezen op de jurisprudentie.

6. De verdediging heeft primair de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering bepleit, nu het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vervolging ten aanzien van het aan de vordering van de benadeelde partij ten grondslag liggende feit. De verdediging heeft subsidiair geen verweer gevoerd tegen de materiële schade. De verdediging heeft subsidiair gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering van immateriële schade nu deze onvoldoende is onderbouwd. De verdediging heeft meer subsidiair matiging bepleit van de immateriële schade. De verdediging heeft daartoe gewezen op de jurisprudentie.

7. De verdediging heeft primair de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering bepleit, nu het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vervolging ten aanzien van het aan de vordering van de benadeelde partij ten grondslag liggende feit. De verdediging heeft subsidiair gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering van immateriële schade nu deze onvoldoende is onderbouwd. De verdediging heeft meer subsidiair matiging bepleit van de immateriële schade. De verdediging heeft daartoe gewezen op de jurisprudentie.

8. De verdediging heeft de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering bepleit, nu het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vervolging ten aanzien van het aan de vordering van de benadeelde partij ten grondslag liggende feit.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de benadeelde partijen 4, 6 en 8 ( [slachtoffer 15] , [slachtoffer 12] en [slachtoffer 14] )

De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen, aangezien het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de aan de vorderingen ten grondslag liggende feiten.

Ten aanzien van de andere benadeelde partijen:

1. [slachtoffer 1]

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post materiële schade, is door of namens de verdachte (subsidiair) niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit.

Ter zake van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank, gelet op hetgeen namens de benadeelde partij ter toelichting is aangevoerd, naar billijkheid een bedrag van € 5.000,- toewijzen, nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 5.371,27.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 6 juli 2018, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering verklaren, aangezien de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat de vordering in zoverre onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte voor het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.371,27 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 juli 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [slachtoffer 1] .

2. [slachtoffer 2]

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten Nike-trui en reiskosten, is tot een bedrag van € 80,- voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 3 en 4 bewezenverklaarde feiten.

Ter zake van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank, gelet op hetgeen namens de benadeelde partij ter toelichting is aangevoerd, naar billijkheid een bedrag van € 7.500,- toewijzen, nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 3 en 4 bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 7.580,-.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 13 november 2018, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering verklaren, aangezien de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat de vordering in zoverre onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte voor de onder 3 en 4 bewezenverklaarde strafbare feiten zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.580,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 13 november 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [slachtoffer 2] .

3. L.F.M. [slachtoffer 9]

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de materiële schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat deze schade niet voldoende is onderbouwd. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ter zake van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank, gelet op hetgeen de benadeelde partij ter toelichting heeft aangevoerd, naar billijkheid een bedrag van € 500,- toewijzen, nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 500,-.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 6 juni 2018, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering verklaren, aangezien de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat de vordering in zoverre onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte voor het onder 3 bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 500,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 juni 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [slachtoffer 9] .

5. [slachtoffer 13]

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade (€ 78,53), is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde feit.

Ter zake van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank, gelet op hetgeen de benadeelde partij ter toelichting heeft aangevoerd, naar billijkheid een bedrag van € 500,- toewijzen, nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 578,53,-.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 30 november 2018, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering verklaren, aangezien de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat de vordering in zoverre onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte voor het onder 3 bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 578,53,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 november 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [slachtoffer 13] .

7. F[slachtoffer 5]

Ter zake van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank, gelet op hetgeen de benadeelde partij ter toelichting heeft aangevoerd, naar billijkheid een bedrag van € 500,- toewijzen, nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 500,-.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 14 juni 2018, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering verklaren, aangezien de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat de vordering in zoverre onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte voor het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 500,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 juni 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [slachtoffer 5] .

9 De inbeslaggenomen goederen

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de beslaglijst genoemde tablet (computer, ICT Windows) en telefoon (Samsung Galaxy S9) zullen worden verbeurdverklaard en dat de genoemde BlackBerry zal worden teruggegeven aan de verdachte.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 (computer, ICT Windows) en 2 (telefoontoestel Samsung Galaxy S9) genoemde voorwerpen verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn daarvoor vatbaar, aangezien zij aan de verdachte toebehoren en met behulp van deze voorwerpen de onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid.

Voorts zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van het onder 3 genoemde voorwerp (BlackBerry), nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet.

10 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 57, 242 en 318 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging ter zake van feit 3, voor wat betreft de zaken [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 14] en [slachtoffer 15] ;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.4 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

verkrachting;

ten aanzien van feit 2:

poging tot afdreiging, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3:

afdreiging, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 4:

verkrachting, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen:

verklaart de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [slachtoffer 15] , [slachtoffer 12] en [slachtoffer 14] niet-ontvankelijk;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 9] , De [slachtoffer 13] en [slachtoffer 5] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

  1. [slachtoffer 1] een bedrag van € 5.371,27, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 juli 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

  2. [slachtoffer 2] een bedrag van € 7.580,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 13 november 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

  3. [slachtoffer 9] een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 juni 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

  4. [slachtoffer 13] een bedrag van € 578,53, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 november 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

  5. [slachtoffer 5] een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 juni 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 13] en [slachtoffer 5] voor het overige deel niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding en de vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 13] en [slachtoffer 5] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

Schadevergoedingsmaatregelen

1. legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.371,27, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 juli 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [slachtoffer 1] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 61 dagen (de toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op);

2. legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 7.580,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 13 november 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [slachtoffer 2] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 72 dagen (de toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op);

3. legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 juni 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [slachtoffer 9] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen (de toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op);

4. legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 578,53,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 november 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [slachtoffer 13] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 11 dagen (de toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op);

5. legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 juni 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [slachtoffer 5] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen (de toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op);

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;

ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen:

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1 en 2 genoemde voorwerpen, te weten: een computer (tablet, ICT Windows) en een Samsung Galaxy S9;

gelast de teruggave aan de verdachte van het op de beslaglijst onder 3 genoemde voorwerp, te weten: een BlackBerry.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.W.E. de Ruiter, voorzitter,

mr. J. Holleman, rechter,

mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.M. Molenaar, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 januari 2020.

1 Hoge Raad, 4 december 2018, nr. 17/01187, ECLI:NL:HR:2018:2242.

2 Hoge Raad, 27 maart 2012, nr. S 10/05070, ECLI:NL:HR:2012:BV6662.

3 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de bladzijden van het proces-verbaal ‘Onderzoeksdossier Monarch’ met het parketnummer 09/842297-18, van de politie Zeeland-West-Brabant, districtsrecherche Zeeland, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 893).

4 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , blz. 588-595.

5 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 19 december 2019.

6 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , blz. 588-595.

7 Proces-verbaal van verklaring van [getuige] , blz. 666-670.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer 2] , blz. 272-277.

9 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , blz. 671 e.v.

10 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , blz. 671 e.v.; proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer 2] , blz. 272-277; proces-verbaal van bevindingen (vaginale verkrachting), blz. 691; proces-verbaal van bevindingen (toilet in gebouw VU faculteit rechten, Amstelveen), blz. 692 e.v.

11 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 19 december 2019.