Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2438

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
19-03-2020
Zaaknummer
09-797118-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Den Haag veroordeelt een 32-jarige man voor een vijftal vermogensdelicten waarbij senioren op hoge leeftijd het slachtoffer zijn geworden, tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren. De rechtbank wijst een drietal vorderingen benadeelde partij (gedeeltelijk) toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/797118-18

Datum uitspraak: 19 maart 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Middelburg, locatie Torentijd te Middelburg.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 12 november 2019 (pro forma) en 5 maart 2020 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. T. van den Akker en van hetgeen door de raadsman mr. A.A. Franken naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zaak 1:

hij op of omstreeks 14 mei 2018 te Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning heeft weggenomen een of meer sieraden en/of een pinpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

en/of

hij op of omstreeks 14 mei 2018 te Alphen aan den Rijn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer geldbedragen (in totaal ca. EUR 1.300,-), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte, het weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een bankpas op naam van [slachtoffer 1] , met bijbehorende pincode, in elk geval een sleutel tot het gebruik waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren;

2.

zaak 2:

hij op of omstreeks 14 mei 2018 te Bodegraven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning heeft weggenomen een geldbedrag (in totaal ca. EUR 170,-) en/of een pinpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

3.

zaak 3:

hij op of omstreeks 19 april 2018 te Alphen aan den Rijn, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning heeft weggenomen een pinpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte;

en/of

hij op of omstreeks 20 april 2018 te Rotterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer geldbedragen (in totaal ca. EUR 1.000,-), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte, waarbij hij, verdachte, het weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een bankpas op naam van [slachtoffer 3]

, met bijbehorende pincode, in elk geval een sleutel tot het gebruik waarvan verdachte niet gerechtigd was;

4.

zaak 4:

hij op of omstreeks 19 april 2018 te Alphen aan den Rijn, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning heeft weggenomen een portemonnee en/of een geldbedrag (ca. EUR 100,-), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte;

5.

zaak 7:

hij op of omstreeks 3 juni 2018 te Alphen aan den Rijn, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning heeft weggenomen een pinpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte;

en/of

hij op of omstreeks 3 juni 2018, te Alphen aan den Rijn, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer geldbedragen (in totaal ca. EUR 1.000,-), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte, waarbij hij, verdachte, het weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een bankpas op naam van [slachtoffer 5] , met bijbehorende pincode, in elk geval een sleutel tot het gebruik

waarvan verdachte niet gerechtigd was.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De verdachte wordt – kort gezegd – verweten dat hij bij een vijftal personen pinpassen en/of sieraden en/of geldbedragen en/of een portemonnee uit de woning heeft weggenomen. In drie van deze zaken wordt de verdachte eveneens verweten dat hij vervolgens met deze pinpassen geldbedragen heeft opgenomen.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de aan de verdachte tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 1, 2 en 5 tenlastegelegde feiten.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit heeft de raadsman daartoe aangevoerd dat dat de betrokkenheid van de verdachte bij dit feit slechts is gebaseerd is op een herkenning door een verbalisant, die de in het politiesysteem beschikbare foto’s van de verdachte heeft vergeleken met de man op camerabeelden bij een pinautomaat. Deze herkenning is onvoldoende voor een bewezenverklaring, aldus de raadsman. Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de betrokkenheid van de verdachte bij het onder 2 tenlastegelegde is gebaseerd op een redenering die geënt is op schakelbewijs en dat de verdachte derhalve ook voor dit feit dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde feit heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de aangeefster en een getuige een signalement hebben gegeven van een man veel ouder dan de verdachte. Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het proces-verbaal van herkenning van de verbalisant twijfelachtig is en niet kan leiden tot een bewezenverklaring. Voorts heeft de raadsman naar voren gebracht dat de pet “Dsquared fight for freedom” van de verdachte – waarover proces-verbaal is opgemaakt – wordt verkocht met daarop standaard de drie beschadigingen, die door de politie als uniek zijn aangeduid.

Ten aanzien van de onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

3.4.1

Feiten 1 en 2

3.4.1.1 De bewijsmiddelen

Feit 1

Aangifte [slachtoffer 1]

(hierna: [slachtoffer 1] ) heeft verklaard dat zij op 14 mei 2018 omstreeks 17:30 uur bij haar seniorenwoning in het complex [adres 1] te Bodegraven werd aangesproken door haar buurman en zijn zoon. [slachtoffer 1] is vervolgens een glas water bij de buurman gaan drinken en even later met de zoon van de buurman naar haar woning gelopen om met hem naar haar rollator te kijken. Bij het verlaten van de woning – zij gingen weer terug naar de buurman – bood de zoon aan de deur achter zich te sluiten. Weer aangekomen bij de woning van de buurman is de zoon meteen vertrokken. [slachtoffer 1] heeft de zoon niet meer gezien.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij omstreeks 18:30 uur werd gebeld door een man die mededeelde dat hij een medewerker van de ING-bank was. Deze man deelde haar mede dat haar pinpas was gevonden en dat hij haar pincode nodig had om een nieuwe pas aan te vragen. [slachtoffer 1] heeft haar pincode aan de man gegeven.

Op 15 mei 2018 kwam [slachtoffer 1] erachter dat er € 1.250 van haar rekening was geschreven. Voorts bleken al haar gouden sieraden uit haar woning te zijn weggenomen.2

Bevindingen

Op 14 mei 2018 is met de pinpas van [slachtoffer 1] te Alphen aan den Rijn tussen 18:35 uur en 18:37 uur driemaal gepind bij de ING-bank en om 19:15 uur eenmaal bij de ABN-AMRO-bank. In totaal is er een geldbedrag van € 1.300 opgenomen.3

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat de man op de beelden van de betaalautomaat van de ABN-AMRO erg veel leek op de man die bij haar in huis was geweest en had verteld dat hij de zoon van de buurman was. [slachtoffer 1] herkende hem vooral aan zijn mond.4

Verbalisant [verbalisant 1] (hierna: [verbalisant 1] ) heeft verklaard dat hij de persoon die geld opneemt bij de ABN-AMRO met een gestolen pinpas op de beelden van 14 mei 2018, heeft herkend als de verdachte. [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij de verdachte op de beelden heeft herkend aan zijn baard, de vorm van zijn gezicht, de stand van zijn ogen en zijn oren.5

Verbalisant [verbalisant 2] (hierna: [verbalisant 2] ) heeft verklaard dat de man op de beelden van de ING-betaalautomaat dezelfde man is als de man die bij de ABN-AMRO-bank geld heeft gepind met de pinpas van aangeefster [slachtoffer 1] .6

Feit 2

Aangifte [slachtoffer 2]

(hierna: [slachtoffer 2] ) heeft verklaard dat er op 14 mei 2018 omstreeks 17:15 uur een man bij haar seniorenwoning in het complex [adres 1] te Bodegraven voor de deur stond. Zij heeft de man in haar woning binnengelaten en een kopje koffie voor hem gezet. Terwijl zij in de keuken was, was de man in haar woonkamer. Toen [slachtoffer 2] met het kopje koffie haar woonkamer binnenkwam, heeft de man haar woning weer verlaten.

[slachtoffer 2] bemerkte op dat moment dat haar pinpas en een geldbedrag van € 170 uit haar tas waren weggenomen.

[slachtoffer 2] heeft voorts verklaard dat zij op 14 mei 2018 werd gebeld en dat een man haar mededeelde dat haar pinpas was gevonden. Aangezien zij dit niet vertrouwde, heeft zij de verbinding verbroken.7

Bevindingen

Op 24 mei 2018 zijn de screenshots van naar de rechtbank begrijpt de beelden van de man bij de pinautomaat van de ABN-AMRO-bank aan aangeefster [slachtoffer 2] getoond. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat deze man erg veel leek op de man die bij haar in de woning was en dat dit hem goed zou kunnen zijn.8

3.4.1.2 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank overweegt dat herkenningen aan de hand van camerabeelden kritisch en behoedzaam dienen te worden beoordeeld. De rechtbank constateert dat de camerabeelden van de ABN-AMRO-bank van goede kwaliteit zijn en dat de dader voldoende zichtbaar in beeld is om op basis daarvan iemand te kunnen herkennen. Daarbij is voorts van belang dat de waar te nemen persoonskenmerken, zeker in combinatie met elkaar, voldoende onderscheidend zijn. Verbalisant [verbalisant 1] heeft gemotiveerd aangegeven waaraan hij de verdachte heeft herkend. Anders dan de raadsman is de rechtbank dan ook van oordeel dat de herkenning van [verbalisant 1] voor het bewijs kan worden gebezigd. Bovendien is de rechtbank op basis van haar eigen waarneming in raadkamer van oordeel dat de persoon op de beelden de verdachte is, en heeft hem – nu de verdachte ter terechtzitting niet is verschenen – daarbij herkend aan de hand van zijn politiefoto op pagina 19 van het dossier.

Daarbij overweegt de rechtbank dat aangeefster [slachtoffer 1] de man op de beelden van de ABN-AMRO-bank heeft herkend als de man die bij haar in de woning is geweest.

Gelet op het voorgaande – in onderling verband en samenhang bezien – is de rechtbank van oordeel dat het de verdachte is geweest die de pinpas en de sieraden van [slachtoffer 1] uit haar woning heeft weggenomen (eerste cumulatief/alternatief) en met de pinpas een geldbedrag van in totaal € 1.300 heeft gepind (tweede cumulatief/alternatief).

Feit 2

Conform vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is het gebruik van aan andere bewezen geachte, soortgelijke, feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als ondersteunend bewijs (schakel-, ketting- of ketenbewijs) toegelaten. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal van die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont met het bewijsmateriaal van de ook te bewijzen feiten en dat duidt op een specifiek patroon, welk patroon herkenbaar aanwezig is in de voor het te bewijzen feit voorhanden bewijsmiddelen.

De rechtbank is van oordeel dat de herkenning van de verdachte op de camerabeelden van het onder 1 tenlastegelegde feit kan dienen als schakelbewijs voor het tenlastegelegde feit 2, nu sprake is van een eenzelfde pleegdatum, plaats en specifieke modus operandi.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het de verdachte is geweest die op 14 mei 2018 de pinpas en een geldbedrag van € 170 van aangeefster [slachtoffer 2] heeft weggenomen.

De rechtbank acht voorts niet bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd, en zal de verdachte derhalve van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

3.4.2

Feiten 3 en 4

3.4.2.1 De bewijsmiddelen

Aangifte [slachtoffer 3]

(hierna: [slachtoffer 3] ) heeft verklaard dat zij op 19 april 2018 tussen 17:00 uur en 17:15 uur een man in haar woning in het seniorencompex aan de [adres 2] te Alphen aan den Rijn heeft binnengelaten. Zij heeft de man een glaasje limonade gegeven. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat de man even later weg is gegaan en het glas mee had genomen. Zij is daarop naar de woning op nummer [adres 3] gegaan, alwaar zij de man in de woonkamer aantrof. [slachtoffer 3] heeft het glas van de man teruggepakt.

[slachtoffer 3] heeft voorts verklaard dat zij op 20 april 2018 omstreeks 10:13 uur werd gebeld door een persoon die mededeelde van de ING-bank te zijn. De man deelde haar mede dat haar pinpas weg was en vroeg haar de pincode zodat de pas op de juiste wijze geblokkeerd kon worden. [slachtoffer 3] heeft haar pincode aan de man gegeven.

Op 20 april 2018 is om 10:32 uur te Rotterdam een geldbedrag van € 1.000 van de bankrekening van [slachtoffer 3] opgenomen.9

Aangifte [slachtoffer 4]

(hierna: [slachtoffer 4] ) heeft verklaard dat er op 19 april 2018 tussen 17:00 en 17:15 uur bij haar woning in de serviceflat aan de [adres 3] een man met een leeg glas in zijn hand voor de deur stond. De man vroeg haar of zij geld kon wisselen en liep achter haar aan de woning in. Terwijl zij in de keuken waren – waar in een kast haar portemonnee lag – werd er aangebeld en bleek buurvrouw [slachtoffer 3] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 3] ) voor de deur te staan. De buurvrouw heeft het glas van de man teruggekregen en de man snelde daarop weg richting de lift.

[slachtoffer 4] heeft verklaard dat zij die avond bemerkte dat haar portemonnee met daarin € 100 was weggenomen.

DNA verdachte

Het glas uit de woning van aangeefster [slachtoffer 3] is bemonsterd ( [… 3] ).10 Het DNA-profiel ( [… 3] #1) dat is aangetroffen op het glas bleek te matchen met het DNA-profiel van de verdachte.11

3.4.2.2 Het oordeel van de rechtbank

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 3 eerste cumulatief/alternatief en tweede cumulatief/alternatief en onder 4 tenlastegelegde feiten.

3.4.3

Feit 5

3.4.3.1 De bewijsmiddelen

Aangifte [slachtoffer 4]

[slachtoffer 5] (hierna: [slachtoffer 4] ) heeft verklaard dat zij op 3 juni 2018 omstreeks 19:30 uur in haar seniorenwoning aan de [adres 4] te Alphen aan den Rijn een man heeft binnengelaten. De man droeg een kaki broek en zwarte schoenen. [slachtoffer 4] heeft verklaard dat de man op slinkse wijze haar pincode heeft weten te ontfutselen en dat zij haar pinpas aan hem heeft laten zien. De man heeft haar pinpas weggenomen.

Op 3 juni 2018 is om 20:24 uur te Alpen aan den Rijn een geldbedrag van € 1.000 van haar rekening opgenomen.12

Herkenning verdachte op beelden

Verbalisant [verbalisant 2] heeft de man op de beelden van de betaalautomaat van de ABN-AMRO-bank op 3 juni 2018 te Alphen aan den Rijn herkend als de verdachte. [verbalisant 2] heeft voorts verklaard dat de verdachte op de beelden een kaki broek en zwarte schoenen droeg.13

3.4.3.2 Het oordeel van de rechtbank

Evenals overwogen onder 3.4.1.2 overweegt de rechtbank dat herkenningen aan de hand van camerabeelden kritisch en behoedzaam dienen te worden beoordeeld. De rechtbank constateert dat de camerabeelden van de ABN-AMRO-bank van goede kwaliteit zijn en dat de dader voldoende zichtbaar in beeld is om op basis daarvan iemand te kunnen herkennen. Verbalisant [verbalisant 2] heeft de verdachte herkend. Daarnaast is de rechtbank op basis van haar eigen waarneming in raadkamer van oordeel dat de persoon op de beelden de verdachte is, en heeft hem – nu de verdachte ter terechtzitting niet is verschenen – daarbij herkend aan de hand van zijn politiefoto op pagina 19 van het dossier.

Gelet op het korte tijdsbestek tussen de diefstal van de pinpas en het pinnen met de pinpas en het feit dat de kleding uit het signalement van [slachtoffer 4] overeenkomt met de kleding van de man op de beelden, is de rechtbank van oordeel dat het één en dezelfde persoon is geweest die de pinpas heeft weggenomen en met deze pinpas een geldbedrag heeft gepind.

De rechtbank acht derhalve eveneens wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 5 eerste cumulatief/alternatief en tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde feiten.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

1.

hij op 14 mei 2018 te Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning heeft weggenomen sieraden en een pinpas toebehorende aan [slachtoffer 1] ;

en

hij op 14 mei 2018 te Alphen aan den Rijn, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geldbedragen (in totaal EUR 1.300), toebehorende aan [slachtoffer 1] , waarbij hij, verdachte, het weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een bankpas op naam van [slachtoffer 1] , met bijbehorende pincode, tot het gebruik waarvan verdachte niet gerechtigd was;

2.

hij op 14 mei 2018 te Bodegraven, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning heeft weggenomen een geldbedrag (in totaal ca. EUR 170) en een pinpas, toebehorende aan [slachtoffer 2] ;

3.

hij op19 april 2018 te Alphen aan den Rijn, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning heeft weggenomen een pinpas, toebehorende aan [slachtoffer 3] ;

en

hij op 20 april 2018 te Rotterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (in totaal EUR 1.000), toebehorende aan [slachtoffer 3] , waarbij hij, verdachte, het weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een bankpas op naam van [slachtoffer 3] , met bijbehorende pincode, in elk geval een sleutel tot het gebruik waarvan verdachte niet gerechtigd was;

4.

hij op 19 april 2018 te Alphen aan den Rijn, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning heeft weggenomen een portemonnee en een geldbedrag (EUR 100), toebehorende aan [slachtoffer 4] ;

5.

hij op 3 juni 2018 te Alphen aan den Rijn, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning heeft weggenomen een pinpas, toebehorende aan [slachtoffer 5] ;

en

hij op 3 juni 2018, te Alphen aan den Rijn, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (in totaal EUR 1.000), toebehorende aan [slachtoffer 5] , waarbij hij, verdachte, het weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een bankpas op naam van [slachtoffer 5] , met bijbehorende pincode, in elk geval een sleutel tot het gebruik waarvan verdachte niet gerechtigd was.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de strafmaat op het standpunt gesteld dat bij een bewezenverklaring van meerdere feiten de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf de duur van twee jaren en negen maanden niet te boven mag gaan.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich in de periode van 19 april 2018 tot en met 3 juni 2018 schuldig gemaakt aan een vijftal vermogensdelicten waarbij senioren op hoge leeftijd (tussen de 82 en 92 jaar oud) het slachtoffer zijn geworden. De verdachte is iedere keer op slinkse wijze de woningen van de slachtoffers binnengekomen om vervolgens uit die woningen sieraden, pinpassen, geld en een portemonnee weg te nemen. In een drietal gevallen heeft de verdachte met de pinpassen van de slachtoffers ook geld opgenomen van hun bankrekening.

De rechtbank neemt het de verdachte zeer kwalijk dat hij hoogbejaarde personen als een makkelijke prooi heeft gezien en hen daarom bewust heeft uitgekozen. De verdachte heeft met zijn handelen het vertrouwen in de medemens, van wie oudere mensen in toenemende mate afhankelijk zijn, in ernstige mate geschaad. Bij de diefstallen zijn zoals voornoemd ook sieraden weggenomen, welke voor het slachtoffer een zeer grote emotionele waarde hadden. De verdachte heeft zich kennelijk alleen laten leiden door zijn zucht naar financieel gewin en geenszins stilgestaan bij de gevolgen voor de slachtoffers.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 24 januari 2020. Daaruit blijkt dat de verdachte meermalen voor soortgelijke strafbare feiten met politie en justitie in aanraking is geweest.

Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf zoals geëist door de officier van justitie passend en geboden.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen / de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 1] heeft zich ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 8.015,--. De vordering strekt tot de vergoeding van materiële schade, bestaande uit:

waarde juwelen: € 7.965;

eigen risico bank: € 50.

[slachtoffer 3] heeft zich ten aanzien het onder 3 tenlastegelegde als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 444,23. De vordering strekt tot de vergoeding van materiële schade (€ 49,23, te weten het niet vergoede bedrag door de ING-bank) en immateriële schade (€ 395).

[slachtoffer 4] heeft zich ten aanzien het onder 4 tenlastegelegde als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 300. De vordering strekt tot de vergoeding van materiële schade (€ 100, te weten het geld uit de portemonnee) en immateriële schade (€ 200).

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering van [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk te verklaren, nu hij in deze zaak vrijspraak heeft bepleit.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 1 eerste en tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde feiten.

De vordering is namens de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 8.015.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 14 mei 2018, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte voor de onder 1 eerste en tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde feiten zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door deze feiten is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 8.015, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 mei 2018 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [slachtoffer 1] .

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 3 eerste en tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde feiten.

De vordering ten aanzien van de materiële schade ter hoogte van € 49,23 is namens de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij.

Voor wat betreft de immateriële schade geldt dat deze door de benadeelde partij onvoldoende (nader) is onderbouwd. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de bewezenverklaarde feiten gevoelens van onveiligheid en onbehagen hebben veroorzaakt bij de benadeelde, is voor de toewijsbaarheid van een dergelijke vordering in beginsel vereist dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Een enkel (psychisch) onbehagen is niet voldoende, in beginsel zal sprake moeten zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Niet gesteld of gebleken is dat daarvan sprake is (geweest). Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij op dit punt niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 49,23.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 14 mei 2018, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte voor de onder 3 eerste en tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde feiten zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door deze feiten is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 49,23, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 mei 2018 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [slachtoffer 3] .

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 4 bewezenverklaarde feit.

De vordering ten aanzien van de materiële schade ter hoogte van € 100 is namens de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij.

Voor wat betreft de immateriële schade geldt dat deze door de benadeelde partij onvoldoende (nader) is onderbouwd. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het bewezenverklaarde feit gevoelens van onveiligheid en onbehagen heeft veroorzaakt bij de benadeelde, is voor de toewijsbaarheid van een dergelijke vordering in beginsel vereist dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Een enkel (psychisch) onbehagen is niet voldoende, in beginsel zal sprake moeten zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Niet gesteld of gebleken is dat daarvan sprake is (geweest). Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij op dit punt niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 100.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 19 april 2018, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte voor het onder 4 bewezenverklaarde feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door deze feiten is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 100, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 april 2018 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [slachtoffer 4] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 eerste cumulatief/alternatief en tweede cumulatief/alternatief, onder 2, onder 3 eerste cumulatief/alternatief en tweede cumulatief/alternatief, onder 4 en onder 5 eerste cumulatief/alternatief en tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1, eerste cumulatief/alternatief:

diefstal;

ten aanzien van feit 1, tweede cumulatief/alternatief:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

ten aanzien van feit 2:

diefstal;

ten aanzien van feit 3, eerste cumulatief/alternatief:

diefstal;

ten aanzien van feit 3, tweede cumulatief/alternatief:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

ten aanzien van feit 4:

diefstal;

ten aanzien van feit 5, eerste cumulatief/alternatief:

diefstal;

ten aanzien van feit 5, tweede cumulatief/alternatief:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren;

de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1] een bedrag van € 8015, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 mei 2018 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 8.015, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 mei 2018, tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [slachtoffer 1] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 3] een bedrag van € 49,23, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 mei 2018 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 49,23, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 mei 2018, tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [slachtoffer 3] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 1 dag. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 4] een bedrag van € 100, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 19 april 2018 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 100, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 april 2018, tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [slachtoffer 4] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 2 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. L.K. van Zaltbommel, voorzitter,

mr. Chr.A.J.F.M. Hensen, rechter,

mr. R. Wieringa, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. E.C. Bloem, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 maart 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018217639, van de politie eenheid Den Haag, district Alphen aan den Rijn - Gouda, districtsrecherche Alphen aan den Rijn - Gouda, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 159).

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 41-42.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 46.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 56, met bijlage screenshots ING, p. 57-59.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 60; proces-verbaal van bevindingen, p. 150, met bijlagen screenshots ABN-AMRO, p. 150-153 en politiefoto verdachte, p. 154.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 61, met bijlagen screenshots ING, p. 62-66.

7 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , p. 68-69.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 73.

9 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] , p. 79-80.

10 Proces-verbaal Sporenonderzoek, p. 83-84.

11 Het rapport ‘DNA-onderzoek naar aanleiding van een delict gepleegd in Alphen aan den Rijn op 19 april 2018’ van het Nederlands Forensisch Instituut van 24 mei 2018, p. 87-89; proces-verbaal identificatie n.a.v. DNA-sporen, p. 85.

12 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 5] , p. 118-119.

13 Proces-verbaal van bevindingen, p. 126, met bijlage screenshots beelden, p. 128-132.