Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2444

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
10-04-2020
Zaaknummer
C/09/566323 / HA ZA 19-45
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Zorgplicht assurantietussenpersoon. Overname verzekeringsportefeuille door assurantietussenpersoon. Brand breekt uit in loods. Onderverzekering en ontbrekende verzekeringen. Aansprakelijkheid tussenpersoon en eigen schuld verzekerde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/566323 / HA ZA 19-45

Vonnis van 18 maart 2020

in de zaak van

[V.O.F. I] te [plaats 1] ,

eiseres,

advocaat: mr. E.J. Eijsberg te Rotterdam,

tegen

1 [V.O.F. II] . te [plaats 1] ,

2. [gedaagde sub 2] te [plaats 2] ,

3. [gedaagde sub 3]te [plaats 3] ,

gedaagden,

advocaat mr. P.M. Leerink te Deventer.

Partijen zullen hierna [V.O.F. I] , [V.O.F. II] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] genoemd worden. Gedaagden zullen gezamenlijk eveneens worden aangeduid als [V.O.F. II] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 december 2018 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 3 april 2019, waarin een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    de akte overlegging producties van 19 december 2019 van [V.O.F. I] ;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van 19 december 2019 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie van 19 december 2019 is met instemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het aanvullingen of feitelijke onjuistheden betreft. [V.O.F. I] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 8 januari 2020. Deze brief maakt deel uit van het procesdossier en het vonnis wordt gewezen met inachtneming van deze brief.

1.3.

Ten slotte is een datum voor het vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In 1977 is de heer [A sr.] in de vorm van een eenmanszaak een boomkwekerijbedrijf gestart. Hij heeft toen op het adres [adres 1] een loods laten bouwen. De loods en de zich daarin bevindende inventaris, materialen, gereedschappen en siergewassen heeft [A sr.] via zijn toenmalige assurantietussenpersoon [X] laten verzekeren bij Nedasco Verzekeringen B.V. (hierna: Nedasco) als gevolmachtigde van Delta Lloyd Schadeverzekeringen N.V. (hierna: Delta Lloyd).

2.2.

In 1989 is de boomkwekerij overgegaan in een vennootschap onder firma: [V.O.F. I] . [V.O.F. I] werd gedreven door [A sr.] en zijn zoons [zoon 1] en [zoon 2] .

2.3.

[V.O.F. II] is een assurantietussenpersoon. Haar vennoten zijn [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] . [V.O.F. II] heeft in 1999 de verzekeringsportefeuille van [X] gekocht. Tot die portefeuille behoorden de aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren van [A sr.] , de opstalverzekering voor de loods op [adres 1] en een verzekering voor een vrachtauto van [V.O.F. I] . [V.O.F. II] heeft [V.O.F. I] van de overname van de verzekeringsportefeuille op de hoogte gesteld.

2.4.

[A sr.] is omstreeks 2002 met pensioen gegaan. Sindsdien wordt de vennootschap gedreven door [zoon 1] en [zoon 2] .

2.5.

Tussen de overname van de assurantieportefeuille door [V.O.F. II] in 1999 en 2010 heeft er geen contact plaatsgevonden tussen [V.O.F. II] en [V.O.F. I] , anders dan dat [V.O.F. I] de polisbladen via [V.O.F. II] ontving en dat [V.O.F. II] de premie incasseerde.

2.6.

In 2010 heeft [V.O.F. I] een loods en een kantoor gekocht op [adres 2] . [V.O.F. I] heeft toen contact opgenomen met [V.O.F. II] met het verzoek de benodigde verzekering(en) voor de nieuwe loods te regelen. Op 20 januari 2010 heeft [V.O.F. II] [V.O.F. I] bezocht. Diezelfde dag heeft [V.O.F. II] aan Delta Lloyd verzocht de loods en het kantoor op [adres 2] in voorlopige dekking te nemen en de polissen voor [adres 2] en [adres 1] samen te voegen in een agrarisch ondernemerspakket.

2.7.

Op of omstreeks 10 februari 2010 heeft de heer [B] (hierna: [B] ), destijds agrarisch inspecteur bij Delta Lloyd, de loods en het kantoor op [adres 2] getaxeerd. [B] heeft de door hem getaxeerde bedragen met de bijbehorende geoffreerde premies aan [V.O.F. II] gefaxt. [V.O.F. II] heeft op de fax de volgende aantekening gemaakt:

+ loods [adres 1] ongewijzigd bijvoegen

2.8.

Bij brief van 11 februari 2010 heeft [V.O.F. II] de offerte van Delta Lloyd met betrekking tot [adres 2] aan [V.O.F. I] doorgegeven. In de brief staat ook het volgende:

“Ik heb een brochure bijgevoegd van het Agrarisch Ondernemerspakket. Hierin kunnen alle agrarische polissen opgenomen worden, zoals aansprakelijkheid, bedrijfspanden, gewassen en kassen, maar ook vervoersmiddelen kunnen hierin opgenomen worden. Het voordeel is dat er vaak maar 1 eigen risico berekend wordt, maar ook dat er een korting gegeven wordt, afhankelijk van het aantal polissen.

Graag maak ik een afspraak, om te bezien of het voordelig is qua voorwaarden en qua premie, een dergelijk pakket voor u samen te stellen. Gezien onze ervaring in de boomkwekerij kennen wij goed de weg in verzekeringswereld.

Ook heb ik bijgevoegd een intermediairswijziging met betrekking tot het bedrijfspand op het [adres 1] . Deze kan ook toegevoegd worden aan de polis, waar de andere 2 opstallen [de loods en het kantoor op [adres 2] , rb] op verzekerd worden.

Graag zie ik het getekende aanvraagformulier retour, of een telefoontje om een afspraak te maken.”

2.9.

[V.O.F. I] heeft het bij de brief meegestuurde aanvraagformulier ondertekend en aan [V.O.F. II] geretourneerd, waarna [V.O.F. II] het aan Delta Lloyd heeft gestuurd. Ook heeft [V.O.F. II] aan Nedasco verzocht om de lopende opstalpolis voor [adres 1] over te zetten naar een rechtstreeks via [V.O.F. II] als tussenpersoon lopende verzekering bij Delta Lloyd. Blijkens het polisblad van 1 juni 2010 bedroeg de verzekerde som van de opstalverzekering voor [adres 1] € 52.185,-.

2.10.

[V.O.F. II] stelt dat zij op 4 juni 2010 een e-mail aan [V.O.F. I] heeft gestuurd met de volgende inhoud (typefouten conform origineel):

“In mijn beleving hebben we het volgende afgesproken.

De loods en het kantoor zouden gesloten worden bij Delta Lloyd tegen de premies die genoemd zijn, en daarvoor is voor getekend op het aanvraagformulier. We maken er een ondernemerspakket van, waarbij we dan eventueel andere produkten kunnen toevoegen, om op deze wijze een makkelijk en overzichtelijk pakket te hebben, waarbij tevens een kortingsregeling van toepassing is. Ook de loods op [adres 1] en de inventaris zouden bij Nedasco weggehaald worden en in het pakket komen, net als de vrachtwagen. Alle polissen die dan bij [V.O.F. II] lopen, zitten dan in het pakket en staan op naam [V.O.F. I] . (dit is niet goed gegaan en wordt gewijzigd).

Verder zou ik van jullie een kopie krijgen van de reeds lopende aanspraelijkheidsverzekering bedrijven, de rechtsbijstand en milieuverzekering, zodat we kunnen kijken of dit extra korting oplevert. Vaak is het zo, als er meerdere polissen bij komen, het kortings% omhoog gaat. Ik heb die kopieen nog niet gezien (…).

Graag even een reactie, want uiteraard kan ik het ook bij het verkeerde eind hebben.”

2.11.

Op 31 mei 2011 heeft [V.O.F. II] aan [V.O.F. I] een brief gestuurd waarin onder andere het volgende staat:

“(…) Volgens mij is in het verleden besproken, de opstal, bedrijfsvoorraden, oogstprodukten, en inventaris, aanwezig op het adres van uw vader, over te hevelen naar de maatschappij waar ook het kantoor en loods op [adres 1] op verzekerd zijn.

Deze zaken waren verzekerd bij Nedasco, echter in een Delta Lloyd-volmacht. Gezien het feit dat deze verzekerde zaken bij het zelfde bedrijf horen, is alles op 1 relatienummer gezet, wat het ook makkelijker maakt, omdat wellicht inventaris op 2 adressen gebruikt wordt.

Wij verzekeren vaak een algemene inventaris als 1 sub, en zetten er de clausule op, dat deze inventaris op verschillende adressen aanwezig kan zijn. Dit voorkomt problemen en onduidelijkheden bij schade. Mijn voorkeur gaat dan ook uit naar 1 overkoepelende polis, met alle subs van het bedrijf.

Ik ben in de volle overtuiging, dat dit besproken is. Ook het feit dat de Canter [bedrijfsauto, rb] hierbij opgezet kan worden, en dat er vervolgens een Agrarisch Pakket ontstaat, wat weer 10% korting op kan leveren.”

2.12.

Eind 2013 hebben [V.O.F. I] en [V.O.F. II] weer contact met elkaar gehad naar aanleiding van een stormschade aan de opstal op [adres 2] . Toen bleek dat de inventaris op [adres 2] niet was verzekerd en dat er ook geen bedrijfsschadeverzekering was.

2.13.

Op 7 januari 2014 – dus kort na de stormschade – heeft [V.O.F. II] aan [V.O.F. I] een brief gestuurd. In deze brief staat het volgende opgenomen:

“(…) Als bijlage 2 nieuwe nota’s voor 2014 en een overzicht van het pakket.

Misschien is het verstandig, snel een afspraak te maken, om alles door te lopen, de gehele inventaris en gebouwen. Ik denk ook dat we de inventaris/produkten moeten verzekeren op 2 adressen, zodat t niet meer belangrijk is WAAR de spullen zijn, maar op twee adressen verzekerd zijn.

Tevens kan dan ook je AOV (arbeidsongeschiktheidsverzekering) aan de orde komen, en de aansprakelijkheidsverzekering, want die loopt niet bij mij, en is wel een belangrijke polis (…).”

2.14.

Op 17 mei 2018 is brand uitgebroken in de loods op [adres 1] . De expert van Delta Lloyd, Dekra, en de expert van [V.O.F. I] , Von Reth, hebben de totale schade getaxeerd op € 267.560,60.

2.15.

De experts stelden vast dat sprake was van forse onderverzekering. Volgens het polisblad van 3 december 2017 was voor [adres 1] het volgende verzekerd:

  • -

    opstal schuur verzekerd bedrag € 52.185,- indexcijfer 0;

  • -

    bedrijfsvoorwaarden verzekerd bedrag € 4.538,- ;

  • -

    oogstproducten verzekerd bedrag € 2.269,-;

  • -

    inventaris verzekerd bedrag € 2.269,-.

Op basis van de toepasselijke polisvoorwaarden waren daarnaast opruimingskosten gedekt tot maximaal 10% van de verzekerde som met een maximum van € 15.000,-.

2.16.

De experts hebben de schade als volgt becijferd:

  • -

    opstal € 160.315,00 (waarde voor € 171.365, waarde na € 11.050)

  • -

    opruimingskosten € 50.308,60

  • -

    tuinaanleg € 2.240,00

  • -

    huurderving € 8.400,00

  • -

    bedrijfsvoorraden € 4.094,00 (waarde voor € 4.094, waarde na € 0)

  • -

    oogstproducten € 9.402,00 (waarde voor € 9.402, waarde na € 0)

  • -

    inventaris € 25.301,00 (waarde voor € 25.301, waarde na € 0)

  • -

    opruimingskosten € 7.500,00 (waarde voor € 7.500, waarde na € 0)

Totaal € 267.560,60

De hoogte van de milieuschade en bedrijfsschade is niet vastgesteld, omdat die risico’s niet verzekerd waren.

2.17.

In verband met onderverzekering heeft Delta Lloyd een bedrag van € 67.170,- aan [V.O.F. I] vergoed.

2.18.

Op 9 juli 2018 heeft [V.O.F. I] [V.O.F. II] aansprakelijk gesteld. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat [V.O.F. II] haar onvoldoende zorgvuldig heeft bijgestaan, wat blijkt uit het feit dat er geen milieuschadeverzekering (hierna: MSV), aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven (hierna: AVB) en bedrijfsschadeverzekering waren afgesloten en er sprake was van een forse onderverzekering van de opstal op [adres 1] .

2.19.

[V.O.F. II] heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3 Het geschil

3.1.

[V.O.F. I] vordert – samengevat –:

  • -

    i) een verklaring voor recht dat [V.O.F. II] haar zorgplicht als assurantietussenpersoon heeft geschonden en aldus gehouden is de schade te vergoeden die [V.O.F. I] in dit verband heeft geleden en zal lijden,

  • -

    ii) [V.O.F. II] hoofdelijk te veroordelen € 201.348,01 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 oktober 2018;

  • -

    iii) [V.O.F. II] hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat, die [V.O.F. I] heeft geleden doordat het bedrijfsschaderisico ten tijde van de brand onverzekerd was, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 oktober 2018,

  • -

    iv) [V.O.F. II] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten;

  • -

    v) [V.O.F. II] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, inclusief de nakosten.

3.2.

Ter onderbouwing van haar vordering voert [V.O.F. I] het volgende aan. De overeenkomst tussen [V.O.F. I] en [V.O.F. II] is een overeenkomst van opdracht (artikel 7:400 BW). Een assurantietussenpersoon moet bij het uitvoeren van zijn opdracht de zorg van een goed opdrachtnemer betrachten (artikel 7:401 BW). [V.O.F. II] heeft niet gehandeld als van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mocht worden verwacht. [V.O.F. I] verwijt [V.O.F. II] – voor zover hier van belang – in de eerste plaats dat zij in 1999 of binnen een redelijke termijn daarna geen contact met [V.O.F. I] heeft opgenomen om de verzekeringsportefeuille onder de loep te nemen en de risico’s van [V.O.F. I] in kaart te brengen en daarover te adviseren. [V.O.F. II] heeft geen risico-inventarisatie gemaakt en heeft de verzekerde sommen van [adres 1] niet gecontroleerd of de waarde van de opstal laten taxeren. [V.O.F. II] heeft niet gewaarschuwd voor het gevaar van onderverzekering en de gevolgen daarvan. Ook heeft [V.O.F. II] nagelaten [V.O.F. I] te adviseren over mogelijke andere risico’s, die nu onverzekerd waren.

3.3.

[V.O.F. II] voert verweer. Zij stelt zich op het standpunt dat zij herhaaldelijk aan [V.O.F. I] heeft gevraagd om inzage in de lopende AVB, MSV en rechtsbijstandverzekering en dat zij [V.O.F. I] heeft geadviseerd alles bij [V.O.F. II] in een pakket onder te brengen. Daar was [V.O.F. I] echter niet in geïnteresseerd. [V.O.F. II] heeft [V.O.F. I] geadviseerd over de verzekeringen waarover [V.O.F. I] advies wilde. [V.O.F. II] doet daarnaast een beroep op eigen schuld van [V.O.F. I] (artikel 6:101 BW). Ook de door [V.O.F. I] gestelde schadeomvang en het causaal verband worden betwist.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Zorgplicht

4.1.

Tussen partijen is in geschil of [V.O.F. II] de op haar als assurantietussenpersoon rustende zorgplicht in de zin van artikel 7:401 BW ten opzichte van [V.O.F. I] heeft geschonden.

4.2.

Bij de beoordeling van de stellingen van partijen stelt de rechtbank voorop dat een assurantietussenpersoon tegenover zijn opdrachtgever de zorg moet betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Het is zijn taak te waken voor de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Tot deze taak behoort in beginsel ook dat de assurantietussenpersoon de verzekeringnemer tijdig opmerkzaam maakt op de gevolgen die hem bekend geworden feiten kunnen hebben voor de dekking van de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen.1 In het algemeen geldt dat de zorgplicht van de opdrachtnemer zich ook uitstrekt tot de fase van advisering voorafgaand aan het tot stand brengen van de verzekeringsovereenkomst en in de fase ná de totstandkoming van de verzekering. De reikwijdte van deze zorgplicht is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, met name van de aard en inhoud van de opdracht en de belangen van de cliënt (voor zover die kenbaar zijn voor de tussenpersoon) en de overige omstandigheden van het geval.

4.3.

Tot de taak van de assurantietussenpersoon behoort in beginsel ook dat hij zich ervan vergewist dat de herbouwwaarde van een verzekerd pand juist wordt vastgesteld. Verder moet de assurantietussenpersoon periodiek de verzekerde herbouwwaarde toetsen aan de werkelijke herbouwwaarde. De taak van de tussenpersoon brengt niet mee dat hij ervoor moet zorgen dat in zijn portefeuille geen verzekeringen voorkomen waarbij sprake is van onderverzekering. Wel mag van de tussenpersoon worden verwacht dat hij de verzekeringnemer voldoende vaak en voldoende indringend waarschuwt voor de gevolgen van mogelijke onderverzekering, dat hij de verzekeringnemer voldoende deskundig en voldoende actief behulpzaam is bij het toetsen of sprake is van onderverzekering en dat hij voor de verzekeringnemer die te kennen geeft dat te wensen, zorg draagt voor bijverzekering. Hoe frequent en indringend die waarschuwingen moeten zijn en welke hulp bij de bedoelde toets voldoende is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.2

4.4.

De zorgplicht breng ook mee dat een nieuwe assurantietussenpersoon bij de overdracht van een verzekeringsportefeuille moet onderzoeken of sprake is van onderverzekering in de overgenomen portefeuille. Ook moet de assurantietussenpersoon zich zelfstandig een beeld vormen van de overgenomen portefeuille en onderzoeken of deze eventueel moet worden gewijzigd. De opvolgend assurantietussenpersoon mag er niet zonder meer op vertrouwen dat zijn voorganger de overgedragen portefeuille correct heeft beheerd. Het is een eigen verplichting van de opvolgend assurantietussenpersoon om dat te onderzoeken.

4.5.

Bij de beoordeling van de vraag of [V.O.F. II] is tekortgeschoten in de op haar rustende zorgplicht, maakt de rechtbank onderscheid tussen:

  • -

    a) het verwijt van [V.O.F. I] dat [V.O.F. II] heeft nagelaten te zorgen voor een passende verzekerde som voor de opstal op [adres 1] ; en

  • -

    b) het verwijt van [V.O.F. I] dat [V.O.F. II] ten onrechte heeft nagelaten haar te adviseren over een AVB, een MSV en een bedrijfsschadeverzekering, waardoor die risico’s onverzekerd waren.

De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

Ad a: onderverzekering opstal

4.6.

[V.O.F. I] stelt zich op het standpunt dat [V.O.F. II] is tekortgeschoten door niet te zorgen voor een voldoende verzekeringsdekking voor de opstal op [adres 1] . [V.O.F. II] betwist dat. Zij heeft aangevoerd dat zij tijdens de taxatie van [adres 2] heeft aangeboden om ook [adres 1] te laten taxeren, maar dat [V.O.F. I] dit niet wilde en dat zij opdracht gaf de lopende polis voor [adres 1] ongewijzigd voort te zetten. [V.O.F. I] heeft de stellingen van [V.O.F. II] op haar beurt betwist.

4.7.

Uit de stellingen van [V.O.F. II] blijkt niet dat zij na de overdracht van de verzekeringsportefeuille in 1999 of op enig moment daarna heeft onderzocht of er sprake was van onderverzekering van [adres 1] en dat zij [V.O.F. I] heeft geadviseerd over of gewaarschuwd tegen het risico van onderverzekering. Ook als juist zou zijn dat [V.O.F. II] in 2010 heeft aangeboden ook [adres 1] te laten taxeren (wat [V.O.F. I] gemotiveerd betwist), geldt dat [V.O.F. II] met dat enkele aanbod niet heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht. Gesteld noch gebleken is immers dat [V.O.F. II] [V.O.F. I] heeft gewaarschuwd voor het risico van onderverzekering. Sterker nog: ter terechtzitting is komen vast te staan dat [V.O.F. II] op dat moment niet wist hoe hoog de verzekerde som van [adres 1] was en dat zij dus geen weet had van een mogelijke onderverzekering. Dit betekent dat [V.O.F. II] ten opzichte van [V.O.F. I] wat betreft de opstalverzekering voor [adres 1] niet de zorg heeft betracht die van een redelijk bekwaam en handelend tussenpersoon verwacht mag worden. Dit geldt te meer nu het indexcijfer voor de opstal, zoals blijkt uit de polis, nul bedraagt (zie 2.15) en [V.O.F. I] al jarenlang onder dezelfde polis verzekerd was. Dit betekent dat het [V.O.F. II] bekend had kunnen (en moeten) zijn dat de verzekerde som in ieder geval sinds 1999 niet was verhoogd, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat de prijzen van onroerend goed (en ook de herbouwwaarde daarvan) sindsdien behoorlijk zijn gestegen. Bij die stand van zaken had [V.O.F. II] als redelijk handelend tussenpersoon de risico’s opnieuw moeten (laten) beoordelen en had zij – als al juist zou zijn dat [V.O.F. I] geen interesse had in een taxatie – [V.O.F. I] uitdrukkelijk moeten waarschuwen voor het risico van onderverzekering.

4.8.

In het licht van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het [V.O.F. II] kan worden verweten dat zij in de periode vanaf 1999 tot aan de brand in mei 2018 geen actie heeft ondernomen om onderverzekering van de opstal op [adres 1] te voorkomen en/of [V.O.F. I] niet heeft gewezen op het risico van onderverzekering.

Ad b: niet adviseren over ontbrekende verzekeringen

4.9.

[V.O.F. I] stelt ook dat het aan [V.O.F. II] te wijten is dat zij diverse risico’s niet heeft verzekerd. Zo had [V.O.F. I] geen AVB, MSV en bedrijfsschadeverzekering. [V.O.F. II] stelt daartegenover dat haar zorgplicht als assurantietussenpersoon alleen betrekking heeft op de verzekeringen in haar portefeuille. Volgens [V.O.F. II] heeft [V.O.F. I] nooit opdracht gegeven om haar te adviseren over andere verzekeringen en heeft zij ook nooit kenbaar gemaakt dat zij daar behoefte aan had. Dat betekent dat de zorgplicht van [V.O.F. II] beperkt was, zo betoogt [V.O.F. II] .

4.10.

Hoewel aan [V.O.F. II] moet worden toegegeven dat de zorgplicht van de assurantietussenpersoon in beginsel ziet op de verzekeringen die tot zijn portefeuille behoren3, betekent dit naar het oordeel van de rechtbank niet dat een tussenpersoon zich niet hoeft af te vragen of zijn klant is voorzien van alle voor hem relevante verzekeringen. Zeker wanneer er – zoals in dit geval – relevante verzekeringen ontbreken, kan naar het oordeel van de rechtbank in beginsel van een tussenpersoon worden verlangd dat hij zijn klant daarover bevraagt en/of hem actief waarschuwt voor de risico’s die hij daardoor loopt.

4.11.

[V.O.F. II] heeft zich weliswaar op het standpunt gesteld dat zij ervan uitging dat [V.O.F. I] ook werd bijgestaan door een andere tussenpersoon en dat zij via die andere tussenpersoon ook verzekeringen had lopen, maar vast staat dat [V.O.F. II] die aanname niet bij [V.O.F. I] heeft getoetst. De gevolgen van die onjuiste aanname komen daarom voor rekening en risico van [V.O.F. II] . Dit betekent dat het naar het oordeel van de rechtbank op de weg lag van [V.O.F. II] om na te gaan of [V.O.F. I] tegen alle relevante risico’s was verzekerd.

4.12.

[V.O.F. II] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij daartoe pogingen heeft ondernomen, maar dat [V.O.F. I] al haar bemoeienissen heeft afgehouden. Zij heeft in dit verband gewezen op het volgende:

  • -

    [V.O.F. II] heeft in januari 2010 met [V.O.F. I] gesproken over mogelijke andere verzekeringen, maar [V.O.F. I] was daarin niet geïnteresseerd;

  • -

    [V.O.F. II] heeft [V.O.F. I] op 11 februari 2010 een brochure gezonden van het Agrarisch Ondernemerspakket en heeft daarbij aangegeven dat zij graag wil bespreken of het samenstellen van een dergelijk pakket gunstig is voor [V.O.F. I] (zie 2.8), maar [V.O.F. I] is daarop niet ingegaan;

  • -

    [V.O.F. II] heeft [V.O.F. I] op 4 juni 2010 per mail verzocht de polissen van elders lopende verzekeringen op te sturen (zie 2.10), maar daaraan heeft [V.O.F. I] geen gehoor gegeven;

  • -

    [V.O.F. II] heeft [V.O.F. I] op 31 mei 2011 aangeboden te zorgen voor één overkoepelende verzekering (zie 2.11), maar hierop heeft [V.O.F. I] niet gereageerd;

  • -

    [V.O.F. II] heeft op 7 januari 2014 opnieuw aangeboden te spreken over andere verzekeringen (zie 2.13), maar daarop heeft [V.O.F. I] wederom niet gereageerd.

4.13.

Ter zitting is komen vast te staan dat [V.O.F. II] tijdens haar gesprek met [V.O.F. I] in januari 2010 weliswaar zelf heeft nagedacht over verzekeringen die mogelijk relevant zouden kunnen zijn voor [V.O.F. I] , maar dat zij daarover niet met [V.O.F. I] heeft gesproken (zie 4.12, eerste gedachtestreepje). Beoordeeld moet dus worden of [V.O.F. II] door het sturen van de in 4.12 genoemde brieven en mails heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting na te gaan of [V.O.F. I] beschikte over de voor haar relevante verzekeringen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval.

4.14.

Ook als ervan uitgegaan moet worden dat [V.O.F. II] de e-mail van 4 juni 2010 daadwerkelijk aan [V.O.F. I] heeft gezonden (wat [V.O.F. I] gemotiveerd betwist), geldt dat [V.O.F. II] in de periode tussen februari 2010 en de brand op 28 november 2013 welgeteld vier brieven en mails aan [V.O.F. I] heeft gezonden. In haar brief van 11 februari 2010 heeft [V.O.F. II] concreet aangeboden om te bespreken of het voor [V.O.F. I] gunstig zou zijn een verzekeringspakket samen te stellen. Toen [V.O.F. I] op dit aanbod niet reageerde, heeft [V.O.F. II] geen actie ondernomen. Datzelfde geldt toen [V.O.F. I] geen contact met haar opnam naar aanleiding van de (gestelde) e-mail van 4 juni 2010. Naar het oordeel van de rechtbank bevat de e-mail van 31 mei 2011 geen duidelijk aanbod de verschillende verzekeringen van [V.O.F. I] tegen het licht te houden. Toen [V.O.F. I] niet reageerde op de brief van 7 januari 2014, heeft [V.O.F. II] opnieuw geen actie ondernomen. Ook als juist zou zijn het standpunt van [V.O.F. II] dat het niet haar taak is om een onwillige klant achter de broek aan te zitten, geldt dat zij [V.O.F. I] op zijn minst duidelijk (en liefst schriftelijk) had moeten waarschuwen dat zij niet kon nagaan of [V.O.F. I] beschikte over alle relevante verzekeringen, met alle risico’s van dien. Dat geldt te meer, nu bij de afwikkeling van de stormschade in november 2013 was gebleken dat [V.O.F. I] niet beschikte over een bedrijfsschadeverzekering. Doordat [V.O.F. II] zich (zelfs nadat zij wist dat relevante verzekeringen ontbraken) niet actief heeft opgesteld, is zij tegenover [V.O.F. I] tekortgeschoten in de op haar rustende zorgplicht.

Zorgplichtschending i.v.m. onderverzekering inboedel en oogstproducten?

4.15.

Uit de door [V.O.F. I] in het geding gebrachte berekening van haar schade leidt de rechtbank af dat zij [V.O.F. II] ook verwijt dat er sprake was van onderverzekering van de inventaris en oogstproducten. Nu [V.O.F. I] echter niet heeft gesteld dat en waarom het aan [V.O.F. II] kan worden verweten dat ook hier sprake was van onderverzekering, gaat de rechtbank aan de (impliciete) stellingname van [V.O.F. I] voorbij.

Tussenconclusie

4.16.

In het licht van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [V.O.F. II] tekort is geschoten in de op haar rustende zorgplicht:

  • -

    a) door niet te zorgen voor een voldoende verzekeringsdekking voor de opstal op [adres 1] (dan wel door [V.O.F. I] niet te waarschuwen voor het risico van onderverzekering) en

  • -

    b) door niet na te gaan of [V.O.F. I] beschikte over alle voor haar relevante verzekeringen (dan wel door [V.O.F. I] er niet op te wijzen dat zij onvoldoende informatie had om te beoordelen of [V.O.F. I] voor relevante risico’s verzekerd was).

Causaal verband

4.17.

[V.O.F. II] betwist dat er een causaal verband bestaat tussen haar zorgplichtschending en de gestelde schade van [V.O.F. I] . [V.O.F. II] stelt dat niet aannemelijk is dat [V.O.F. I] de loods aan [adres 1] zou hebben laten taxeren als [V.O.F. II] haar op het risico van onderverzekering zou hebben gewezen. Ook voert zij aan dat het niet voor de hand ligt dat [V.O.F. I] haar adviezen over mogelijke andere verzekeringen zou hebben opgevolgd. Ter onderbouwing van deze stelling voert [V.O.F. II] aan dat [V.O.F. I] geen enkel advies van [V.O.F. II] opvolgde. In 2010 koos [V.O.F. I] er voor om [adres 1] niet te laten taxeren en de verzekering ongewijzigd voort te zetten. Ook wijst [V.O.F. II] erop dat [V.O.F. I] geen AVB had, terwijl volgens haar iedere ondernemer weet dat hij een dergelijke verzekering nodig heeft. Ook met herhaalde verzoeken van [V.O.F. II] om elders lopende polissen op te sturen heeft [V.O.F. I] niets gedaan. Hieruit blijkt volgens [V.O.F. II] dat [V.O.F. I] er niet in was geïnteresseerd of zij goed was verzekerd.

4.18.

De rechtbank passeert dit verweer. [V.O.F. II] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat [V.O.F. I] – wanneer [V.O.F. II] haar zou hebben gewaarschuwd voor het risico van onderverzekering – de opstal op [adres 1] niet zou hebben laten taxeren. Ook is niet gebleken dat [V.O.F. I] – als [V.O.F. II] haar duidelijk zou hebben laten weten dat zij zonder medewerking van [V.O.F. I] niet kon nagaan of alle belangrijke risico’s verzekerd waren – zou hebben nagelaten de gevraagde gegevens aan te leveren. Evenmin heeft [V.O.F. II] duidelijk gemaakt waarom ervan moet worden uitgegaan dat [V.O.F. I] adviezen over aanvullende verzekeringen niet zou hebben opgevolgd. De enkele bewering dat [V.O.F. I] geen enkel advies van [V.O.F. II] zou opvolgen is in dit verband onvoldoende. Nu is komen vast te staan dat [V.O.F. II] [V.O.F. I] niet heeft gewaarschuwd voor het risico van onderverzekering en ook niet voor de mogelijkheid dat belangrijke risico’s niet waren verzekerd, gaat de rechtbank voorbij aan het verweer van [V.O.F. II] .

Eigen schuld van [V.O.F. I] ?

4.19.

[V.O.F. II] heeft zich tot slot nog op het standpunt gesteld dat [V.O.F. I] zelf heeft bijgedragen aan de schade. Zij meent daarom dat [V.O.F. I] de schade zelf moet dragen. [V.O.F. II] heeft in dit verband gewezen op het volgende:

  • -

    i) [V.O.F. I] heeft in 2010 opdracht gegeven om de polis voor [adres 1] ongewijzigd voort te zetten en wilde geen taxatie;

  • -

    ii) [V.O.F. I] ontvangt jaarlijks premienota’s en polisbladen met daarop de lopende verzekeringen, verzekerde sommen en premies. [V.O.F. I] bestudeerde deze stukken en nam naar aanleiding daarvan af en toe wel contact op met [V.O.F. II] , maar zij maakte geen bezwaar tegen de verzekerde sommen;

  • -

    iii) [V.O.F. I] heeft bij herhaling niet gereageerd op de verzoeken van [V.O.F. II] om de lopende polissen toe te zenden en om na te gaan of het gunstig is een verzekeringspakket samen te stellen.

Ad i: niet ingaan op aanbod taxatie [adres 1]

4.20.

In 4.7 heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat [V.O.F. II] tijdens de taxatie van [adres 2] aan [V.O.F. I] heeft aangeboden ook de opstal op [adres 1] te laten taxeren. Daarmee is niet komen vast te staan dat [V.O.F. I] dit aanbod heeft afgeslagen. Wat daar ook van zij: ook als [V.O.F. II] [V.O.F. I] zou hebben gewezen op de mogelijkheid de opstal aan [adres 1] te laten taxeren, geldt dat zij [V.O.F. I] niet heeft gewezen op het risico van onderverzekering (zie eveneens 4.7). Anders dan [V.O.F. II] heeft gesuggereerd, is er dus geen sprake van een situatie waarin [V.O.F. I] welbewust het risico van onderverzekering heeft aanvaard. Aan deze stelling van [V.O.F. II] gaat de rechtbank dan ook voorbij.

Ad ii: niet reageren op polisbladen met daarop verzekerde sommen

4.21.

[V.O.F. II] heeft zich op het standpunt gesteld dat [V.O.F. I] regelmatig polisbladen ontving met daarop de verzekerde sommen, maar dat zij nooit heeft gezegd dat de verzekerde som voor de opstal op [adres 1] te laag was. [V.O.F. I] heeft weliswaar tijdens de comparitie van partijen betoogd dat zij weinig begrijpt van verzekeringen, maar vast staat dat zij in ieder geval drie keer contact heeft opgenomen met [V.O.F. II] naar aanleiding van de ontvangst van stukken of juist het ontbreken daarvan (namelijk eind maart 2010 met de mededeling dat zij nog geen polisblad van de opstalverzekering voor [adres 2] had ontvangen, in december 2010 met een protest tegen een aangezegde premieverhoging en in mei 2011 met een verzoek om uitleg over het overzetten van de verzekering van [adres 1] naar Delta Lloyd). Vast staat dus dat [V.O.F. I] stukken ontving en dat zij deze ook bestudeerde. Dat mocht overigens ook van haar worden verlangd.

4.22.

Dat [V.O.F. I] desondanks niet heeft gereageerd naar aanleiding van de verzekerde som voor de opstal op [adres 1] , kan haar naar het oordeel van de rechtbank worden aangerekend. [V.O.F. I] is immers een ondernemer waarvan een bepaalde mate van professionaliteit mag worden verwacht. Mede omdat de verzekerde som voor [adres 1] al sinds jaar en dag hetzelfde was, had [V.O.F. I] zich kunnen (en moeten) realiseren dat deze onvoldoende was. Dat spreekt te meer nu de verzekerde som voor [adres 1] (€ 52.185,-) aanzienlijk lager was dan die voor [adres 2] (€ 167.600,- voor de schuur en € 151.600,- voor het kantoor). Ook om die reden had van [V.O.F. I] mogen worden verwacht dat zij zich – ook zonder daarop gewezen te zijn door [V.O.F. II] – afvroeg of de verzekerde som (nog) voldeed en daarop actie ondernam. Dit heeft zij echter nagelaten.

Ad iii: niet ingaan op verzoeken van [V.O.F. II]

4.23.

Vast staat dat [V.O.F. I] herhaaldelijk niet is ingegaan op verzoeken van [V.O.F. II] om te bespreken of het samenstellen van een verzekeringspakket voor haar gunstig zou zijn. Dit kan haar naar het oordeel van de rechtbank worden aangerekend. [V.O.F. I] ontving de brief van [V.O.F. II] van 7 januari 2014, waarin [V.O.F. II] ondubbelzinnig aanbiedt ook andere verzekeringen met haar te willen bespreken, na de stormschade in 2013. Bij de afwikkeling van die schade was komen vast te staan dat [V.O.F. I] – onder andere – niet beschikte over een bedrijfsschadeverzekering. [V.O.F. I] wist toen dus dat zij niet alle risico’s had verzekerd, maar heeft niettemin niet gereageerd op het aanbod van [V.O.F. II] om te spreken over mogelijke andere verzekeringen. Daarmee heeft zij zelf bijgedragen aan het ontstaan van de schade.

Causale afweging en billijkheidscorrectie

4.24.

Nu zowel aan [V.O.F. II] als aan [V.O.F. I] een verwijt kan worden gemaakt van het ontstaan van de schade, moet de rechtbank beoordelen in welke verhouding de aan hen toe te rekenen omstandigheden aan die schade hebben bijgedragen. Daarbij maakt zij een onderscheid tussen de onderverzekering van de opstal op [adres 1] en het ontbreken van relevante verzekeringen.

4.25.

Ten aanzien van de onderverzekering acht de rechtbank het aan [V.O.F. II] te maken verwijt (het niet zorgen voor een voldoende verzekeringsdekking, dan wel het niet waarschuwen tegen het risico van onderverzekering) groter dan de fout van [V.O.F. I] (het zich niet afvragen of de verzekerde som nog altijd voldeed). Het is immers primair de taak van de assurantietussenpersoon om ervoor te zorgen dat zijn klant voldoende is verzekerd. De rechtbank is van oordeel dat de fouten van [V.O.F. II] en [V.O.F. I] tot elkaar staan in de verhouding 3:1. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een andere verdeling op grond van, kort gezegd, de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 lid 1 BW. Dit betekent dat van de schade als gevolg van de onderverzekering van de opstal, 2/3e deel door [V.O.F. II] moet worden gedragen en dat 1/3e deel voor rekening blijft van [V.O.F. I] .

4.26.

Dat is anders voor de schade als gevolg van het feit dat verschillende risico’s niet verzekerd waren. Daarbij weegt naar het oordeel van de rechtbank de fout van [V.O.F. II] (het niet nagaan of [V.O.F. I] beschikte over alle voor haar relevante verzekeringen, dan wel het nalaten erop te wijzen dat zij onvoldoende informatie had om na te gaan of [V.O.F. I] voor relevante risico’s niet verzekerd was) net zo zwaar als de fout van [V.O.F. I] (het herhaaldelijk niet reageren op suggesties van [V.O.F. II] om een afspraak te maken om het verzekeringspakket tegen het licht te houden). Dat betekent dat van dit gedeelte van de schade 50% voor rekening komt van [V.O.F. II] en dat de andere helft door [V.O.F. I] zelf moet worden gedragen.

Omvang schade

4.27.

[V.O.F. I] heeft ter onderbouwing van de door haar gestelde schade naar aanleiding van de onderverzekering bij akte overlegging producties en per brief van 10 december 2019 een aantal stukken overgelegd. [V.O.F. II] heeft verweer gevoerd tegen de hoogte van de schade en heeft tijdens de comparitie te kennen gegeven dat zij een expert naar de akte van taxatie en onderliggende stukken wil laten kijken.

4.28.

Nu [V.O.F. II] zich nog niet heeft uitgelaten over de door [V.O.F. I] gevorderde schade ten aanzien van de onderverzekering van de opstal en opruimingskosten en het ontbreken van een MSV en een verzekering voor de tuinaanleg (het door [V.O.F. I] gevorderde bedrag van € 201.348,01), zal de rechtbank haar daartoe alsnog in de gelegenheid stellen.

4.29.

Om redenen van efficiency zal de rechtbank partijen in verband met de schade door het ontbreken van een bedrijfsschadeverzekering niet – zoals gevorderd – verwijzen naar de schadestaatprocedure, maar zal zij deze schade zo mogelijk in deze procedure vaststellen.

4.30.

Dit betekent dat [V.O.F. I] allereerst in de gelegenheid gesteld zal worden zich bij akte na dit tussenvonnis uit te laten over de schade die zij lijdt of heeft geleden door het ontbreken van een bedrijfsschadeverzekering (en, indien voorhanden, nadere stukken ten aanzien van de “onderverzekeringsschade” in het geding te brengen). Vervolgens zal [V.O.F. II] in de gelegenheid worden gesteld te reageren op de gevorderde “onderverzekerings-” en bedrijfsschade. Daarna zal worden bezien of een nieuwe mondelinge behandeling wordt bepaald, of dat eindvonnis zal worden gewezen.

4.31.

In afwachting van de te nemen aktes, zullen alle verdere beslissingen worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 20 mei 2020 voor het nemen van een akte door [V.O.F. I] over hetgeen is vermeld onder 4.30, waarna [V.O.F. II] op de rol van 17 juni 2020 een antwoordakte kan nemen,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Brandt en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 20204.

1 HR 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0122.

2 Gerechtshof Amsterdam 9 juli 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2223.

3 HR 9 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC253.

4 type: 2753