Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2348

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-03-2020
Datum publicatie
17-03-2020
Zaaknummer
NL20.5730 en NL20.5838
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring, terugkeerbesluit en inreisverbod, er is zicht op uitzetting, geen lichter middel, ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL20.5730 en NL20.5838


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. B.H. Cevik).


Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2020 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 opgelegd.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Dit beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Over bestreden besluit 1

1. In het terugkeerbesluit heeft verweerder vermeld dat eiser de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten. Vermeld is dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:

(zware gronden)

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
(lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

2. Eiser voert aan dat er geen risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Hij heeft daartoe de hiervoor genoemde gronden 3a, 3b, 3d, 3i en 4a bestreden.

2.1.

Eisers betoog dat de gronden 3a en 3b niet aan hem kunnen worden tegengeworpen, faalt. Tijdens zijn illegale binnenkomst in Nederland heeft hij niet beschikt over de vereiste identiteitspapieren. Daarnaast heeft hij geen melding gemaakt van zijn illegale verblijf en hij heeft niet gereageerd op de brieven van de Dienst Terugkeer & Vertrek. Eisers betoog ter zitting dat hij jong is en op straat leeft, doet daar niets aan af. Het is immers eisers eigen verantwoordelijkheid om contact op te nemen met de autoriteiten om zijn verblijf of vertrek te regelen.

Eisers betoog dat de gronden 3d en 3i niet aan hem kunnen worden tegengeworpen, faalt eveneens. Hij heeft blijkens het proces-verbaal van gehoor van 3 maart 2020 aangegeven dat hij niet terug wil naar zijn land van herkomst, omdat hij hier al zes jaar is. Op de vraag wat zijn bezwaar is om terug te keren naar zijn land van herkomst, heeft hij geantwoord: “ Waarom zou ik daar heen gaan, ik heb daar niks”. Hieruit blijkt genoegzaam dat eiser niet terug wil keren naar zijn land van herkomst en uit zichzelf geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer. Dat laatste blijkt ook uit de verklaring van eiser dat hij niet wil spreken met een consulaire vertegenwoordiger ter vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit.

2.2.

Op grond van artikel 6.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000 volgt reeds uit de gronden 3a, 3b, 3d, 3i, 4c en 4d een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.

Over bestreden besluit 2

3. Het betoog dat er in het kader van de maatregel van bewaring geen risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken, faalt gelet op hetgeen is overwogen onder 2. Ook voor de maatregel van bewaring zijn de terecht tegengeworpen gronden voldoende om een risico op onttrekking aan te nemen.

4. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn ontbreekt. Ter onderbouwing wijst hij op de brief van verweerder aan de Tweede Kamer van 12 februari 2019 waarin het onderzoek “Maatregelen gericht op asielzoekers uit veilige landen. Analyse van een beleidslogica.” van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum wordt besproken. Eiser stelt dat hij afkomstig is uit een land dat minder goed meewerkt aan gedwongen vertrek. Volgens eiser is het maar de vraag of de Marokkaanse autoriteiten een laissez-passer (lp) zullen verlenen.

4.1.

Dit betoog faalt. De rechtbank stelt allereerst vast dat bij uitspraak van 10 december 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:13386) deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, na daartoe gestelde concrete vragen aan verweerder heeft geconcludeerd dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. Dat oordeel heeft de rechtbank gebaseerd op de volgende informatie van verweerder: sinds 31 mei 2019 zijn in totaal 137 lp-aanvragen bij de Marokkaanse autoriteiten ingediend. Er hebben elf dagen met gemiddeld steeds tien presentaties in persoon plaatsgevonden. Sinds 31 mei 2019 zijn er géén lp’s aan de Dienst Terugkeer & Vertrek afgegeven maar wel één aan een vreemdeling en één aan de IOM. Verder hebben er sinds 31 mei 2019 negen uitzettingen naar Marokko plaatsgevonden, waarvan negen met gebruikmaking van een paspoort en twee op basis van een luchtvaartclaim.

4.2.

Verweerder heeft tijdens de zitting verwezen naar de uitspraak van 24 december 2019 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is geoordeeld dat niet is gebleken van aanknopingspunten dat de diplomatieke vertegenwoordiging van Marokko in algemene zin weigerde lp’s te verstrekken, zodat de staatssecretaris zich daarmee terecht op het standpunt heeft gesteld dat zicht op uitzetting niet ontbrak. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat zicht op uitzetting naar Marokko in zijn algemeenheid ontbreekt.

5. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan inbewaringstelling, omdat hij bij zijn tante of vriendin kan verblijven. Verweerder had dit beter moeten onderzoeken, aldus eiser.

5.1.

Verweerder heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling concreet gevraagd naar medische en andere persoonlijke omstandigheden van eiser. Ook heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld individuele omstandigheden naar voren te brengen die tot een lichter middel zouden kunnen leiden. Hierbij heeft eiser geen bijzondere omstandigheden aangevoerd, anders dan de verklaring dat hij niet terug wil en hier een vriendin heeft. Deze omstandigheid heeft verweerder overwogen in de maatregel van bewaring, waarbij is gewezen op het risico op onttrekking aan het toezicht en de daarbij gegeven toelichting. Nu eiser verder niets heeft aangevoerd was verweerder niet gehouden uitvoeriger te onderzoeken of eiser toch bij zijn tante of vriendin had kunnen verblijven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, mede gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden van de maatregel, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast.

Over de beroepen

6. Het beroep tegen de bestreden besluiten is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af..

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.I. Blagrove, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Mohamed, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.