Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2384

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-03-2020
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
NL20.5233
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring, Dublinclaimant, zicht op verwijdering ontbreekt niet, coronavirus tijdelijke belemmering, beroep ongegrond.

Wetsartikelen: artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000

Samenvatting:

Nu verweerder ter zitting heeft aangegeven dat Dublinclaimanten tijdelijk niet worden overgedragen aan Italië vanwege het coronavirus, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een tijdelijke belemmering. Het zicht op verwijdering binnen een redelijke termijn ontbreekt op dit moment niet. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de tijdelijke belemmering tot gevolg heeft dat hij niet tijdig kan worden overgedragen. De enkele stelling dat niet is gebleken dat er op korte termijn een oplossing zal worden gevonden, maakt dit niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.5233

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S. Wortel), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A.M.H.W. van Heerebeek).

Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Abdulla. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [1997] .

De gronden van de maatregel

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregelnodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

3d. niet dan welniet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;

3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;

en als lichte gronden2 vermeld dat eiser:

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;

4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

3. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden onder 3a, 3b, en 3f en alle lichte gronden niet heeft bestreden. Deze bewaringsgronden zijn samen voldoende om aan te nemen dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze gronden zijn voldoende om de maatregelte dragen. De overige gronden van de maatregel bespreekt de rechtbank daarom niet. De beroepsgrond slaagt niet.

Zicht op verwijdering

4. Eiser voert verder aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. Eiser kan namelijk niet worden overgedragen naar Italië vanwege de uitbraak van het coronavirus daar.

5. De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat Dublinclaimanten tijdelijk niet worden overgedragen aan Italië vanwege in het coronavirus. Er is dus sprake van een tijdelijke belemmering en daarom ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het zicht op verwijdering binnen een redelijke termijn nu ontbreekt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de tijdelijke belemmering tot gevolg heeft dat hij niet tijdig kan worden overgedragen. De enkele stelling dat niet is gebleken dat er op korte termijn een oplossing zal worden gevonden, maakt dit niet anders. Van het definitief ontbreken van het zicht op verwijdering is namelijk nog geen sprake. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Een lichter middel

6. Voor zover eiser ter zitting heeft betoogd dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, omdat eiser graag terug wil naar Italië met zijn zwangere vrouw, overweegt de rechtbank als volgt.

7. De rechtbank moet beoordelen of verweerder terecht geen lichter middel heeft gekozen dan de inbewaringstelling. Verweerder mag daarbij niet alleen verwijzen naar de bewaringsgronden, maar moet in de maatregel specifiek motiveren waarom hij de bewaring noodzakelijk vindt. Daarbij moet verweerder ook ingaan op de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Dit is vaste rechtspraak.3 De rechtbank is van oordeel dat verweerder dat in deze zaak heeft gedaan en dus terecht geen lichter middel heeft toegepast. Hierbij acht

2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.

3 ABRvS 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309)

en het arrest van het HvJEU van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).

de rechtbank van belang dat eiser al eerder aan Italië is overgedragen, maar weer is teruggekomen naar Nederland. Daarnaast is eiser met een vals paspoort aangehouden en blijkt uit de onbestreden gronden die aan de maatregelten grondslag liggen een significant risico op onderduiken. Gelet op voorgaande heeft verweerder terecht opgemerkt dat een meldplicht niet zal leiden tot het zelfstandig vertrek van eiser. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Karman, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

13 maart 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.