Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2389

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-01-2020
Datum publicatie
19-03-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2992
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

artikel 9 Vw document - Chavez-Vilchez - K.A. - ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/2992

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J. Singh),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.S.M. Rietveld).

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) (hierna: het verblijfsdocument) afgewezen.

Bij besluit van 10 oktober 2018 heeft verweerder het bezwaar van eiser (kennelijk) ongegrond verklaard.

De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, heeft bij uitspraak van 28 februari 2019 (AWB 18/7589) het beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 oktober 2018 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Bij besluit van 2 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser opnieuw ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2019.

Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1958 in Egypte. Sinds 2002 verblijft hij in Nederland. Op 27 december 2017 heeft eiser onderhavige aanvraag ingediend.

2. Eiser beoogt verblijf bij zijn zoon [A] (hierna: referent), geboren op [geboortedatum] 2000. Referent heeft de Nederlandse nationaliteit. Sinds zijn zestiende, en daarvoor van zijn vierde tot elfde levensjaar, woont referent bij eiser en zijn broers in Nederland. In de periodes daartussenin woonde hij bij zijn moeder in Egypte.

3. Voor een overzicht van de besluitvorming tot aan de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 28 februari 2019, en hetgeen eiser daartegen heeft aangevoerd verwijst de rechtbank naar voornoemde uitspraak.

3.1

De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, heeft in voornoemde uitspraak onder rechtsoverweging 3.2 geoordeeld dat verweerder niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat vanwege de meerderjarigheid van referent ten tijde van het (toen) bestreden besluit en het feit dat er sprake is van een declaratoir recht, een situatie als bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 10 mei 2017 (hierna: arrest Chavez-Vilchez)1 zich niet voordoet. De rechtbank overwoog vervolgens (onder r.o. 3.2.1 e.v.) dat dit onverlet laat dat ook tussen volwassenen een zodanige afhankelijkheidsverhouding kan bestaan dat hieruit een verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU kan ontstaan. Onder verwijzing naar het arrest K.A. van het HvJEU van 8 mei 2018 (hierna: arrest K.A.)2 heeft de rechtbank voorts geoordeeld dat niet zonder nader onderzoek, bijvoorbeeld door een gehoor, reeds op voorhand kon worden uitgesloten dat sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in het arrest K.A. waarbij tussen volwassen familieleden een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat deze een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) doet ontstaan, namelijk in gevallen waarin de betrokkene, gelet op alle relevante omstandigheden, op geen enkele wijze kan worden gescheiden van het familielid van wie hij afhankelijk is. Bij dit oordeel betrok de rechtbank dat eiser bij de aanvraag stukken had overgelegd waarbij was gesteld dat referent volledig afhankelijk is van eiser.

3.2

In navolging van voornoemde uitspraak heeft verweerder eiser op 19 maart 2019 gehoord. Voorts heeft eiser aanvullende stukken in het geding gebracht. Dit betreft enerzijds financiële informatie, namelijk een factuur van 7 november 2016 betreffende een vrijwillige bijdrage en een bijdrage voor excursies van de Scholengroep Leonardo Da Vinci aan eiser en een ongedateerd betalingsbewijs voor een schoolbijdrage ten behoeve van referent. Daarnaast is een schriftelijke verklaring van referent overgelegd, waarin onder meer staat dat referent eiser zal volgen naar Egypte als eiser geen verblijf in Nederland wordt toegestaan.

4. Vanwege de meerderjarigheid van referent ten tijde van de beoordeling en de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, heeft verweerder in het thans bestreden besluit het toetsingskader gehanteerd dat besloten ligt in het arrest K.A. Verweerder stelt zich op het standpunt dat conform het arrest K.A. niet is aangetoond dat tussen eiser en referent sprake is van een dermate uitzonderlijke situatie die een dusdanige afhankelijkheidsrelatie betreft dat daardoor een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU moet worden aangenomen. Verweerder heeft daarbij van belang geacht dat eiser tijdens de hoorzitting duidelijk heeft aangegeven dat referent niet genoodzaakt zou zijn de EU te verlaten indien aan eiser het gevraagde verblijfsdocument niet zal worden gegeven, omdat hij bij zijn andere meerderjarige broers [B] en [C] zal blijven, maar mogelijk van school zal moeten en zal moeten gaan werken. Bovendien heeft eiser verklaard aan referent te hebben gevraagd wat hij zou doen als eiser Nederland dient te verlaten. Eiser heeft aangegeven dat referent in Nederland zal blijven. Verweerder hecht meer waarde aan deze verklaringen van eiser dan aan de schriftelijke verklaring van referent. Uit de overgelegde stukken en hetgeen daarover is verklaard leidt verweerder voorts af dat de gestelde afhankelijkheid vooral financieel van aard is. Weliswaar stelt eiser dat er sprake is van emotionele afhankelijkheid, maar gesteld noch gebleken is dat de emotionele afhankelijkheid een meer dan affectieve binding tussen ouder en een meerderjarig kind overstijgt. Volgens verweerder is onvoldoende gebleken dat eiser referent niet op afstand financieel zou kunnen ondersteunen of de emotioneel affectieve relatie op afstand zou kunnen voortzetten. Er is daarom niet aangetoond dat tussen eiser en referent sprake is van een dermate uitzonderlijke situatie als bedoeld in het arrest K.A..

5. Eiser voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referent. Er is een sterke emotionele band tussen eiser en referent en verweerder kan niet in redelijkheid van referent verwachten dat hij afhankelijk moet zijn van zijn broers die zelf afhankelijk zijn van studiefinanciering. Eiser dient als studerend kind met bovendien een achterstand op school niet voor dergelijke dilemma’s te worden geplaatst. Naast financieel verantwoordelijke, verricht eiser ook alle huishoudelijke taken als (enige) verzorgende ouder. Het is opmerkelijk dat verweerder meer waarde hecht aan een indirecte verklaring van eiser dan aan de eigen verklaring van referent. Het bestreden besluit is op onjuiste gronden en op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen, aldus eiser. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser aanvullend en onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 22 november 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:12897, betoogd dat verweerder ten onrechte aan ten tijde van de beoordeling aangescherpt beleid heeft getoetst, hetgeen in strijd is met artikel 3.103 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Daarnaast gaat verweerder ten onrechte uit van de meerderjarigheid van referent nu verweerder had moeten kijken naar zijn (minderjarige) leeftijd ten tijde van de aanvraag. Er had dus getoetst moeten worden aan het arrest Chavez-Vilchez, aldus de gemachtigde.

6. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

8. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) brengt de rechtszekerheid met zich dat het betrokken bestuursorgaan en belanghebbenden mogen uitgaan van de rechtmatigheid van het besluit, voor zover hiertegen beroepsgronden zijn gericht en de rechtbank deze uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen (zie de uitspraak van 6 augustus 2003,
ECLI:NL:RVS: 2003:AI0801). In de uitspraak van 28 februari 2019 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, geoordeeld zoals hiervoor onder 3.1 opgenomen. Voor zover de rechtbank bekend heeft eiser tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld. Gelet hierop heeft de uitspraak van 28 februari 2019 kracht van gewijsde gekregen. Dat betekent dat indien in een beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar beroepsgronden worden aangevoerd die door de rechtbank in die eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, de rechtbank van de juistheid van het eerdere gegeven oordeel over die beroepsgrond dient uit te gaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan dus niet meer worden toegekomen aan de beroepsgronden die de gemachtigde van eiser eerst ter zitting naar voren heeft gebracht (zie onder 5) nu die zien op het oordeel van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, zoals in die uitspraak weergegeven onder 3.2.

9. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verweerder, toetsend aan het arrest K.A., zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat tussen eiser en referent een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat referent, gelet op alle relevante omstandigheden, op geen enkele wijze kan worden gescheiden van eiser van wie hij afhankelijk is. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

10. Eiser heeft tijdens het gehoor op 19 maart 2019 als volgt verklaard:

Stel dat u weg zou moeten, zou hij dan met u meegaan of blijft hij bij [B] en [C] in de woning?

Hij is genoodzaakt om bij hen in te trekken.

Hij zou dus niet met u meegaan, maar bij [B] en [C] blijven?

Ja, maar dan zou hij van school moeten en moeten gaan werken.

Maar hij zou dan niet met u meegaan?

Nee. Hij kan de situatie in Egypte niet verdragen. Geen een jeugdige kan het leven in Egypte verdragen. Mensen vertrekken juist uit Egypte.

Gemachtigde: mag ik een vraag stellen via de tolk?

Ja.

Gemachtigde: Heeft u ooit aan [D] gevraagd wat hij zou doen?

Ja

En wat was het antwoord

Die vraag heb ik gesteld. Hij zei dat hij hier zou blijven.

(…)

Aan gemachtigde: heeft u nog iets toe te voegen?

Ik zal een verklaring van [D] toesturen.

Deze verklaring zal waarschijnlijk haaks staan op de huidige verklaring van meneer.

Meneer: Maar zo is het. Hij zal van school moeten gaan en moeten gaan werken. Maar hij zou wel hier blijven.”

Verweerder heeft, gelet op de omstandigheid dat het eiser duidelijk was/had moeten zijn dat verweerder met het gehoor onderzocht of sprake is van een afhankelijkheidsrelatie zoals bedoeld in het arrest K.A., terecht groot gewicht toegekend aan de verklaringen van eiser. Uit die verklaringen heeft verweerder redelijkerwijs mogen afleiden dat referent in Nederland zou blijven als eiser verblijf in Nederland wordt geweigerd en naar Egypte moet vertrekken. De achteraf overgelegde schriftelijke verklaring van referent, is onvoldoende voor een ander oordeel. Op eiser rust de bewijslast om de tegenstrijdigheid tussen deze verklaringen uit te leggen, maar dit is, ondanks dat daartoe wel mogelijkheid was, niet gedaan.

11. Hoewel invoelbaar is dat referent eiser graag in zijn nabijheid wil hebben, en andersom, en aangenomen kan worden dat de aanwezigheid van eiser op referent een positieve uitwerking heeft, heeft verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in het arrest K.A.. De enkele stellingen van eiser dat referent financieel en emotioneel afhankelijk van hem is en een ontwikkelingsachterstand zou hebben, zijn daartoe onvoldoende. Weliswaar woont referent bij eiser en de andere twee volwassen zonen van eiser in en biedt eiser dagelijkse zorg en begeleiding aan referent, maar daaruit volgt nog niet dat sprake is van een dusdanige afhankelijkheid dat referent op geen enkele wijze gescheiden kan worden van eiser. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat niet is gebleken dat deze emotionele en financiële zorg niet ook vanuit Egypte kan worden geboden. Hoewel de gemachtigde van eiser ter zitting heeft verklaard dat er geen financiële mogelijkheden in Egypte zijn om verdere ondersteuning te bieden, gaat de rechtbank hieraan voorbij, omdat dit een niet onderbouwde stelling betreft over een voor de toekomst onzekere gebeurtenis. Voorts is niet onderbouwd dat referent een (taal)achterstand heeft en daardoor problemen ervaart in het onderwijs. Bovendien is niet onderbouwd hoe dit van invloed is op de beoordeling van de afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referent. Ten overvloede wijst de rechtbank er op dat de kinderen van eiser die in Nederland verblijven zouden kunnen helpen bij de zorg voor referent. Al deze omstandigheden in overweging genomen is de rechtbank van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat referent op geen enkele wijze van hem gescheiden kan worden. Daardoor is onvoldoende onderbouwd dat referent gedwongen is het grondgebied van de Europese Unie te verlaten indien eiser het verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU niet wordt verleend.

12. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van E. Frieling, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 ECLI:EU:C:2017:354.

2 ECLI:EU:C:2017:821.