Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2413

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-03-2020
Datum publicatie
19-03-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3221
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rva-verstrekkingen beëindigd na afwijzing artikel 64 Vw-aanvraag - COA - enkel verzoek om vovo maakt nog geen recht op Rva-verstrekkingen - acute medische noodsituatie niet aannemelijk gemaakt - geen recht op feitelijke opvang - artikel 10 Vw

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/3221

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),

en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), verweerder

(gemachtigde: mr. H. Chamkh).

Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de verstrekkingen aan eiseres op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) met ingang van 3 april 2019 beëindigd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1.

Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1974 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Op 14 januari 2019 is namens eiseres een aanvraag ingediend om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

1.2.

Bij besluit van 25 januari 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan eiseres, in afwachting van een beslissing op de aanvraag, op grond van artikel 64 van de Vw 2000 voorlopig uitstel van vertrek verleend voor een periode van maximaal zes maanden, te weten van 25 januari 2019 tot 25 juli 2019, of zoveel korter tot het moment waarop op de aanvraag is beslist.

1.3.

Bij besluit van 6 maart 2019 heeft de staatssecretaris de aanvraag van eiseres afgewezen. Aan deze afwijzing is het advies van 14 februari 2019 van het Bureau Medische Advisering (BMA) ten grondslag gelegd. Uit het BMA-advies blijkt dat uitblijven van de medische behandeling weliswaar zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn, maar dat de voor eiseres noodzakelijke medische behandeling in Nigeria aanwezig is. Eiseres zou daarnaast in staat zijn om te reizen. De staatssecretaris heeft zich verder op het standpunt gesteld dat nu eiseres haar identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond met een origineel en geldig document voor grensoverschrijding, zij niet aannemelijk kan maken dat de noodzakelijke medische zorg voor haar feitelijk niet toegankelijk is in Nigeria. Hierbij is verwezen naar het beleid in paragraaf A3/7.1.5 in de Vreemdelingencirculaire 2000 (de Vc 2000). Om die reden gaat de staatssecretaris ervan uit dat de noodzakelijke medische zorg voor eiseres toegankelijk is.

1.4.

Op 12 maart 2019 heeft een gesprek tussen verweerder en eiseres plaatsgevonden waarbij eiseres in kennis is gesteld van het voornemen om, gelet op de afwijzing van haar aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000, haar Rva-verstrekkingen te beëindigen. Zij heeft daarbij haar zienswijze naar voren gebracht.

2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres met ingang van 3 april 2019 geen recht meer heeft op verstrekkingen op grond van de Rva 2005. Nu haar rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder j, van de Vw 2000 op 6 maart 2019 is geëindigd, eindigt volgens verweerder ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rva 2005 na vier weken eveneens het recht op opvang. Verweerder stelt verder dat in het geval van eiseres niet is aangetoond dat een acute medische noodsituatie zal ontstaan bij het beëindigen van de Rva-verstrekkingen. Van een zodanig bijzondere omstandigheid dat eiseres feitelijk alsnog opvang moet worden verleend, is daarom geen sprake. Daarnaast stelt verweerder dat eiseres ook in een situatie buiten de opvang op grond van het bepaalde in artikel 10 van de Vw 2000 aanspraak kan maken op voortgaande medisch noodzakelijke zorg. Het enkele feit dat eiseres geen Rva-verstrekkingen meer heeft, leidt daarom niet tot het gevolg dat een behandeling van eiseres niet mogelijk is, aldus verweerder.

3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiseres stelt dat zij ten aanzien van het besluit van 6 maart 2019 van de IND een verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend en zij de behandeling daarvan in Nederland mag afwachten. Dit brengt volgens eiseres met zich dat zij ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder f, van de Rva 2005 hangende deze behandeling ook recht heeft op Rva-verstrekkingen. Daarnaast voert eiseres aan dat zich in haar geval zeer bijzondere omstandigheden voordoen, waardoor een recht op feitelijke opvang buiten de Rva-verstrekkingen om ontstaat. Zij verwijst hierbij naar haar zienswijze van 26 maart 2019 en haar gronden voor het verzoek een voorlopige voorziening te treffen van 22 maart 2019.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de omstandigheid dat eiseres de behandeling van een verzoek om een voorlopige voorziening in beginsel hier te lande mag afwachten, niet met zich brengt dat zij hangende deze behandeling ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder f, van de Rva 2005 ook recht heeft op Rva-verstrekkingen.

Anders dan eiseres stelt, ontstaat dit recht op Rva-verstrekkingen pas indien een verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen en eiseres zich feitelijk in dezelfde situatie bevindt als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000. Dit volgt uit artikel 3, derde lid, aanhef en onder h, van de Rva 2005 onder verwijzing naar artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000. Nu het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening bij uitspraak van 24 december 2019 van deze rechtbank met zaaknummer AWB 19/1720 is afgewezen en evenmin is vastgesteld dat eiseres zich feitelijk in dezelfde situatie bevindt als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000, faalt de beroepsgrond.

6.2.

Nu eiseres niet behoort tot één van de categorieën vreemdelingen aan wie opvang wordt geboden zoals bepaald in artikel 3, tweede en derde lid, van de Rva 2005, richt het geschil zich op de vraag of in het geval van eiseres zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen waardoor een recht op feitelijke opvang buiten de Rva 2005 om ontstaat.

6.3.

Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 10 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:597) volgt dat verweerder niet gehouden kan worden tot het verlenen van opvang in situaties die niet zijn voorzien in de Rva 2005, tenzij zich de bijzondere omstandigheid van een acute medische noodsituatie voordoet. Het is evenwel aan de desbetreffende vreemdeling om, indien daartoe aanleiding bestaat, aannemelijk te maken dat van een zodanige bijzondere omstandigheid sprake is. Ter beantwoording van de vraag of zodanige situatie zich voordoet, beoordeelt verweerder of een vreemdeling lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van onmiddellijke behandeling in deze fase van de stoornis zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke dan wel lichamelijke schade. Dat die situatie zich voordoet, behoeft niet aan het onthouden van opvang in de weg te staan, indien de desbetreffende vreemdeling aanspraak heeft op een voorziening in de zin van artikel 10, tweede lid, van de Vw 2000 die schade voorkomt.

6.4.

Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Vw 2000 kan de vreemdeling, die geen rechtmatig verblijf heeft, geen aanspraak maken op toekenning van verstrekkingen voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat hiervan kan worden afgeweken voor, onder andere, de aanspraak op verlening van medisch noodzakelijke zorg. Hieruit volgt dat, zoals hiervoor is overwogen en door de Afdeling is bevestigd in de uitspraak van 20 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:903), het voordoen van een acute medische noodsituatie verweerder niet automatisch tot het verlenen van opvang noopt. Ook buiten de opvang kan een vreemdeling aanspraak maken op verlening van medisch noodzakelijke zorg. Het is aan eiseres om te onderbouwen dat opvang noodzakelijk is voor een effectieve aanspraak op de noodzakelijke medische zorg.

6.5.

Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres er niet in geslaagd te onderbouwen dat bij het uitblijven van opvang een acute medische noodsituatie dreigt dan wel dat het hebben van opvang – gelet op haar medische situatie – noodzakelijk is voor een adequate medische behandeling. Eiseres heeft geen medische informatie overgelegd waaruit dit zou kunnen worden afgeleid. De enkele verwijzing naar een rapport van het BMA acht de rechtbank in dit verband onvoldoende, nu een dergelijk rapport ziet op de vraag of bij terugkeer naar het land van herkomst bij uitblijven van medische behandeling een medische noodsituatie dreigt. Een causaal verband tussen het ontstaan van een (acute) medische noodsituatie bij het beëindigen van de opvang kan met een dergelijk rapport niet worden aangetoond. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van het ontstaan van een acute medische noodsituatie als gevolg van het beëindigen van de opvang. Voorts heeft verweerder terecht overwogen dat eiseres ingevolge artikel 10 van de Vw 2000 aanspraak heeft op een voorziening die het intreden van de gevolgen van het achterwege laten van medische behandeling voorkomt.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Frieling, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

BIJLAGE

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 8

De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:

[…]

h. in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist;

[…]

j. indien tegen de uitzetting beletselen bestaan als bedoeld in artikel 64;

[…]

Artikel 10

1. De vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, kan geen aanspraak maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de bij de wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen ontheffingen of vergunningen.

2. Van het eerste lid kan worden afgeweken indien de aanspraak betrekking heeft op het onderwijs, de verlening van medisch noodzakelijke zorg, de voorkoming van inbreuken op de volksgezondheid, of de rechtsbijstand aan de vreemdeling.

3. De toekenning van aanspraken geeft geen recht op rechtmatig verblijf.

Artikel 64

Uitzetting blijft achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.

Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005

Artikel 3

1. Het COA draagt zorg voor de centrale opvang van asielzoekers door erin te voorzien dat hen opvang wordt geboden in een opvangvoorziening.

2. Tot de in het eerste lid bedoelde categorieën asielzoekers aan wie opvang wordt geboden behoren:

[…]

3. Met de in het vorige lid bedoelde categorieën asielzoekers worden gelijkgesteld:

[…]

f. de vreemdeling wiens uitzetting op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 achterwege blijft, met uitzondering van de vreemdeling die in afwachting is van de definitieve beslissing op zijn verzoek om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 en die niet een uitgeprocedeerde asielzoeker is en die evenmin een vreemdeling is die in afwachting is van de uitspraak in hoger beroep in zijn asielprocedure;

g. de vreemdeling aan wie in verband met het onderzoek naar de feitelijke toegankelijkheid van de noodzakelijke zorg in zijn land van herkomst voorlopig uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 is verleend in afwachting van de definitieve beslissing op zijn verzoek om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000;

h. de vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f of h van de Vreemdelingenwet 2000, en zich, naar het oordeel van Onze Minister, feitelijk in dezelfde situatie bevindt als bedoeld in artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000;

[…]

Artikel 4

[…]

3. Er bestaat geen recht op opvang:

[…]

d. door het enkele beroep van de asielzoeker op artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 of op de daarmee gelijkgestelde feitelijk situatie of op de daarmee gelijkgestelde feitelijk situatie, bedoeld in artikel 3, derde lid, aanhef en onder g.

Artikel 7

1.Het recht op opvang eindigt in de volgende gevallen:

[…]

d. indien het een asielzoeker betreft aan wie met toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder f en g van deze regeling opvang is geboden: vier weken nadat het rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder j, van de Vreemdelingenwet 2000 is geëindigd;

e. indien het een asielzoeker betreft aan wie met toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder h van deze regeling opvang is geboden: op de dag na de dag waarop naar het oordeel van Onze Minister niet langer sprake is van feitelijk dezelfde situatie, als bedoeld in artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000;

[…]