Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2380

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
06-04-2020
Zaaknummer
C/09/587099 / FA RK 20-157
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 20-157

Zaaknummer: C/09/587099

Datum beschikking: 17 maart 2020

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 17 januari 2020 ingekomen verzoek van:

[X] ,

de moeder,

wonende te Polen,

advocaat: mr. A.H. van Haga te Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[Y]

de vader,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. N.A. Boelhouwer te Tilburg.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift, met bijlagen;

  • -

    het verslag van de na te noemen bijzondere curator van 21 februari 2020;

  • -

    het verweerschrift, met bijlagen;

  • -

    het F9-formulier van 2 maart 2020, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

  • -

    het F9-formulier van 2 maart 2020, met bijlagen, van de zijde van de vader.

Op 4 februari 2020 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat en door een tolk, mevrouw [naam 1] , alsmede de vader, bijgestaan door zijn advocaat en door de heer [naam 2] , die voor de vader heeft vertaald, en namens de Raad voor de Kinderbescherming mevrouw [naam 3] . Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. H. Dragtsma. De behandeling ter terechtzitting is aangehouden.

Aan partijen is de gelegenheid geboden om een crossborder mediation traject te volgen, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, om te proberen tot een minnelijke regeling te komen. Partijen hebben daar om hen moverende redenen geen gebruik van gemaakt.

Bij beschikking van 6 februari 2020 is drs. J.L. van Wesemael-Smit benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige [naam minderjarige] De bijzondere curator is verzocht de volgende vragen te beantwoorden:

  1. Wat geeft de minderjarige zelf aan over een eventueel verblijf in Polen en een eventueel verblijf in Nederland?

  2. In hoeverre lijkt de minderjarige zich vrij te kunnen uiten?

  3. In hoeverre lijkt de minderjarige de gevolgen van het verblijf in Polen of het verblijf in Nederland te overzien?

  4. Wil de minderjarige met de rechter(s) spreken en zo ja, wenst de minderjarige dat de bijzondere curator daarbij aanwezig zal zijn?

  5. Zijn er nog bijzonderheden naar voren gekomen die van belang zijn voor de te nemen beslissingen?

De minderjarige [voornaam minderjarige] is op 3 maart 2020 in het bijzijn van de bijzondere curator en van de tolk, mevrouw [naam 1] , in raadkamer gehoord.


Op 3 maart 2020 is de behandeling ter zitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en door een tolk, mevrouw [naam 4] ;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en door een tolk, mevrouw [naam 5] ;

- de bijzondere curator drs. J.L. van Wesemael-Smit;

- namens de Raad voor de Kinderbescherming mevrouw [naam 3] .

Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.

Verzoek en verweer

De moeder heeft verzocht, met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet), de onmiddellijke terugkeer van [voornaam minderjarige] te bevelen uiterlijk op 1 februari 2020, althans de terugkeer van [voornaam minderjarige] vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de vader hem dient terug te brengen naar primair het woonadres van de moeder en subsidiair naar Polen, dan wel – indien de vader nalaat [voornaam minderjarige] terug te brengen – te bepalen op welke datum de vader hem met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder zal afgeven, zodat zij [voornaam minderjarige] zelf mee terug kan nemen naar Polen, met veroordeling van de vader in de reële proceskosten die de moeder heeft moeten maken, alsmede in de kosten in verband met het verzoek tot teruggeleiding, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Voorts heeft de moeder verzocht te bepalen dat de voorlopige voogdij over [voornaam minderjarige] wordt uitgesproken waarbij de rechtbank de instantie aanwijst die belast wordt met deze voorlopige voogdij, onder de bepaling dat deze voorlopige voogdij eindigt op het moment van afgifte van [voornaam minderjarige] aan de moeder dan wel de teruggeleiding van hem naar Polen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vader heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

  • -

    De moeder en de vader zijn gehuwd geweest van [datum huwelijk] 2011 tot [datum echtscheiding] 2015.

  • -

    Zij zijn de ouders van [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , Duitsland.

  • -

    Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [voornaam minderjarige] uit.

  • -

    De vader, de moeder en [voornaam minderjarige] hebben de Poolse nationaliteit.

  • -

    De Poolse Centrale Autoriteit heeft zich op 19 september 2019 gewend tot de Nederlandse Centrale Autoriteit (CA). De zaak is bij de CA geregistreerd onder IKO nr. [nummer] .

Beoordeling

Het verzoek van de moeder is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Polen zijn partij bij het Verdrag.

Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht volgens het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Niet ter discussie staat dat [voornaam minderjarige] , voordat hij naar Nederland ging, zijn gewone verblijfplaats in Polen had. Evenmin staat ter discussie dat de vader en de moeder naar het recht van Polen gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] en dat dit gezagsrecht daadwerkelijk gezamenlijk werd uitgeoefend.

Ter discussie staat de vraag of de moeder toestemming heeft verleend voor, dan wel heeft berust in, een permanent verblijf van [voornaam minderjarige] in Nederland, waardoor de gewone verblijfplaats van [voornaam minderjarige] is gewijzigd naar Nederland.

De vader voert als verweer in dit verband het volgende aan. Hij kreeg via kennissen die al in Nederland woonden het advies om in Nederland te gaan wonen. Dit zou goed zijn voor de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] en voor de vader zelf als ondernemer. De vader is met toestemming van de moeder samen met [voornaam minderjarige] naar Nederland gegaan en zij verblijven daar vanaf 28 oktober 2018. [voornaam minderjarige] is vanwege de kerstdagen op 20 december 2018 teruggegaan naar de moeder in Polen. De afspraak was, althans volgens de vader, dat [voornaam minderjarige] op 7 januari 2019 weer zou terugkeren naar Nederland, maar de moeder weigerde [voornaam minderjarige] te laten teruggaan. Uiteindelijk is [voornaam minderjarige] pas begin april 2019 weer naar Nederland gekomen. De vader betwist de stelling van de moeder dat het de bedoeling was dat [voornaam minderjarige] op 5 mei 2019 weer zou terugkeren naar de moeder. Daar is tussen de ouders niet over gesproken, aldus de vader. [voornaam minderjarige] is in Nederland naar school gegaan en heeft het schooljaar 2018-2019 afgerond op de basisschool in Nederland. Ook het schooljaar 2019-2020 is [voornaam minderjarige] weer in Nederland op de basisschool gestart. De moeder heeft eind augustus 2019 voor het eerst laten weten dat zij wilde dat [voornaam minderjarige] zou terugkomen, aldus de vader.

De moeder betwist de hiervoor genoemde stellingen van de vader. Het klopt dat [voornaam minderjarige] in oktober 2018 met de vader naar Nederland is gegaan, maar dit was voor vakantie. Het was de bedoeling dat [voornaam minderjarige] na de vakantie weer zou terugkeren naar de moeder in Polen. Omdat dit niet gebeurde is de moeder met haar zus naar Nederland afgereisd om [voornaam minderjarige] op te halen. De vader wilde [voornaam minderjarige] niet mee teruggeven en de ouders zijn toen als compromis overeengekomen dat [voornaam minderjarige] uiterlijk 20 december 2020 zou terugkeren naar de moeder in Polen. Dit is ook gebeurd. Het was uitdrukkelijk niet de bedoeling dat [voornaam minderjarige] op 7 januari 2019 weer zou teruggaan naar Nederland, aldus de moeder. [voornaam minderjarige] is in januari 2019 ook weer gewoon naar de kinderopvang in Polen gegaan. Op 11 april 2019 is [voornaam minderjarige] voor de Paasdagen en het eerste weekend van mei (in verband met de Poolse nationale feestdagen op 1 en 3 mei) naar zijn vader in Nederland gegaan. De moeder heeft [voornaam minderjarige] in verband met deze vakantie voor drie weken afgemeld bij de opvang. De afspraak was dat [voornaam minderjarige] uiterlijk op 5 mei 2019 weer zou terugkeren bij zijn moeder. De moeder heeft herhaalde malen geprobeerd contact op te nemen met de vader om het exacte tijdstip van terugkeer af te stemmen. De vader was niet duidelijk over het exacte tijdstip van terugkeer en gaf aan dat het “later” zou zijn. Uiteindelijk heeft de moeder van de vader te horen gekregen dat [voornaam minderjarige] op 5 mei 2019 niet zou terugkeren. De moeder heeft kort daarna in Polen contact opgenomen met verschillende instanties, zoals de politie en de rechtbank. Vanuit de rechtbank in Polen is haar toen geadviseerd om teruggeleiding van [voornaam minderjarige] te verzoeken. De moeder heeft vervolgens begin augustus 2019 een melding gedaan bij de Poolse CA. [voornaam minderjarige] had per september 2019 moeten starten op de basisschool in [plaats] . De moeder stelt nadrukkelijk dat zij geen toestemming heeft gegeven voor achterhouding van [voornaam minderjarige] in Nederland. Zij heeft slechts toestemming gegeven voor een verblijf van [voornaam minderjarige] bij de vader in Nederland, eerst in 2018 tot vlak voor de Kerstdagen en daarna in 2019 rond de Paasdagen en uiterlijk tot 5 mei 2019. De moeder heeft noch voorafgaande aan het verblijf van [voornaam minderjarige] bij zijn vader vanaf 11 of 12 april 2019, noch nadien toestemming gegeven aan de vader om [voornaam minderjarige] langer dan tot 5 mei 2019 bij zich in Nederland te hebben, aldus de moeder.

De rechtbank stelt voorop dat aangenomen wordt dat berusting op zowel actieve als passieve wijze kan plaatsvinden en volgt op de ongeoorloofde achterhouding, terwijl toestemming aan die overbrenging of achterhouding daaraan voorafgaat. Gelet hierop komt de beoordeling of de moeder haar toestemming heeft gegeven aan de orde bij de vaststelling van de gewone verblijfplaats van [voornaam minderjarige] en ziet de vraag of sprake is van berusting of instemming met het verblijf op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag. De bewijslast dat deze weigeringsgrond zich voordoet, rust op de vader.

De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat in ieder geval dat [voornaam minderjarige] gewone verblijfplaats tot in oktober 2018 in Polen lag. In oktober 2018 is [voornaam minderjarige] vanuit Polen, waar de vader, de moeder en [voornaam minderjarige] woonden, met de vader naar Nederland gegaan. Vervolgens is [voornaam minderjarige] vlak voor de Kerstdagen in 2018 naar de moeder teruggekeerd. De ouders verschillen erover van mening of [voornaam minderjarige] op 7 januari 2019 weer zou terugkeren bij de vader, zoals hij stelt. Gelet op het feit dat de vader zijn stelling in het geheel niet (met stukken) heeft onderbouwd en gelet op het gemotiveerde verweer van de moeder, waarbij zij onder meer met stukken heeft onderbouwd dat zij [voornaam minderjarige] heeft afgemeld voor de kinderopvang van 1 november 2018 tot het einde van 2018 en dat [voornaam minderjarige] daar begin 2019 weer is gestart, gaat de rechtbank aan die stelling van de vader voorbij. Vervolgens is [voornaam minderjarige] begin april 2019 weer naar de vader in Nederland gegaan. De moeder heeft haar toestemming hiervoor verleend. De moeder heeft gesteld en met stukken onderbouwd (zie bijvoorbeeld de toestemmingsverklaring om met [voornaam minderjarige] te reizen) dat die toestemming zag op een verblijf van [voornaam minderjarige] in Nederland in de periode van 11 april tot 5 mei 2019. Dat zij de vader vervolgens toestemming heeft gegeven om zich definitief met [voornaam minderjarige] in Nederland te vestigen, wordt door de moeder betwist en is naar het oordeel van de rechtbank door de vader niet nader onderbouwd. In het licht van de betwisting door de moeder is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet komen vast te staan dat de vader toestemming heeft gekregen van de moeder voor een permanent verblijf van [voornaam minderjarige] in Nederland. Dat zij in een permanent verblijf van [voornaam minderjarige] in Nederland heeft berust is evenmin gebleken. De vader heeft ook geen enkele concrete stelling ingenomen die zien op gedragingen van de moeder die daarop zouden wijzen.

De feitelijke gedragingen van de moeder duiden er naar het oordeel van de rechtbank juist op dat zij de vader geen toestemming heeft gegeven om zich met [voornaam minderjarige] in Nederland te vestigen en daar evenmin in heeft berust. Zo heeft de moeder onweersproken gesteld dat zij al snel nadat zij wist dat [voornaam minderjarige] niet naar haar zou terugkeren contact heeft opgenomen met verschillende instanties in Polen, zoals de rechtbank en de politie. Op advies van de rechtbank heeft zij begin augustus 2019 een melding gedaan bij de Poolse CA, waarna door de Poolse CA contact is opgenomen met de Nederlandse CA.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet de overbrenging, maar wel de vasthouding van [voornaam minderjarige] in Nederland vanaf 5 mei 2019, is geschied in strijd met het gezagsrecht van de moeder.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat de vasthouding van [voornaam minderjarige] in Nederland aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel
3 van het Verdrag.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag

Op grond van artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank. Op grond van lid 2 van genoemd artikel wordt de terugkeer van een kind gelast, zelfs als de termijn van één jaar is verstreken, tenzij wordt aangetoond dat het kind inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving.

De vader stelt dat [voornaam minderjarige] reeds langer dan één jaar in Nederlands verblijft. De moeder voert verweer. De rechtbank overweegt dat, zoals hiervoor overwogen, de vasthouding van [voornaam minderjarige] in Nederland vanaf 5 mei 2019 is geschied in strijd met het gezagsrecht van de moeder. Nu er daarom minder dan één jaar is verstreken tussen de vasthouding van de [voornaam minderjarige] in Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of [voornaam minderjarige] in Nederland is geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van [voornaam minderjarige] te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.

Nu niet is gebleken dat er sprake is van een van de in artikel 13 van het Verdrag genoemde weigeringsgronden – de vader heeft hierop ook geen beroep gedaan – terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde vasthouding van [voornaam minderjarige] en de indiening van het verzoekschrift, dient op grond van artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de [voornaam minderjarige] te volgen.

Op grond van artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het wenselijk dat [voornaam minderjarige] een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kan afwachten en zal het verzoek van de moeder om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afwijzen. De rechtbank zal de terugkeer gelasten op uiterlijk 3 april 2020, zijnde de derde dag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend.

Wijze van terugkeer

De rechtbank zal voorbij gaan aan het primaire verzoek van de moeder om de teruggeleiding van [voornaam minderjarige] specifiek naar de woonplaats van de moeder te gelasten.

De rechtbank overweegt dat de strekking van het Verdrag (en de Uitvoeringswet) is dat het kind wordt teruggeleid naar het land van herkomst zodat daar zo nodig verdere beslissingen over de verblijfplaats van het kind kunnen worden genomen. Het is niet de bedoeling van het Verdrag dat in een teruggeleidingsprocedure wordt beslist over de verblijfplaats van het kind. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de teruggeleiding naar de specifieke woonplaats van de moeder te gelasten. De rechtbank zal het subsidiaire verzoek van de moeder toewijzen en teruggeleiding naar Polen gelasten.

Voorlopige voogdij

Nu [voornaam minderjarige] in de afgelopen periode op minimaal vier adressen woonachtig is geweest, waardoor voor de moeder steeds onduidelijk was wat de daadwerkelijke verblijfplaats van [voornaam minderjarige] was, en de moeder minimaal contact heeft met [voornaam minderjarige] en/of de vader, ziet de moeder aanleiding om te vragen om de voorlopige voogdij over [voornaam minderjarige] uit te spreken. De moeder acht het een reëel risico en heeft gegronde vrees dat de vader – indien de teruggeleiding wordt toegewezen – met [voornaam minderjarige] onderduikt of naar een adres buiten Nederland vertrekt.

De vader heeft hetgeen de moeder stelt gemotiveerd betwist. De vader stelt zich op het standpunt dat er geen aanleiding is om de voorlopige voogdij uit te spreken.

De rechtbank zal het verzoek van de moeder om een instantie te belasten met de voorlopige voogdij over [voornaam minderjarige] afwijzen. Het is de rechtbank, uit de overgelegde stukken en wat tijdens de zitting is besproken, niet gebleken dat er op basis van concrete feiten en omstandigheden gevaar bestaat dat [voornaam minderjarige] zal worden onttrokken aan een teruggeleiding. De vader heeft inmiddels een woning in Rijen, waar hij met [voornaam minderjarige] woont en ook heeft de vader hier zijn werk en een nieuwe partner. Niet is gebleken dat de vader plannen heeft om naar een ander (onbekend) adres of naar het buitenland te vertrekken. De rechtbank heeft bij haar overweging ook betrokken dat de Raad voor de Kinderbescherming geen aanleiding ziet voor het uitspreken van een voorlopige voogdij maatregel.

Proceskosten

De rechtbank zal het verzoek van de moeder om de vader op grond van artikel 26 lid 4 van het Verdrag te veroordelen in de door haar ter zake van de teruggeleiding gemaakte kosten bij gebreke van (enige) onderbouwing van die kosten afwijzen.

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Bijzondere curator

De rechtbank acht het in het belang van [voornaam minderjarige] dat de bijzondere curator de uitspraak van de rechtbank (en eventueel de uitspraak van het Gerechtshof) met hem bespreekt. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de benoeming van de bijzondere curator, voor zover er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing, doorloopt tijdens de appelprocedure. Indien er geen hoger beroep wordt ingesteld dan beschouwt de rechtbank de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure één maand na datum van deze beschikking als beëindigd.

Beslissing

De rechtbank:

gelast de terugkeer van de minderjarige:

- [naam minderjarige] geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , Duitsland,

naar Polen uiterlijk op 3 april 2020, waarbij de vader de minderjarige dient terug te brengen naar Polen en beveelt, indien de vader nalaat de minderjarige terug te brengen naar Polen, dat de vader de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder zal afgeven uiterlijk op 3 april 2020, opdat de moeder de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar Polen;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte;

beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van

17 april 2020 als beëindigd.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I. Zetstra, J.M. Vink en M.S. Vonck, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. S.G.J. Verkennis als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2020.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.