Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2346

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
19-03-2020
Zaaknummer
09/827318.18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Waterpolocoach veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf voor verkrachting

De rechtbank in Den Haag heeft vandaag een 34-jarige man uit Leiden veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf. Hij krijgt deze straf voor het meermalen verkrachten van en het plegen van ontucht met voornamelijk minderjarige meisjes die hij als waterpolospeelsters in opleiding had. In totaal gaat het om vier slachtoffers en de man moet hen schadevergoeding betalen; ook voor het geestelijk leed dat hij hen heeft aangedaan. In de zaken van twee andere aangeefsters wordt de verdachte vrijgesproken.

Invloed als coach en trainer

De man was op hoog niveau werkzaam als waterpolocoach en -trainer. Zo kwam hij in contact met talentvolle jonge speelsters. Hij werd door de meisjes gezien als iemand van wie zij veel konden leren. Ook zou hij een doorslaggevende invloed kunnen hebben op hun verdere carrière. De man bepaalde wie wel en wie niet in aanmerking kwam voor het spelen van wedstrijden op hoog niveau.

Misbruik van invloed

De man was zich er van bewust dat hij grote invloed op de jonge speelsters had. Ook het grote leeftijdsverschil tussen de verdachte en zijn slachtoffers droeg daaraan bij. Hij heeft hier misbruik van gemaakt. Hij heeft zijn invloed gebruikt voor de bevrediging van zijn eigen seksuele lusten en de slachtoffers bewogen tot seksuele handelingen.

Verdachte ontkent

In de twee gevallen waarin verkrachting is bewezen heeft de verdachte geen fysiek geweld gebruikt. Maar zijn invloed op de slachtoffers was zo groot dat zij zich gedwongen voelden seks met de man te hebben. Verdachte dacht daarbij alleen aan zichzelf, en niet aan de schade die hij aanrichtte aan de verdere carrière van zijn slachtoffers, laat staan aan hun psychische schade. Hij heeft zo goed als alles ontkend en geen enkel inzicht getoond in het verwerpelijke van zijn handelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/827318-18

Datum uitspraak: 19 maart 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboortedatum] ,

BRP-adres: [adres] , [woonplaats] .

Inleiding; aard van de zaak

1. De verdachte in deze zaak is gedurende vele jaren werkzaam geweest op hoog niveau als coach en trainer op het gebied van de waterpolosport. In die hoedanigheid is hij in contact gekomen met vele talentvolle jonge speelsters, die hij begeleidde in hun streven naar succes bij hun waterpolocarrière. Dat contact had hij niet alleen als coach/trainer, maar in een aantal gevallen ook als topsportbegeleider op een middelbare school.

2. In juni 2018 hebben twee jonge vrouwen, met wie de verdachte niet alleen als trainer maar ook als topsportbegeleider te maken had, aangifte gedaan van door de verdachte jegens hen gepleegde strafbare feiten, waaronder verkrachting. Nadat aan de zaak bekendheid was gegeven, hebben zich nog meer waterpolospeelsters, met wie de verdachte in het al dan niet recente verleden professioneel contact had gehad, tot de politie gewend. Dat heeft uiteindelijk in nog vier andere gevallen geleid tot het doen van aangifte.

3. Aan de verdachte worden strafbare handelingen ten laste gelegd ten opzichte van zes waterpolospeelsters. In drie gevallen is sprake van de verdenking van verkrachting, waarbij de uitgeoefende – voor verkrachting vereiste – dwang niet zou hebben bestaan in geweld of bedreiging met geweld, maar in andere feitelijkheden, waaronder het overwicht dat de verdachte op de aangeefsters zou hebben gehad vanwege het leeftijdsverschil en zijn hoedanigheid van coach/trainer. De overige ten laste gelegde feiten zien op ontucht met minderjarigen die ten opzichte van de verdachte in een afhankelijke situatie zouden zijn geweest.

4. De verdachte heeft – op één feit na – alles wat hem is ten laste gelegd ontkend.

De tenlastelegging

5. Aan de verdachte is – na nadere omschrijving van de tenlastelegging ter terechtzitting van 19 november 2018 en wijziging daarvan ter terechtzitting van 3 maart 2020 – ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Procesverloop

6. Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 7 september 2018, 19 november 2018, 1 februari 2019, 22 maart 2019, 24 mei 2019 (alle pro forma) en 3, 4 en 5 maart 2020 (inhoudelijke behandeling).

7. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. K. van Diemen en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouwen mrs. H. Faouzi en A.M. de Koning naar voren is gebracht.

8. Ter terechtzitting van 4 maart 2020 hebben vijf aangeefsters gebruik gemaakt van hun spreekrecht. Namens hen heeft ter terechtzitting van 5 maart 2020 hun raadsman, mr. R.A. Korver, het woord gevoerd over de bewezenverklaring en de op te leggen straf.

Standpunten van de procesdeelnemers

Openbaar ministerie

9. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten, waarbij zij ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit het primair tenlastegelegde bewezen acht. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en daarbij de ontzetting van het recht om een beroep uit te oefenen als trainer, coach of begeleider van minderjarigen voor de duur van 10 jaren.

Verdediging

10. De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aan zien van de onder 1, 2, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit heeft de verdediging partiële vrijspraak bepleit van enkele gedachtestreepjes, inhoudende seksuele handelingen die de verdachte heeft ontkend, en voor het overige tot bewezenverklaring geconcludeerd. De verdediging heeft bepleit voor het bewezen te verklaren feit een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, de maximaal op te leggen taakstraf en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf met daarbij bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Ten aanzien van het beroepsverbod heeft de verdediging bepleit om de duur daarvan te matigen.

Aangeefsters

11. Namens de aangeefsters, die door hem worden vertegenwoordigd, heeft mr. Korver betoogd dat alle aan de verdachte ten laste gelegde feiten, voor zover die zien op zijn cliënten, wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Mr. Korver heeft zich voor wat betreft de op te leggen straf gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, zij het dat zijn cliënten menen dat de straf zeker niet onder de eis van de officier van justitie dient uit te komen.

Bewijsoverwegingen

12. De rechtbank zal de op de tenlastelegging voorkomende feiten behandelen in de volgorde waarin zij bij de inhoudelijke behandeling aan de orde zijn geweest1.

Algemeen: de werkzaamheden van de verdachte.

13. De rechtbank zal eerst enige overwegingen wijden aan de achtergrond van de verdachte en aan de werkzaamheden van de verdachte in de periode waarop de ten laste gelegde feiten betrekking hebben, aangezien de aard van die werkzaamheden bij de beoordeling van de bewijsvraag voor al die feiten van belang is.

14. De verdachte is, naar hij tegenover de politie2 en ter terechtzitting heeft verklaard, van jongs af aan actief beoefenaar van de waterpolosport geweest. Hij heeft zeven jaren in de eredivisie gespeeld, maar kon in verband met medische ingrepen op een zeker moment (hij was toen rond de 24 jaar oud) zelf niet meer spelen. Nadat hij een jaar als waterpolocoach in Griekenland had gewerkt, is hij in 2011 in Leiden hoofdcoach geworden bij de sportvereniging ZVL-1886, hierna ook te noemen: ZVL. In die hoedanigheid was hij onder meer coach van de selectie Dames 1 en 2, wat betekende dat hij bepaalde welke speelsters er mochten meedoen met wedstrijden in het eerste team en welke niet. ZVL was in het seizoen 2013/2014 succesvol door alle drie de nationale prijzen te winnen (de supercup, het landskampioenschap, en de KNZB-beker). In het seizoen 2014/2015 werd de KNZB-beker wederom gewonnen en was ZVL finalist van de playoffs voor het landskampioenschap.3 In diezelfde periode was de verdachte werkzaam als assistent-coach waterpolo van het damesteam van Jong Oranje en hij was als zodanig medeverantwoordelijk voor de beslissing wie er wel en wie niet in dat team meespeelde.

15. Aan het slot van het seizoen 2014/2015 is er een eind gekomen aan de werkzaamheden van de verdachte als coach, zowel bij ZVL als bij Jong Oranje. Hij is vrijwel aansluitend, en wel voor 20 uren per week, werkzaamheden gaan verrichten als waterpolotrainer bij een andere instantie, te weten het Regionaal Trainingscentrum Waterpolo Leiden, hierna ook te noemen: RTC. Hij heeft deze werkzaamheden tot aan zijn aanhouding in juni 2018 verricht.

16. Blijkens een op het internet te vinden bericht van sleutelstad.nl van 10 februari 20164 is het RTC in het leven geroepen door het Leonardo College, de Koninklijke Nederlandse Zwembond, de stichting Topsport Leiden en de Stichting Regionale waterpoloschool. Het doel van dit trainingscentrum is dat talenten uit de regio Leiden zich door kunnen ontwikkelen om topsporter te worden, zodat ze vaker kunnen trainen dan bij een reguliere sportclub mogelijk is. In bedoeld bericht is verder onder meer het volgende te lezen:

[verdachte] (is) al een paar maanden bezig met het coachen van de talenten uit de Leidse Regio. ”Er zitten veel talentvolle spelers bij ons. Veel van hen gaan al naar het Europees Jeugd Kampioenschap” aldus [verdachte] . “De faciliteiten worden veel beter voor deze kinderen, ze kunnen nu twee keer zo veel trainen. Dat is ook echt nodig om mee te kunnen met de wereldtop.

(…)

Technisch directeur van de KNZB [naam] had lovende woorden over [verdachte] . “Hij leeft met passie voor deze sport. Zijn inzet is essentieel geweest voor dit nieuwe RTC”. Volgens [technisch directeur] draagt het nieuwe centrum eraan bij dat Oranje op topniveau kan blijven presteren en net als in Beijing wellicht weer een gouden medaille kan halen.

17. De rechtbank stelt vast dat alleen al uit de voorgaande omstandigheden – waarvan de juistheid niet door de verdachte is betwist – blijkt dat de verdachte in de periode vanaf 2011 tot aan zijn aanhouding op hoog niveau werkzaam is geweest als coach en trainer op het gebied van de waterpolosport. Hij werd door velen binnen zijn vakgebied gezien als een zeer goede, zo niet uitmuntende coach, zoals mede blijkt uit de verklaringen van de als getuigen gehoorde waterpolocoaches [getuige 1]5 en [getuige 2]6. De rechtbank houdt het er voor dat de verdachte ook – en zeker niet ten onrechte – door de speelsters met wie hij professioneel in contact kwam, moet zijn gezien al “de grote man” en als iemand die een beslissende invloed kon en zou uitoefenen op het verloop van hun carrière in de waterpolosport.

18. Aan het eind van seizoen 2014/2015 is de verdachte, na het beëindigen van zijn werkzaamheden als coach bij ZVL en Jong Oranje, behalve voor het RTC, ook gaan werken voor het Leonardo College te Leiden als begeleider Topsporters (LOOT-begeleider) en als coach ten behoeve van leerlingen met leerproblemen7. De functieomschrijving LOOT-begeleider houdt onder meer het volgende in8:

 Begeleiden topsporttalentleerlingen met een LOOT-status;

 Toezicht houden in de Topsporttalentenruimte en TT-leerlingen helpen bij hun schoolwerk;

 Gesprekken voeren over hoe de combinatie sport en studie gaat;

 Oplossingen zoeken bij knelpunten, bijvoorbeeld door het rooster of bij docenten;

 Onderhouden van contacten met ouders;

 Onderhouden van contacten met sportorganisaties en verenigingen.

19. [getuige 3] , werkzaam bij het Leonardo College als topsportcoördinator, heeft (samengevat en onder meer) als getuige het volgende verklaard.9 Het Leonardo College heeft ongeveer 100 topsportleerlingen. De verdachte is één van de begeleiders daarvan en hij begeleidt ongeveer 10 à 12 leerlingen. In die hoedanigheid past de verdachte roosters aan. Topsportleerlingen hebben voor bepaalde vakken vrijstellingen en dan gaan ze voor zelfstudie naar een daarvoor ingericht zelfstudielokaal. Er is een relatie tussen het RTC en het Leonardo College. Leerlingen die tot het RTC zijn toegelaten, zijn automatisch leerlingen met een status als topsportleerling. Ze zitten bij het Leonardo College op school, hebben vier keer per week RTC-training van de verdachte en hebben dan om 10 uur weer les op school. De verdachte is daarom gevraagd op school aan begeleiding te doen, zo sloeg men twee vliegen in een klap. De leerlingen zagen hem door deze combinatie van trainer en begeleider bijna elke dag.

20. De verdachte heeft desgevraagd ter terechtzitting bevestigd dat hetgeen de [getuige 3] heeft verklaard juist is. Het klopt ook, aldus de verdachte, dat hij regelmatig in het zelfstudielokaal zat als zich daar de bedoelde topsportleerlingen bevonden die daar dan zaten te leren.

[slachtoffer 1]

Feit 1 en feit 2

21. De verdachte wordt er onder feit 2 van verdacht dat hij in de periode van 4 mei 2017 tot en met 17 juni 2018 meermalen ontucht heeft gepleegd met de minderjarige [slachtoffer 1] (hierna ook te noemen: [slachtoffer 1] ), die aan zijn zorg/opleiding of waakzaamheid was toevertrouwd. Feit 1 heeft betrekking op de verdenking dat de verdachte [slachtoffer 1] in de periode van 25 april 2017 tot en met 3 mei 2017 heeft verkracht. Dat feit is subsidiair ten laste gelegd als ontucht overeenkomstig feit 2.

Aangifte

22. [vader slachtoffer 1] heeft op 18 juni 2018 aangifte gedaan10 van strafbare feiten, gepleegd ten opzichte van zijn dochter [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2000. Aangever verklaart dat zijn dochter [slachtoffer 1] al van jongs af aan topsport beoefent, laatstelijk op het gebied van het waterpolo, en daardoor de laatste jaren in contact is gekomen met [verdachte] . Het is aangever bekend geworden dat er sprake is geweest van het plegen van ontuchtige handelingen door [verdachte] jegens [slachtoffer 1] .

Verklaringen [slachtoffer 1]

23. [slachtoffer 1] is zowel door de politie11 als door de rechter-commissaris12 als getuige gehoord. Haar bij die gelegenheden afgelegde verklaringen houden – samengevat en zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.

24. [slachtoffer 1] is rond haar 14e jaar lid geworden van ZVL. Zij speelde daar al snel op hoog niveau en werd ook geselecteerd voor Jong Oranje. Zij heeft toen [verdachte] voor het eerst gezien. Hij was niet haar coach of trainer bij ZVL of Jong Oranje, maar hij keek wel altijd bij haar trainingen van ZVL mee, want hij was de scout.

25. Naast haar trainingen bij ZVL en Jong Oranje trainde zij ook bij het RTC, waar de verdachte de trainer was. Dat gebeurde in elk geval in het begin drie keer per week. Zij heeft bij het RTC getraind tot juni 2018, zij het dat die trainingen in de laatste periode minder frequent waren.

26. Eind 2016 kreeg [slachtoffer 1] meer aandacht van de verdachte. Hij haalde haar een keer op met de auto op weg naar de training en daarna begon hij haar te appen. Hij vroeg haar wat de maximale leeftijd was van de mannen waarmee zij zoende. Hij stuurde vaak smileys van 18 met een streep erdoor. Hij ging vragen om foto’s van haar in haar string. Dat ging steeds verder en hij stuurde een foto van hem in zijn onderbroek. In februari 2017 ging [slachtoffer 1] mee naar een trainingskamp van ZVL in Athene, waar de verdachte ook bij was. Hij stuurde haar toen in de nacht een foto van zijn stijve piemel. Hij vroeg haar naar zijn kamer te komen, omdat hij geil en dronken was. Zij is daar niet op ingegaan.

27. Eind april 2017 is [slachtoffer 1] meegegaan met een trainingskamp in Servië. De verdachte was daar ook aanwezig. Hij had een eigen kamer, maar [slachtoffer 1] sliep met enkele andere meisjes op een kamer. Op 30 april 2017 rond 01.00 uur stuurde de verdachte haar een bericht dat zij naar zijn kamer moest komen en dat niemand haar mocht zien. Zij is naar zijn kamer geslopen. Toen zij daar binnen kwam, was het donker. De verdachte stond achter haar en ging meteen in haar broek met zijn hand. Hij deed haar broek naar beneden en toen stonden ze bij de tafel. Hij stond achter haar, pakte haar nek vast en duwde haar naar voren naar de tafel. Toen stak hij zijn piemel in haar vagina via de achterzijde. Hij deed met zijn hand haar mond dicht, want hij wilde niet dat zij geluid maakte. Op een gegeven moment kwamen ze op het bed. Hij ging bovenop haar liggen en stopte zijn piemel weer in haar vagina. Hij kwam klaar, pakte haar spullen en toen moest zij weg.

28. In de daarop volgende periode tot aan juni 2018 hebben [slachtoffer 1] en de verdachte veelvuldig seks gehad, veelal bij de verdachte thuis. Zij heeft alle keren dat dit gebeurde in haar dagboek genoteerd. De eerste keer na Servië was op 5 juli 2017 en de laatste keer op 9 juni 2018. In totaal (inclusief de eerste keer in Servië) heeft dit 30 keer plaatsgevonden. De verdachte heeft haar herhaaldelijk op het hart gedrukt dat niemand mocht weten van hun seksuele relatie, omdat als het uit zou komen de politie aan de deur zou komen en dat hij dan zijn kind, zijn baan, alles kwijt zou zijn.

29. [slachtoffer 1] is in september 2017 leerling geworden op het Leonardo College. De verdachte was daar haar LOOT-begeleider.

Feit 2

30. Dit feit ziet op de seksuele contacten tussen [slachtoffer 1] en de verdachte met uitzondering van het eerste contact in Servië.

31. De verdachte heeft erkend dat hij in de periode van 5 juli 2017 tot en met 9 juni 2018 29 keer seksuele handelingen met [slachtoffer 1] heeft verricht en wel meer in het bijzonder de handelingen die in de dagvaarding zijn beschreven. Tevens staat vast dat [slachtoffer 1] in die periode al wel 16, maar nog geen 18 jaar oud was en derhalve minderjarig. Voor een bewezenverklaring van hetgeen aan de verdachte onder dit feit is ten laste gelegd, komt het dan ook aan op de vraag of tevens bewezen is dat die seksuele handelingen hebben plaatsgevonden terwijl [slachtoffer 1] kon gelden als de pupil van de verdachte en/of een aan verdachtes zorg/opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwd persoon.

32. De rechtbank acht niet bewezen dat [slachtoffer 1] in de bedoelde periode kon gelden als de pupil van de verdachte dan wel een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwd persoon. Wel staat vast dat zij aan de opleiding van de verdachte was toevertrouwd. Tot dat oordeel is het volgende redengevend.

33. Door of namens de verdachte is niet betwist dat [slachtoffer 1] in elk geval vanaf eind 2016 (dus ruim een half jaar voordat de seksuele contacten begonnen) deelnam aan de RTC-trainingen waar de verdachte de (enige) trainer was. Daarnaast staat vast dat [slachtoffer 1] vanaf september 2017 op het Leonardo College les volgde en dat de verdachte was aangewezen als haar LOOT-begeleider. Alleen al deze omstandigheden zijn (meer dan) voldoende om de verdachte aan te merken als een persoon aan wie de opleiding van [slachtoffer 1] was toevertrouwd. De verdediging heeft vrijspraak van dit element van de tenlastelegging bepleit door er op te wijzen dat de frequentie van de RTC-trainingen in de loop der tijd was afgenomen en dat de taak van de verdachte als LOOT-begeleider bescheiden was, omdat [slachtoffer 1] goed in staat was om voor zichzelf op te komen. Die omstandigheden – zo al alle juist – leggen bij de bewijsbeslissing onvoldoende gewicht in de schaal, gelet op het belang waarop artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) ziet, te weten het beschermen van minderjarigen die zich in een zodanig afhankelijke positie bevinden dat de dader daaraan een zeker overwicht tegenover die minderjarigen kan ontlenen. Die situatie doet zich reeds gelet op de vastgestelde feiten voor, zodat er geen plaats is voor verdere differentiatie en onderzoek naar de precieze aard en omvang van de afhankelijke positie.

34. De slotsom is dat de rechtbank feit 2 wettig en overtuigend bewezen acht.

Feit 1 primair

Algemeen

35. Aan de verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 25 april 2017 tot en met 3 mei 2017 te Kikinda, althans in Servië, [slachtoffer 1] heeft verkracht. Dat feit ziet op het eerste seksuele contact tussen [slachtoffer 1] en de verdachte, zoals dat door [slachtoffer 1] in haar reeds aangehaalde verklaringen wordt beschreven.

36. De verdachte heeft niet bestreden dat er op de desbetreffende tijd en plaats (voor het eerst) seksueel contact heeft plaatsgevonden tussen hem en [slachtoffer 1] . Hij ontkent evenwel dat dit contact heeft plaatsgevonden onder invloed van welke vorm van dwang dan ook.

37. Voor zover aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij [slachtoffer 1] zou hebben gedwongen door geweld en/of bedreiging met geweld de – op zich vaststaande – seksuele handelingen te ondergaan, geldt dat daarvan – ook in de visie van de officier van justitie – niet is gebleken. De verdachte zal dan ook van dat onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

38. De officier van justitie acht wel bewezen dat [slachtoffer 1] tot het ondergaan van de seksuele handelingen is gedwongen door andere feitelijkheden. Die feitelijkheden bestaan, aldus de officier van justitie, in de door [slachtoffer 1] beschreven handelingen van de verdachte (waaronder het onverhoeds achter haar gaan staan, het naar voren duwen van het hoofd en het vasthouden van de keel van [slachtoffer 1] ) in combinatie met het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht in verband met het grote leeftijdsverschil en/of het feit dat de verdachte haar trainer en leraar was tegen wie [slachtoffer 1] opkeek.

39. De verdediging heeft – onder verwijzing naar de verklaring van de verdachte – met name de verklaring van [slachtoffer 1] betwist waaruit zou moeten volgen dat er sprake was van iets anders dan seksueel contact met volledig wederzijds goedvinden en zonder enige invloed daarop van hetzij feitelijke handelingen van de verdachte hetzij andere omstandigheden, zoals het leeftijdsverschil en/of de trainer/leer-relatie. De verdediging heeft in dat verband verwezen naar wat [slachtoffer 1] zelf omtrent het voorval heeft geschreven in een op 30 april 2017 om 07.44 uur in haar telefoon geplaatste notitie en (later) in haar dagboek.

Juridisch kader

40. De rechtbank neemt bij de beoordeling van de bewijsvraag op dit punt het volgende als uitgangspunt. Van door een feitelijkheid dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam als bedoeld in artikel 242 Sr kan slechts sprake zijn, indien de verdachte opzettelijk een zodanige psychische druk heeft uitgeoefend of het slachtoffer in een zodanige afhankelijkheidssituatie heeft gebracht dat het slachtoffer zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen die handelingen heeft kunnen verzetten, of dat de verdachte het slachtoffer heeft gebracht in een zodanige door hem veroorzaakte (bedreigende) situatie dat het slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken. Of zulk een dwang zich heeft voorgedaan, laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar hangt af van de concrete omstandigheden van het geval13.

Beoordeling

41. De in de dagvaarding genoemde omstandigheden, die zien op het leeftijdsverschil tussen de verdachte en [slachtoffer 1] en de omstandigheid dat de verdachte de trainer van [slachtoffer 1] was en dat [slachtoffer 1] tegen hem opkeek, neemt de rechtbank als vaststaand aan.

Het is evenwel de vraag of die omstandigheden voldoende zijn om te komen tot het oordeel dat daarmee al sprake was van feitelijkheden die [slachtoffer 1] in de desbetreffende nacht hebben gebracht in een afhankelijkheidssituatie, waarvan een zodanige psychische druk uitging en/of er een bedreigende situatie ontstond waardoor [slachtoffer 1] zich naar redelijke verwachting niet aan de seksuele handelingen heeft kunnen onttrekken. De officier van justitie is van oordeel dat dit inderdaad niet voldoende is, doch dat wel van dwang sprake was in combinatie met de overige specifieke handelingen van de verdachte op dat moment. Dat blijkt ook wel uit de omstandigheid dat alle overige seksuele contacten tussen [slachtoffer 1] en de verdachte aan hem niet als verkrachting zijn ten laste gelegd, maar op een wijze waarbij dwang geen te bewijzen element is.

42. De rechtbank sluit zich bij dit oordeel van de officier van justitie aan. Dat betekent dat het voor de (verdere) beoordeling van de bewijsvraag aankomt op de vraag of één of meer van overigens in de dagvaarding genoemde feitelijke handelingen van de verdachte bewezen kunnen worden verklaard.

43. De verdachte heeft al deze handelingen ontkend. Enig ander bewijsmiddel dat specifiek op deze gebeurtenis betrekking heeft, is niet voorhanden, anders dan de verklaring van [slachtoffer 1] zelf. Die verklaring wordt evenwel niet bevestigd door de telefoonnotitie waarnaar de verdediging heeft verwezen. In die notitie14 wordt het voorval in de desbetreffende nacht zeer uitvoerig, nauwkeurig en tot in ieder (ook seksueel) detail beschreven. Ook in het dagboek van [slachtoffer 1]15 is een – zij het kortere – passage over dit seksuele contact te vinden. In beide stukken wordt een seksueel contact beschreven dat met volledige wederzijdse instemming heeft plaatsgevonden. [slachtoffer 1] heeft, desgevraagd in haar verhoor bij de rechter-commissaris, erkend dat deze weergave niet overeenkomt met de wijze waarop zij het voorval inmiddels beschrijft en ervaart, maar een duidelijke reden daarvoor kon zij niet opgeven. De rechtbank oordeelt, anders dan de officier van justitie, dat aan de inhoud van deze stukken niet kan worden voorbijgegaan. Uit een oogpunt van bewijsbeoordeling betekent dit dat (uitsluitend) de verklaring van [slachtoffer 1] als onvoldoende bewijs heeft te gelden voor de in de dagvaarding beschreven handelingen, waaruit de ten laste gelegde dwang zou moeten volgen.

44. De slotsom is dat, bij gebreke aan wettig en overtuigend bewijs, de verdachte van feit 1 primair zal worden vrijgesproken.

Feit 1 subsidiair .

45. De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen en verwijst voor de motivering daarvan naar hetgeen zij hiervoor in de rechtsoverwegingen 30 tot en met 34 onder feit 2 heeft overwogen.

[slachtoffer 2]

Feit 4

46. De verdachte wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 1 juni 2012 tot en met 30 april 2014 [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) heeft gedwongen tot handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] . Verder wordt de verdachte ervan verdacht dat hij in de periode van 1 juni 2012 tot en met 5 februari 2014 ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 2] .

Aangifte

47. [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 1996, heeft – na een oriënterend gesprek bij de politie – op 3 juli 2018 aangifte gedaan16. Op 4 juli 2019 is zij door de rechter-commissaris als getuige gehoord. Samengevat en zakelijk weergegeven heeft [slachtoffer 2] het volgende verklaard. Zij heeft van jongs af aan waterpolo gespeeld. Zij deed dat aanvankelijk bij GZC-Donk in Gouda, en is daarmee meermalen Nederlands kampioen geworden. Vanaf haar 12de jaar mocht zij al bij Jong Oranje meetrainen. Toen zij 14 of 15 jaar was, ontmoette zij de verdachte bij Jong Oranje. [slachtoffer 2] vond de verdachte een goede trainer; zo’n coach is in Nederland schaars, aldus [slachtoffer 2] . In het begin zag [slachtoffer 2] de verdachte één keer per week bij de training van Jong Oranje. De verdachte zag vanaf het begin veel potentie in [slachtoffer 2] en dat gaf haar veel vertrouwen, maar ook extra druk om goed te presteren. Bij GZC-Donk verliep haar sportieve ontwikkeling niet geheel naar wens. Zij is toen naar ZVL overgestapt en is ook van school veranderd. Na haar overgang naar ZVL in 2013 zag [slachtoffer 2] de verdachte dagelijks. De verdachte had tegen [slachtoffer 2] gezegd dat, als zij naar ZVL zou gaan, zij de beste zou worden en zij bij hem alle kansen zou krijgen om zichzelf te ontwikkelen. Voor de overstap naar ZVL hadden [slachtoffer 2] en de verdachte al contact via de app en gingen ze wel eens met andere meiden stappen in Leiden. [slachtoffer 2] merkte daarbij wel dat de verdachte wat meer flirterig was dan zou moeten in een gezonde speler-coach relatie, doch dit vond [slachtoffer 2] niet direct alarmerend.

48. Achteraf denkt [slachtoffer 2] dat de verdachte op haar gevoel heeft ingespeeld om naar ZVL over te gaan. Hij deed dat door bij Jong Oranje dingen te zeggen als dat ze [slachtoffer 2] bij GZC-Donk niet waardeerden en haar talent niet zagen.

49. In de aanloop naar een toernooi van Jong Oranje in de zomer 2012 ging de Jong Oranje groep stappen in Leiden. De verdachte was ook mee. De verdachte heeft [slachtoffer 2] op een gegeven moment meegenomen naar een andere bar. Daar heeft de verdachte [slachtoffer 2] tegen een muur gezet en haar getongzoend. Hoewel [slachtoffer 2] op dat moment geen “nee” had gezegd, had zij achteraf wel meteen spijt, omdat de verdachte haar coach was en het dan niet normaal was. Dat heeft [slachtoffer 2] met de verdachte besproken, waarop hij zei dat niemand het wist en dat het eenmalig was.

50. Op een ander moment voor de overgang van [slachtoffer 2] naar ZVL, rond Leids Ontzet in oktober 2012, zijn [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] na het stappen bij de verdachte blijven slapen. Ze lagen met z’n drieën in een bed. De verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer 2] te zoenen en hij heeft haar betast, bij de borsten, billen en vagina. De verdachte probeerde [slachtoffer 2] te vingeren, maar door de tegenwerking van [slachtoffer 2] heeft de verdachte dat opgegeven. De verdachte probeerde ook seks met [slachtoffer 2] te hebben door haar onderbroek naar beneden te trekken en te proberen zijn penis van achteren bij [slachtoffer 2] in haar vagina te doen. Dat lukt hem niet. [slachtoffer 2] vond het wel vreemd dat een coach van Jong Oranje in bed bij haar seksuele handelingen verrichtte. Door de verdachte werd een druk op haar uitgeoefend door te zeggen dat, als zij niet naar ZVL zou komen, mensen er achter zouden komen dat ze gezoend hadden en niemand dan zou geloven dat het zijn initiatief was geweest. De verdachte zei ook dat, als dit zou uitkomen, [slachtoffer 2] niet meer in het Nederlands team zou kunnen spelen, omdat [naam] , de vriendin van de verdachte – op dat moment de beste speelster van Nederland tegen wie [slachtoffer 2] erg opkeek – dat niet zou accepteren. [slachtoffer 2] ging ervan uit dat dat het einde van haar waterpolocarrière zou betekenen. [slachtoffer 2] voelde zich op deze wijze gechanteerd door de verdachte als ook door hem geïsoleerd bij GZC-Donk, waardoor het voelde alsof zij er bij ZVL alleen kwam voor te staan. [slachtoffer 2] was er te bang voor dat het uit zou komen en zij schaamde zich er ook erg voor, zodat zij er niets van durfde te zeggen.

51. In verband met de overgang van [slachtoffer 2] van GZC-Donk naar ZVL had de verdachte ervoor gezorgd dat [slachtoffer 2] naar het Leonardo College in Leiden kon en in een huis aan de [adres] in Leiden kon wonen met drie andere waterpolospeelsters. De verdachte had geholpen bij het opknappen van het huis en bij de verhuizing. Hij had ook een sleutel van het huis en kwam daar regelmatig.

52. Na de start van het seizoen 2013/2014 merkte [slachtoffer 2] dat de verdachte steeds meer contact met haar wilde, meer dan alleen vrienden. [slachtoffer 2] vond de verdachte te amicaal, wat zich onder meer uitte in heel dicht bij haar komen zitten, contact zoeken, informatie delen over zijn relatie met [vriendin verdachte] en drankjes betalen tijdens het stappen.

53. In augustus of september 2013 gingen ze na een thuiswedstrijd stappen. Hoewel [slachtoffer 2] al in Leiden woonde, zei de verdachte dat zij wel bij hem thuis kon slapen. [slachtoffer 2] durfde geen “nee” te zeggen, omdat de verdachte erg op haar inspeelde door onder meer te zeggen dat hij zoveel voor haar had geregeld, dat [slachtoffer 2] in Leiden naar school kon en daar een woning kreeg en dat ze vrienden waren. [slachtoffer 2] zou in de logeerkamer slapen, maar de verdachte vroeg of zij nog even televisie bij hem in bed kwam kijken. Toen [slachtoffer 2] bij de verdachte in bed lag, werd hij handtastelijk en wilde haar zoenen. De verdachte vingerde [slachtoffer 2] en heeft haar ook gebeft. Daarna heeft de verdachte zonder condoom seks gehad met [slachtoffer 2] door zijn penis in haar vagina te duwen, in verschillende standjes. Hoewel [slachtoffer 2] in het begin nog wel had gezegd dat het niet hoorde, durfde zij er weinig van te zeggen. De verdachte reageerde door te zeggen dat het niet erg was en dat hij eerder wel seksueel contact met speelsters had gehad. [slachtoffer 2] vond het moeilijk om “nee” te zeggen, want de verdachte was immers haar coach. Zij was ook bang dat, als zij niet naar hem zou luisteren, dit bij het waterpolo gevolgen voor haar zou kunnen hebben. Ook was [slachtoffer 2] bang dat [vriendin verdachte] ervoor kon zorgen dat zij uit het Nederlands team gezet zou worden als [vriendin verdachte] er achter zou komen. En [slachtoffer 2] kon inmiddels ook niet meer terugvallen op de mensen bij haar oude club. Op het moment van de vaginale seks was [slachtoffer 2] een beetje verlamd en heeft zij het maar gewoon laten gebeuren.

54. Nadien heeft [slachtoffer 2] er niets over gezegd, omdat zij angstig was, zich in het nauw gedreven voelde en geen kant op kon. Zij schaamde zich ook heel erg en zei er daarom maar niets over, ook omdat zij zich schuldig voelde dat zij zich niet echt fysiek of verbaal had verzet. [slachtoffer 2] had ook het gevoel dat de verdachte haar altijd controleerde, altijd onder het mom van: als je de top wilt bereiken, is dit het verstandigste om te doen. De verdachte maakte voor haar de keuzes, met wie zij wel of niet mocht afspreken. Alles om [slachtoffer 2] maar in Leiden te houden.

55. Na de eerste keer seks werd de verdachte meer uitgesproken over wat hij vond van [slachtoffer 2] bij het waterpolo, maar ook wat betreft zijn gevoelens voor haar. In eerste instantie gaf [slachtoffer 2] aan dat die gevoelens niet wederzijds waren en dat zij geen toekomst met de verdachte zag. De verdachte accepteerde dat niet en ging [slachtoffer 2] nog meer op de huid zitten door ongevraagd in de woning aan de [adres] te komen en steeds te appen waar zij was. De verdachte praatte [slachtoffer 2] een schuldgevoel aan door er op te wijzen dat hij toch een huis en school voor haar had geregeld en ervoor zorgde dat zij in waterpolo beter was geworden. Indirect gaf de verdachte [slachtoffer 2] het gevoel dat hun relatie openbaar zou worden als zij bij hem weg zou gaan. Wat bij [slachtoffer 2] ook meespeelde, was dat de verdachte snel boos kon worden als hem iets niet zinde, ook bij het waterpolo. [slachtoffer 2] was heel bang dat de verdachte zich ook naar haar zo zou uiten als zij hem zijn zin niet gaf.

56. De tweede keer seks was ongeveer twee weken later. De verdachte zei dat het nu toch al was gebeurd en dat het geen verschil meer zou maken. Mede omdat [slachtoffer 2] heel erg de druk voelde dat het zou uitkomen en dat niemand haar kant van het verhaal zou geloven, had zij het gevoel er niet meer onderuit te kunnen. Bij het waterpolo was de verdachte de grote man en wie zou haar geloven?

57. De verdachte nam altijd het initiatief voor de seks, wat hij initieerde, dat gebeurde, ook orale seks over en weer. De verdachte heeft ook meerdere malen anale seks gehad met [slachtoffer 2] . Hij wilde dat. [slachtoffer 2] heeft wel gezegd dat het pijn deed en dat zij het niet fijn vond, maar de verdachte deed het toch. Hij zei dan: “Je hoeft er toch niet van te huilen?”.

58. In de periode van augustus 2013 tot en met april 2014 heeft de verdachte wekelijks seks gehad met [slachtoffer 2] . Zij heeft op een gegeven moment, omdat zij heel angstig was en er niet meer leek uit te kunnen komen, het spel maar met de verdachte meegespeeld en geen “nee” meer gezegd. [slachtoffer 2] accepteerde op enig moment dat de seks met de verdachte een onderdeel van haar leven was geworden. [slachtoffer 2] dacht daarbij ook dat als het met haar gebeurde, het dan met niemand anders gebeurde.

59. In de loop der tijd merkte [slachtoffer 2] dat zij de verdachte steeds minder begon te accepteren en dat zij de seks echt niet wilde. De verdachte accepteerde dat niet altijd van haar en hij stuurde haar dan berichten dat [slachtoffer 2] een slet was en dat zij niet waardeerde wat hij allemaal voor had gedaan.

60. Uiteindelijk heeft [slachtoffer 2] de geboorte van de dochter van de verdachte ( [geboorte maand] 2014) aangegrepen om definitief los te komen van de verdachte. Als de verdachte dan weer met seksuele bedoelingen contact met haar zocht, zei zij dat zij het niet meer wilde. [slachtoffer 2] kon niet langer accepteren dat het een onderdeel van haar leven was geworden. [slachtoffer 2] heeft

– zonder daarbij het seksuele contact aan te halen – in samenspraak met haar ouders en het bestuur van ZVL aan de orde gesteld dat de verdachte haar erg controleerde, veel druk op haar uitoefende en alles voor haar wilde bepalen, zodat er geen normale coach-speler verhouding was. Dit heeft ertoe geleid dat [slachtoffer 2] bij ZVL is vertrokken en de verdachte geen coach meer mocht zijn van de dames van ZVL en ook moest stoppen bij Jong Oranje. De contacten tussen [slachtoffer 2] en de verdachte kwamen daarmee tot een einde, hoewel hij haar nog wel voor bitch, slet, hoer en kutwijf heeft uitgemaakt en heeft gezegd dat [slachtoffer 2] zijn leven had geruïneerd.

WhatsApp-gesprekken

61. Het dossier bevat geen WhatsApp-gesprekken tussen de verdachte en [slachtoffer 2] , maar wel gesprekken tussen de verdachte en [slachtoffer 3] en tussen de verdachte en [slachtoffer 1] waarin over [slachtoffer 2] wordt gesproken. In dit verband zijn van belang:

- WhatsApp-gesprek [slachtoffer 3] - [verdachte] 7 juni 201717: (rechtbank: dit gesprek heeft naar het oordeel van de rechtbank ook een duidelijke, op contact met [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] gerichte, seksuele inhoud)
[verdachte] : Das strafbaar gekkie
[verdachte] : Hahaha hou op hoor je bent 15
[verdachte] : Dus call me when you turn 18
[verdachte] : Als jij niet wil dat ik de lul bent dan cover je me ass forever
[verdachte] : Ik kan zelfs me kind kwijt raken he as dit uitlekt…
[verdachte] : Want dit geintje kan me hele leven verneuken
[verdachte] : Ben net weer een beetje op de rails na het [slachtoffer 2] gezeik bij de club 3 jaar geleden en die was iig 18.….

- WhatsApp-gesprek [slachtoffer 1] - [verdachte] 21 november 201718:
[verdachte] : Schaam me niet voor de best sex everrrrrr
[verdachte] : Beter dan [slachtoffer 2]

- WhatsApp-gesprek [slachtoffer 1] - [verdachte] 11 december 201719
[verdachte] : [slachtoffer 2] neukte in het rond naast mij. En keek me recht in de ogen aan en zou IK HOU VAN JE. en ik trapte er steeds in
[slachtoffer 1] : Ik neuk ten eerste niet in het rond. En ik vind het niet dat je mij met haar vergelijkt

Verklaring van de verdachte

62. De verdachte heeft samengevat verklaard20 dat hij [slachtoffer 2] in 2010 of 2011 heeft leren kennen. Hij was haar assistent coach bij Jong Oranje. In 2013 belde [slachtoffer 2] de verdachte en vroeg of zij naar ZVL mocht komen, waar de verdachte trainer/coach was. Bij de overgang van [slachtoffer 2] naar ZVL is er alleen een woning aan de [adres] in Leiden geregeld voor haar en nog drie meiden (de rechtbank leest de verklaring van de verdachte zo dat dit is geregeld door hem en ZVL). De verdachte heeft geholpen bij het klussen aan de woning. Ook heeft de verdachte bemiddeld bij een school voor [slachtoffer 2] in Leiden.

63. Tijdens het stappen is tussen de verdachte en [slachtoffer 2] nooit wat gebeurd. De verdachte heeft een en ander maal ontkend dat hij seksuele dingen bij [slachtoffer 2] heeft gedaan; er is echt nooit iets gebeurd, zo heeft hij met klem ter terechtzitting herhaald.

64. De verdachte heeft jegens [slachtoffer 2] wel zijn mening geventileerd wat bijvoorbeeld betreft vriendjes en roken, maar daar ging zij haar eigen weg in. En in het water lag zij er altijd, sporttechnisch was het prima, aldus de verdachte. [slachtoffer 2] was niet afhankelijk van de verdachte en hij kon haar sportcarrière niet kapot maken, zij zat al in het Nederlandse team. Op een gegeven moment zijn [slachtoffer 2] en de verdachte wat betreft vereniging uit elkaar gegaan en dat is niet zonder slag of stoot gegaan. [slachtoffer 2] vond dat de verdachte zich teveel met haar leven bemoeide. Dat is uitgesproken en iedereen is zijn eigen weg gegaan.

65. Ter terechtzitting geconfronteerd met de vorenstaande WhatsApp-gesprekken heeft de verdachte feitelijk geen verklaring daarvoor kunnen geven, anders dan dat hij in het verleden ook wel eens met een andere [naamgenoot slachtoffer 1] heeft gedatet.

Beoordeling

66. De verklaringen van [slachtoffer 2] bij de politie en de rechter-commissaris zijn uitgebreid, gedetailleerd en consistent. Ook de verdachte is duidelijk en stellig in zijn verklaringen. In eerste instantie gaat het om de vraag of er wel of geen seksuele handelingen tussen de verdachte en [slachtoffer 2] zijn geweest. De verklaring van de verdachte staat op dat punt haaks op die van [slachtoffer 2] .

67. De rechtbank is van oordeel dat de vorenstaande WhatsApp-gesprekken niet anders kunnen worden uitgelegd dan als overduidelijk bewijs dat er wel degelijk seksuele handelingen tussen de verdachte en [slachtoffer 2] zijn geweest, en wel in de vorm van een eigen verklaring van de verdachte daaromtrent. In die WhatsApp-gesprekken doet de verdachte immers telkens ongevraagd melding van seksuele handelingen tussen hem en [slachtoffer 2] , tot aan neuken toe. Dat daarbij sprake zou zijn van een andere [naamgenoot slachtoffer 1] , zoals de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, maar wat daarna niet door de verdediging als verweer is gevoerd en overigens op geen enkele wijze is onderbouwd, acht de rechtbank niet geloofwaardig. In het WhatsApp-gesprek met [slachtoffer 3] heeft de verdachte het over [slachtoffer 2] . De verdachte heeft verder ter terechtzitting verklaard dat [slachtoffer 1] die andere [naamgenoot slachtoffer 1] niet kent, hetgeen haar reactie, dat de verdachte haar niet met [slachtoffer 2] moet vergelijken, dan helemaal onlogisch zou maken. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de verdachte het in de vorenstaande WhatsApp-gesprekken heeft over de seks die hij met de [slachtoffer 2] die wordt bedoeld in het onderhavige ten laste gelegde feit heeft gehad. Aangezien de verdachte in zijn verklaring stellig seksuele handelingen tussen hem en [slachtoffer 2] heeft ontkend, maakt dat zijn verklaring op dit punt als kennelijk leugenachtig moet worden beschouwd. De verklaring van [slachtoffer 2] acht de rechtbank wel betrouwbaar en zij zal daarvan uitgaan bij de vaststelling van hetgeen op seksueel gebied heeft plaatsgevonden tussen haar en de verdachte.

68. Vervolgens is het de vraag of de verdachte bij de seksuele handelingen met [slachtoffer 2] misbruik heeft gemaakt van zijn uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht in verband met het leeftijdsverschil tussen hem en [slachtoffer 2] of uit het feit dat hij haar waterpolotrainer/coach was waar [slachtoffer 2] tegen opkeek en zij daardoor tot die handelingen is gedwongen.

69. Daarbij geldt dat de verklaring van de verdachte niet afdoet aan de verklaring van [slachtoffer 2] over de door haar geschetste invloed van de verdachte op haar, dit gelet op de algehele ontkenning door de verdachte van ieder seksueel contact tussen hem en [slachtoffer 2] en daarmee zijn zwijgen over de omstandigheden rond die contacten. Die verklaring kan daarentegen wel als aanvullend bewijs gelden, aangezien zij als kennelijk leugenachtig heeft te gelden en kennelijk is bedoeld om de waarheid, zijnde de door [slachtoffer 2] beschreven situatie, te bemantelen.

70. Uit de verklaringen van [slachtoffer 2] blijkt duidelijk dat zij een jonge vrouw was die nagenoeg haar hele leven richtte op een topsportcarrière in het waterpolo. Op het moment dat [slachtoffer 2] de verdachte leerde kennen, was zij daar al succesvol in. Met haar selectie in Jong Oranje en de overstap naar ZVL wilde [slachtoffer 2] die carrière in stijgende lijn verder voorzetten. De verdachte stond binnen de waterpolowereld bekend als een topcoach en [slachtoffer 2] kon dan ook haar voordeel doen met zijn kennis en kunde. De verdachte heeft [slachtoffer 2] voorgespiegeld dat zij bij hem, trainer/coach bij ZVL, de beste zou worden en alle kansen zou krijgen om zichzelf te ontwikkelen in het waterpolo. De verdachte is behoedzaam begonnen met fysieke contacten met [slachtoffer 2] , van tongzoenen werd het voelen en uiteindelijk daadwerkelijke seks. [slachtoffer 2] keek tegen de verdachte op en vond het moeilijk om tegen haar coach “nee” te zeggen. Daarbij heeft de verdachte [slachtoffer 2] onder druk gezet door haar te laten geloven dat niemand zou geloven dat de verdachte het initiatief zou hebben genomen bij de seksuele handelingen en dat, als het bekend zou worden, dit desastreuze gevolgen voor haar waterpolocarrière zou hebben. De vriendin van de verdachte speelde op dat moment bij ZVL en in het Nederlands team. Zij was op dat moment de beste speelster van Nederland en [slachtoffer 2] keek erg tegen haar op. [slachtoffer 2] was bang dat, als die vriendin er achter zou komen dat de verdachte seks met haar had, zij haar plek in het Nederlands team zou kwijtraken. Ook dat zou het einde van haar sportcarrière betekenen. Als [slachtoffer 2] aan de verdachte liet blijken dat zij iets niets wilde, zette hij haar onder druk door aan te geven dat zij dankbaar moest zijn voor alles wat hij voor haar had gedaan. Verder had [slachtoffer 2] haar oude vereniging GZC- Donk verlaten voor ZVL, was zij in Leiden op zichzelf gaan wonen en was zij van school veranderd, waardoor zij het gevoel had er alleen voor te staan. De verdachte had [slachtoffer 2] op deze wijze min of meer geïsoleerd. Tevens speelt het leeftijdsverschil tussen [slachtoffer 2] en de verdachte een rol, welk verschil door de rol van de verdachte als toptrainer/coach nog wordt versterkt.

71. Door te handelen als in het vorenstaande omschreven heeft de verdachte binnen de bestaande afhankelijkheidsrelatie naar het oordeel van de rechtbank voor [slachtoffer 2] een dermate bedreigende sfeer laten ontstaan dat [slachtoffer 2] is gedwongen en zich gedwongen heeft gevoeld de seksuele handelingen te ondergaan. Naar redelijke verwachting heeft [slachtoffer 2] zich niet aan die seksuele handelingen kunnen onttrekken. De rechtbank acht dan ook de ten laste gelegde, meermalen gepleegde, verkrachting van [slachtoffer 2] wettig en overtuigend bewezen. Hetzelfde geldt voor de met betrekking tot dezelfde periode cumulatief ten laste gelegde ontucht met een aan de opleiding van de verdachte toevertrouwde minderjarige, waarbij sprake is van eendaadse samenloop van alle bewezen verklaarde feiten.

[slachtoffer 4]

Feit 5

72. De verdachte wordt er van verdachte [slachtoffer 4] te hebben verkracht in de periode van 27 december 2014 tot 1 maart 2015.

Verklaringen [slachtoffer 4]

73. [slachtoffer 4] , hierna te noemen [slachtoffer 4] , geboren op [geboortedatum] 1995, heeft een oriënterend gesprek gevoerd met de politie21 en is daarna door de politie gehoord als aangeefster22 en door de rechter-commissaris als getuige23. Haar verklaringen houden, samengevat en zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in.

74. Toen zij 15 jaar was, is zij vanuit Den Haag overgestapt naar ZVL. Zij zat bij Jong Oranje en moest naar een hogere club. Vanaf het seizoen 2013/2014 speelde zij bij de selectie van ZVL en werd de verdachte haar coach. En als haar coach bepaalde de verdachte of zij met Dames 1 mee mocht spelen. Vanaf datzelfde seizoen woonde zij op de [adres] in Leiden en zag zij de verdachte ook buiten het waterpolo om.

75. [slachtoffer 4] heeft verklaard dat op derde kerstdag 2014 tijdens een feest op de [adres] zij en de verdachte met elkaar hebben gezoend. Toen zij naar boven ging om spullen te halen, liep [getuige 7] met haar mee. De verdachte kwam ook haar kamer binnen. De verdachte heeft haar en [getuige 7] om beurten gelikt bij de vagina. Daarna heeft de verdachte [slachtoffer 4] gezoend en gevingerd. Over deze gebeurtenis heeft [slachtoffer 4] verklaard dat zij het wel spannend vond en verward was, omdat de verdachte een soort baas van haar was.

76. Over een tweede keer heeft [slachtoffer 4] verklaard dat zij in de eerste of tweede week van januari 2015 alleen thuis was. De verdachte kwam, zonder dat hij aangebeld had, binnen met de huissleutel. Hierdoor was zij heel erg overdonderd, omdat zij niet wist dat hij de sleutel had. Zij weet niet meer of ze eerst hebben gepraat of wat hebben gedronken, maar uiteindelijk heeft zij met de verdachte vaginale seks gehad. Daarbij gingen haar broek en de broek van de verdachte uit. De rest van de kleding bleef altijd aan. Er was geen intiem contact. [slachtoffer 4] zat bovenop. |De verdachte kwam snel klaar en is toen gelijk weer weggegaan. De seks was zonder condoom. [slachtoffer 4] heeft over deze keer verklaard dat zij niet echt een blij gevoel had. Zij voelde zich een beetje vies. Zij was niet boos en zij heeft ook niet gehuild, maar zij wist dat seks zo niet hoorde te zijn.

77. Over de derde keer heeft [slachtoffer 4] verklaard dat zij op 16 januari 2015 met Dames 1 naar Athene is gereisd voor de Europacup. De avond voor de laatste wedstrijd vroeg de verdachte via de WhatsApp of zij naar zijn kamer wilde komen. Het was iets in de trant van ‘als je morgen wil spelen, dan moet je naar mijn kamer komen’. Toen zij de kamer binnen kwam, lag de verdachte naakt op bed. Zij is op het bed gaan zitten. De verdachte heeft haar toen langzaam op het bed geduwd en heeft zijn vingers in haar vagina gedaan. Daarna hebben ze in verschillende posities vaginale seks gehad, onder andere van achter. De seks heeft zonder condoom plaatsgevonden. Tijdens de seks heeft zij niet gelachen en niet actief meegedaan. Het stopte toen de verdachte was klaargekomen. [slachtoffer 4] mocht niet naar de wc om het sperma weg te spoelen, maar moest gelijk weg. Zij voelde niet de mogelijkheid om “nee” te zeggen, omdat zij dacht dat dan haar waterpolocarrière voorbij zou zijn. Waterpolo was alles voor haar en de verdachte was degene die bepaalde wat er met haar waterpolocarrière gebeurde.

78. [slachtoffer 4] heeft verder verklaard dat er tussen het weekend van de Europacup en carnaval 2015 een vierde keer iets heeft plaatsgevonden. Zij was alleen thuis op de [adres] . Zij had de voordeur op het nachtslot had gedaan, zodat de verdachte niet binnen kon komen. De verdachte is toen over de schutting geklommen, door de tuin heen gegaan en zo via de achterdeur de woning binnengelopen. Zij was heel benauwd en wist niet wat zij moest doen. Zij heeft toen tegen de verdachte gezegd dat zij geen seks meer met hem wilde, waarop hij zei: “ach joh maakt niet uit" en "ach joh nog één keertje". Vervolgens is zij samen met de verdachte op de bank gaan zitten. Wederom heeft [slachtoffer 4] gezegd dat zij het niet wilde, omdat het niet goed voelde. De verdachte heeft vervolgens haar onderkleding uitgedaan. Zij was helemaal droog bij haar vagina. Hij deed eerst zijn vingers in haar vagina om haar natter te maken, maar dat hielp niet. Zij lag met haar rug op de bank en haar benen wijd. De verdachte ging op haar liggen en stopte zijn piemel in haar vagina. Dit deed zeer, omdat zij zo droog was. Vervolgens heeft hij haar benen omhoog gedaan, zodat hij bij haar anus kon. Toen stopte hij zijn piemel in haar anus. [slachtoffer 4] heeft toen aangegeven dat het pijn deed en dat hij moest stoppen. Hij ging gewoon door, totdat hij klaar kwam. Zij merkte dat zij bloedde en had een aantal dagen erna nog bloed uit haar anus. Toen hij klaar kwam, ging hij gelijk weg via de tuin en over de schutting. Zij had hem moeten slaan en wegduwen, maar deed dit niet omdat zij bang was voor de gevolgen. Zij was bang wat mensen, het team, de waterpolowereld en [vriendin verdachte] ervan zouden vinden. [slachtoffer 4] wilde gewoon doorgaan en aardig gevonden worden.

79. De laatste keer dat er iets is gebeurd, was tijdens carnaval 2015. [slachtoffer 4] heeft verklaard dat zij samen met [naam] , [naam] en de verdachte bij [naam] in Eindhoven carnaval is gaan vieren. Na het carnavalsfeest ging zij [naam] en de verdachte welterusten wensen. De verdachte lag op de grond en gaf haar een knuffel. Zij knuffelde hem terug. Hij duwde haar op de grond waarna zij op haar zij lag. De verdachte trok haar slip omlaag en was even met zijn piemel in haar. Zij heeft wel gezegd: "Niet doen". Zij heeft zich van hem afgezet en is opgestaan en weggelopen.

Verklaring [getuige 4] :

80. [getuige 4] , hierna te noemen [getuige 4] , geboren op [geboortedatum] 1997, heeft een oriënterend gesprek gevoerd bij de politie24 en is daarna gehoord door politie als getuige25. In die verklaring heeft zij aangegeven dat zij het niet aan kan om een strafproces in te gaan door middel van een aangifte, maar dat zij wel haar verhaal wil doen, omdat zij wil helpen en omdat zij vindt dat de verdachte straf moet krijgen.

81. [getuige 4] heeft verklaard dat zij de verdachte sinds 2012 kent. Zij speelde vanaf 2012 bij ZVL waterpolo en de verdachte was tot 2015 haar coach. Ook was de verdachte van 2012 tot 2014 haar assistent bondscoach bij Jong Oranje. Op een gegeven moment kreeg zij ook berichten van de verdachte buiten het waterpolo om. In december 2014 is [getuige 4] met Dames 1 van ZVL naar Athene gereisd voor het spelen van de Europacup. Daar vroeg de verdachte haar om een camera naar zijn kamer te brengen. Toen zij binnenkwam, lag de verdachte naakt op zijn bed en was hij aan het masturberen. Zij schrok hiervan en is gelijk weer weggegaan. Ook is er een keer iets op trainingsstage gebeurd. Zij bracht tandpasta of deo naar hem. Zijn deur stond op een kier, waarop de verdachte zei: “Kom maar binnen”. De verdachte liep vanuit de badkamer naakt naar haar toe en gooide de hotelkamerdeur dicht. Hij heeft toen geprobeerd om haar op bed te duwen en te zoenen. Ook probeerde hij haar broek naar beneden te trekken. Zij heeft hem van zich afgeduwd en is weggegaan. In februari 2016, toen zij als trainer van meisjes onder 17 op trainingsstage was in Griekenland, heeft de verdachte haar de indruk gegeven dat als zij niet mee zou gaan naar zijn kamer, hij een ander jonger meisje mee naar zijn kamer zou nemen. Zij is toen met hem mee naar zijn kamer gegaan, waar ze vaginale seks hebben gehad. Hij heeft haar op haar zij gelegd en heeft haar gepenetreerd. Tijdens de seks was zij heel passief. Op de vraag waarom de verdachte dit allemaal kon doen, heeft [getuige 4] verklaard dat zij heel erg tegen hem opkeek en hem vertrouwde en dat je tegen hem niet zomaar “nee” zei.26

Verklaring [slachtoffer 2] (voor zover van belang) 27

82. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij in 2011, zij was toen 15 jaar, de verdachte als haar assistent bondscoach heeft ontmoet. Vanaf mei/juni 2013 is zij op de [adres] gaan wonen en speelde vanaf dat moment bij ZVL, waar de verdachte haar coach was. Hij kwam regelmatig langs op de [adres] en wilde steeds meer contact. De verdachte had een sleutel van het huis op de [adres] .28 In augustus/september 2013 heeft zij voor het eerst vaginale seks met verdachte gehad, waaronder van achter. De seks was zonder condoom, er is tijdens de seks niet gesproken en er was niet aan haar te merken dat zij er plezier aan had. Daarna is er vaker seks geweest. Ook heeft zij anale seks met de verdachte gehad. Zij heeft hierover verklaard dat zij tegen de verdachte heeft gezegd dat zij het niet fijn vond, maar dat hij daar niet op reageerde en hij ging gewoon door. Hij hield haar heupen vast, waardoor zij nergens naartoe ging.

Verklaring [slachtoffer 1] (voor zover van belang) 29

83. [slachtoffer 1] is rond haar 14e jaar lid geworden van ZVL. Zij speelde daar al snel op hoog niveau en werd ook geselecteerd voor Jong Oranje. Zij heeft toen de verdachte voor het eerst gezien.

De verdachte was haar trainer bij het RTC. Eind 2016 kreeg [slachtoffer 1] meer aandacht van de verdachte. In april 2017 is zij op trainingskamp naar Servië gegaan. De verdachte was ook mee. Daar vroeg de verdachte haar per snapchat om naar zijn kamer te komen. Eenmaal op de kamer zag zij de verdachte staan in zijn onderbroek. Vervolgens hebben ze vaginale seks gehad, onder andere van achter, zo blijkt uit de telefoonnotities van [slachtoffer 1] .30 Na Servië heeft zij vaker seks met de verdachte gehad, waaronder anale seks. Hierover heeft zij verklaard dat zij tegen de verdachte heeft gezegd dat het pijn deed, maar dat hij het leuk vond. De verdachte zei ook vaak: ”Als je niet doet wat ik wil, dan ga ik in je kont en dat vind je niet zo leuk en dan ga je weer au roepen”.

Verklaring verdachte

84. De verdachte heeft, conform zijn verklaring bij de politie, ter terechtzitting verklaard dat hij in de ten laste periode de waterpolocoach van [slachtoffer 4] bij ZVL was. Voorts heeft de verdachte verklaard dat er behoudens wat is gebeurd op derde kerstdag 2014 niets seksueels tussen hem en [slachtoffer 4] is gebeurd. Op derde kerstdag is hij door [getuige 7] en [slachtoffer 4] oraal bevredigd. Verder is er die avond niets gebeurd. Over de overige gebeurtenissen heeft de verdachte verklaard dat er niets van de verklaring van [slachtoffer 4] klopt. Over de sleutel van de [adres] heeft de verdachte verklaard dat hij hier, behoudens in het begin tijdens het klussen, niet de beschikking over had. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij nooit speelsters naar zijn kamer heeft gevraagd om een wedstrijd te evalueren.

Beoordeling

85. Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvoerding (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

86. Naar het oordeel van de rechtbank is van de situatie als bedoeld in het zojuist weergegeven wetsartikel ten aanzien van dit feit geen sprake en zij overweegt daartoe als volgt.

87. De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [slachtoffer 4] bij de politie en de rechter-commissaris uitgebreid, gedetailleerd en consistent zijn en daarmee betrouwbaar moeten worden geacht.

88. Ook vindt de verklaring van [slachtoffer 4] steun in de verklaring van [slachtoffer 2] dat de verdachte de sleutel had van de [adres] .

89. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 4] voldoende steun vinden in de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en het bij die feiten omschreven ander bewijs en zij overweegt daartoe als volgt. Volgens vaste jurisprudentie is het gebruik van aan andere bewezen geachte, soortgelijke, feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als ondersteunend bewijs toegelaten (schakelbewijs). Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal van die andere feiten, dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en dat duidt op een specifiek patroon in het gedrag van de verdachte, welk patroon herkenbaar aanwezig is in de voor het te bewijzen feit voorhanden bewijsmiddelen.

90. De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [slachtoffer 4] over de jonge leeftijd waarop zij met de verdachte voor het eerst in contact is gekomen, de afhankelijke relatie ten opzichte van de verdachte, de wijze waarop zij door de verdachte werd benaderd en de aard van de bij haar door de verdachte verrichte seksuele handelingen, op essentiële punten overeenstemt met wat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op die onderdelen verklaren en wat uit de overige onder de feiten 1, 2 en 4 opgenomen bewijsmiddelen volgt. De rechtbank leidt hieruit een modus operandi van de verdachte af die op essentiële punten overeenkomt met de modus operandi van de verdachte bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Deze modus operandi kenmerkt zich door het volgende:

Jonge leeftijd ten tijde van kennismaking

[slachtoffer 4] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waren 14/15 jaar oud toen ze de verdachte leerden kennen.

Groot leeftijdsverschil

Er bestaat tussen de verdachte en aangeefsters een leeftijdsverschil van tien jaren of meer.

Topsport

[slachtoffer 4] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] waren op het moment dat ze kennis maakten met de verdachte in het begin van hun topsportcarrière als waterpoloster. Alle drie speelden ze bij Jong Oranje en bij ZVL.

Afhankelijke relatie van de verdachte

Bij alle drie de aangeefsters speelde de verdachte een belangrijke rol in hun waterpolocarrière. De verdachte was hun coach dan wel trainer, waardoor hij invloed kon uitoefenen op het verloop van hun carrière. Temeer omdat hij groot aanzien genoot binnen de waterpolowereld, waarin aangeefsters nu juist carrière wilden te maken.

Wijze van omgang

Binnen die afhankelijke relatie drong de verdachte zich steeds meer op. De relatie begon zakelijk, veranderde vervolgens in een vriendschappelijk relatie en eindigde in een seksuele relatie.

Seks op (hotel)kamer in het buitenland

[slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] verklaren beiden over een keer in het buitenland dat ze door de verdachte per telefoon zijn gevraagd om naar zijn (hotel)kamer te komen, terwijl ze op dat moment daar waren in verband met waterpoloactiviteiten. Hij wachtte hen dan schaars gekleed op waarna ze seks hadden. Vervolgens moesten ze gelijk weg.

Vaginale seks van achter

[slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] hebben verklaard dat zij vaginale seks van achter met de verdachte hebben gehad.

Anale seks

[slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] verklaren dat zij anale seks met de verdachte hebben gehad. Alle drie hebben ze verklaard dat ze dit niet wilden en dat het pijn deed, maar desondanks ging de verdachte door.

Geen condoom

De verdachte heeft bij geen van de aangeefsters een condoom gebruikt tijdens de seks.

91. Er bestaan aldus grote overeenkomsten tussen de wijze van omgang door de verdachte met de drie aangeefsters afzonderlijk en de manier waarop hij hen kennelijk aan zich heeft willen binden. Ook ten aanzien van de aard van de seksuele handelingen zijn er op essentiële punten overeenkomsten. Naar het oordeel van de rechtbank is er derhalve sprake van een herkenbare, specifieke modus operandi van de verdachte, zodat de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan het gepleegde misbruik door de verdachte van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kunnen dienen als schakelbewijs voor het ten laste gelegde misbruik van [slachtoffer 4] .

92. Daarnaast vinden de verklaringen van [slachtoffer 4] bevestiging in de verklaringen van [getuige 4] . Zo was [getuige 4] 14 jaar oud toen zij de verdachte leerde kennen en is er ook tussen [getuige 4] en de verdachte sprake van een groot leeftijdsverschil. [getuige 4] speelde op topniveau waterpolo bij Jong Oranje en bij ZVL. De verdachte was haar coach, zodat ook bij [getuige 4] sprake was van een afhankelijke relatie. Op een gegeven moment veranderde de zakelijke relatie die zij had met de verdachte in een vriendschappelijke relatie en eindigde deze uiteindelijk in een seksuele relatie. Net als [slachtoffer 4] heeft ook [getuige 4] seks met de verdachte gehad op een hotelkamer in het buitenland.

93. De rechtbank neemt op grond van de omschreven bewijsmiddelen als vaststaand aan dat de seksuele handelingen, zoals ten laste gelegd, hebben plaatsgevonden.

Dwang

94. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of bewezen kan worden dat de verdachte [slachtoffer 4] heeft gedwongen om deze handelingen te ondergaan. In dat kader stelt de rechtbank vast dat uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting op geen enkele wijze is gebleken dat de verdachte geweld heeft gebruikt of heeft gedreigd met geweld. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank dan ook van oordeel dat voor dit onderdeel geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.

95. Met betrekking tot de vraag of sprake is van ‘dwang door een andere feitelijkheid’ overweegt de rechtbank als volgt.

96. De rechtbank stelt vast dat door de omstandigheid dat de verdachte de trainer en coach van [slachtoffer 4] was, hij invloed kon uitoefenen op de waterpolocarrière van [slachtoffer 4] . De verdachte was immers eindverantwoordelijke voor Dames 1 van ZVL en had daarmee de positie om te bepalen of [slachtoffer 4] al dan niet speelde. Aangezien die waterpolocarrière op dat moment het belangrijkste was in het leven van [slachtoffer 4] en haar wereld zou instorten als hieraan een einde kwam, stelt de rechtbank vast dat er sprake was van een bepaald overwicht van de verdachte op [slachtoffer 4] . Daar komt bij dat er tussen [slachtoffer 4] en de verdachte sprake is van een leeftijdsverschil van 10 jaren. Anders dan de verdediging meent, is het leeftijdsverschil van 10 jaren groot te noemen, zeker gelet op de, in verhouding met de verdachte, beginnende seksuele ontwikkeling van [slachtoffer 4] .

97. Dat tussen de verdachte en [slachtoffer 4] sprake was van een dergelijk overwicht, is, naar het oordeel van de rechtbank, echter op zichzelf onvoldoende om te spreken van “een andere feitelijkheid” die een dusdanige dwang oplevert in de zin van artikel 242 Sr. Daarvoor is immers vereist dat komt vast te staan dat het slachtoffer binnen die afhankelijkheidsrelatie door bepaalde gedragingen van de verdachte waardoor een bedreigende sfeer is ontstaan, is gedwongen de seksuele handelingen te ondergaan.

98. Evenals de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank dwang ten aanzien van het eerste incident niet wettig en overtuigend bewezen, aangezien, ondanks dat er druk uitging vanwege het bestaande overwicht, geen feitelijkheden aanwezig waren om dwang aan te nemen. Derhalve zal de verdachte partieel worden vrijgesproken van het likken van de vagina.

99. Anders is dat voor de overige incidenten. Zo stond de verdachte bij het tweede incident onverwacht in de woning van [slachtoffer 4] . Bij het derde incident heeft hij [slachtoffer 4] tijdens een belangrijk toernooi een WhatsApp-bericht gestuurd met de mededeling dat zij naar zijn kamer moest komen, waar hij vervolgens naakt op haar lag te wachten, hij haar op het bed heeft geduwd en er vervolgens sprake was van direct seksueel handelen door de verdachte. Bij het vierde incident stond de verdachte wederom onverwacht in de woning waarvoor hij over de schutting van de tuin was geklommen. Ondanks dat [slachtoffer 4] heeft aangegeven dat zij geen seks wilde, heeft de verdachte haar toen vaginaal en anaal gepenetreerd. Ook tijdens het vijfde incident heeft [slachtoffer 4] aangegeven dat zij niet wilde en heeft zij hem van zich afgeduwd. Desondanks hebben ze vaginale seks gehad.

100. Door te handelen als in het vorenstaande omschreven heeft de verdachte binnen de bestaande afhankelijkheidsrelatie naar het oordeel van de rechtbank voor [slachtoffer 4] een dermate bedreigende sfeer laten ontstaan, dat [slachtoffer 4] is gedwongen en zich gedwongen heeft gevoeld de seksuele handelingen te ondergaan. Naar redelijke verwachting heeft [slachtoffer 4] zich niet aan die seksuele handelingen kunnen onttrekken. Aldus komt de rechtbank tot een wettige en overtuigende bewezenverklaring van de ten laste gelegde verkrachting en wel meermalen gepleegd.

101. De verdachte zal partieel worden vrijgesproken van het veelvuldig versturen van berichten, omdat zich voor dit onderdeel van de tenlastelegging in het dossier onvoldoende bewijs bevindt.

[slachtoffer 3]

Feit 3

102. De verdachte wordt ervan verdacht gedurende de periode van 30 juli 2017 tot en met 29 september 2017 ontuchtige handelingen te hebben gepleegd met de aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde toen 15-jarige [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ), welke ontuchtige handelingen mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] .

Aangifte

103. Op 18 juni 2018 heeft de vader van [slachtoffer 3] aangifte gedaan31 van de ontucht en de omstandigheden waaronder die heeft plaatsgevonden.

Verklaring van [slachtoffer 3]

104. [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum] 2001 , heeft op 21 juni 2018 bij de politie een getuigenverklaring afgelegd.32 Op 5 juli 2019 heeft zij een verklaring bij de rechter-commissaris afgelegd. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij de verdachte heeft leren kennen toen zij 12 of 13 jaar oud was en zij af en toe training van de verdachte kreeg bij ZVL. Verder heeft zij een korte periode training van de verdachte gehad bij Jong Oranje. [slachtoffer 3] keek tegen de verdachte op. Bij de rechter-commissaris verklaarde zij: “Ik keek wel heel erg tegen hem op, want het is niet niks als je trainer bent van Jong Oranje. Als klein meisje kijk je daar heel erg tegenop en dat vind je best cool als zo iemand je training geeft”. Tevens was de verdachte trainer van [slachtoffer 3] bij het RTC en had zij contact met de verdachte op het Leonardo College, waar hij dan wel niet de LOOT-begeleider van [slachtoffer 3] was, maar hij was – in tegenstelling tot haar eigen LOOT-begeleider – altijd aanwezig in het LOOT-lokaal en zij regelde dan ook verschillende schoolaangelegenheden met de verdachte.

105. Vanaf 12 mei 2017 appten [slachtoffer 3] en de verdachte met elkaar, in eerste instantie over dagelijkse onderwerpen, maar vanaf begin juni 2017 ging dat over in onderwerpen op seksueel gebied, onder andere over het regelen van een trio met [slachtoffer 1] . [slachtoffer 3] mocht dat aan niemand vertellen, want anders zou de verdachte zijn baan, werk en kind kwijtraken. Op 9 juni 2017 hebben de verdachte, [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] in het LOOT-lokaal over een trio gesproken.

106. Op 30 juli 2017 is [slachtoffer 3] naar de woning van de verdachte gegaan, omdat hij in het RTC aan haar had geappt dat hij thuis gratis spullen had liggen. De verdachte is naast [slachtoffer 3] op het bed van zijn dochter gaan liggen en deed een arm om haar heen. In de badkamer ging de verdachte met zijn hand langs de kont van [slachtoffer 3] . Uiteindelijk verliet [slachtoffer 3] de woning met een gekregen badpak.

107. Op 31 juli 2017 vroeg [slachtoffer 3] via de app aan de verdachte of zij en [slachtoffer 1] badpakken mochten komen passen, waarop de verdachte reageerde met de vraag of ze die dan voor zijn neus gingen passen.33 Die avond gingen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] naar de woning van de verdachte en pasten ze in aanwezigheid van de verdachte badpakken. De verdachte heeft [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] op het bed getrokken en begon te praten over vertrouwen en dat hij alles kon verliezen als [slachtoffer 3] met de buitenwereld zou praten. De verdachte wilde dat [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] gingen zoenen, wat ze uiteindelijk ook gedaan hebben. Toen ze dat deden, zat de verdachte over de onderbroek van de meisjes aan hun vagina en uiteindelijk ging hij in hun onderbroek en aan de vagina van [slachtoffer 3] zitten. Hij ging eraan voelen, vingeren, met zijn vinger in mijn vagina, aldus [slachtoffer 3] . [slachtoffer 1] en de verdachte zouden ook nog seksuele handelingen bij elkaar hebben verricht. De verdachte zei tegen [slachtoffer 3] dat hij nu haar vertrouwen had en dat hij dit kon gaan vertellen als zij iets zou gaan zeggen.

108. In de week van 10 september 2017 heeft de verdachte met [slachtoffer 3] gesproken over werken voor het schoonmaakbedrijf van zijn vader. Daar had [slachtoffer 3] wel interesse in. Voor het werk moest [slachtoffer 3] om 07.30 uur naar de woning van de verdachte komen. Eenmaal binnen gaf de verdachte [slachtoffer 3] eerst een kus op de wang, waarna ze op de bank vielen. De verdachte voelde aan de binnenkant van het been van [slachtoffer 3] om vervolgens zijn hand richting de kut van [slachtoffer 3] te bewegen. De verdachte zei daarbij dat [slachtoffer 3] dit wel spannend zou vinden. Tijdens het schoonmaakwerk op een boot gaf de verdachte [slachtoffer 3] een zoen, later ook met tong. Na het werk wilde de verdachte dat [slachtoffer 3] mee naar zijn woning ging. [slachtoffer 3] voelde daarbij wel een bepaalde druk, want hij was toch haar trainer en “daar luisterde je gewoon naar”. In de woning begon de verdachte met [slachtoffer 3] weer te praten over een trio met [slachtoffer 1] ; hij wilde daar een deal over maken dat hij [slachtoffer 1] bij binnenkomst gelijk zou zoenen en [slachtoffer 3] dan half naakt zou gaan staan.

109. [slachtoffer 3] is nadien met [slachtoffer 1] naar de woning van de verdachte gegaan. De verdachte pakte direct [slachtoffer 1] beet, drukte haar tegen de muur en begon haar te zoenen. Vervolgens zijn ze met z’n drieën naar de slaapkamer gegaan, waar de verdachte eerst zoende met [slachtoffer 1] en daarna met [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] moest van de verdachte ook zoenen met [slachtoffer 1] . De verdachte heeft de lange broeken van de meisjes uitgedaan en ze hebben met elkaar en met z’n drieën gezoend. De verdachte likte aan de vagina van [slachtoffer 3] terwijl hij [slachtoffer 1] aan het vingeren was. [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] moesten elkaar daarbij zoenen. De verdachte wilde ook dat [slachtoffer 3] hem ging pijpen, maar dat wilde zij niet. Hij pakte toen het hoofd van [slachtoffer 1] vast en zij moest hem pijpen. Nadat [slachtoffer 1] de verdachte had gepijpt, pakte hij de hand van [slachtoffer 3] stevig vast, deed deze naar zijn piemel en [slachtoffer 3] moest hem aftrekken. De verdachte deed met zijn eigen speeksel voor dat het lekkerder was met speeksel.

110. Op 18 september 2017 gaf de verdachte via de app aan dat hij wilde dat [slachtoffer 3] naar zijn huis zou komen. Ze gingen zoenen en kwamen op zijn bed. De verdachte deed de broek van [slachtoffer 3] uit en begon haar te vingeren. De verdachte deed zijn broek uit, deed de hand van [slachtoffer 3] naar zijn piemel en zij moest hem aftrekken. De verdachte kwam klaar.

11. Na 18 september 2017 is [slachtoffer 3] niet meer bij de verdachte thuis geweest. Er zijn toen nog wel enkele losse dingen gebeurd, maar die hadden met werk te maken. Op een keer ging de verdachte [slachtoffer 3] in de auto vingeren over haar broek. Toen hij de auto parkeerde, ging hij haar helemaal zoenen en ging hij bij een stoplicht haar weer vingeren over haar broek. De verdachte had het er wel steeds over dat [slachtoffer 3] hem tijdens het rijden kon pijpen, maar dat heeft zij niet gedaan.

Verklaring van [slachtoffer 1]

112. [slachtoffer 1] heeft op 21 juni 2018 bij de politie een verklaring afgelegd34. De verdachte begon tegen [slachtoffer 1] over [slachtoffer 3] en dat hij hen samen wilde. Op een keer zaten de verdachte, [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] in het LOOT-lokaal en toen is er gesproken over een trio.

113. Eind juli (de rechtbank begrijpt: 2017) zijn [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] naar de verdachte gegaan om badpakken te passen. Dat gebeurde in de slaapkamer. Na het passen trok de verdachte de meisjes op het bed en begon hij over het vertrouwen winnen van [slachtoffer 3] . De verdachte wilde dat [slachtoffer 3] [slachtoffer 1] ging zoenen; dat wilde zij eerst niet, maar na een half uur praten is het wel gebeurd. Tijdens het zoenen ging de verdachte aan de strings van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] zitten en hij ging ook bij beiden in de string.

114. [slachtoffer 3] was een keer na het werk bij de verdachte en toen heeft zij [slachtoffer 1] opgehaald. Bij aankomst zoende de verdachte [slachtoffer 1] ineens. Later hoorde [slachtoffer 1] dat [slachtoffer 3] en de verdachte een weddenschap hadden en dat [slachtoffer 3] nu iets moest doen. In de slaapkamer heeft de verdachte de meisjes uitgekleed. Alle drie hebben ze elkaar gezoend en ook met z’n drieën tegelijk. De verdachte ging [slachtoffer 3] likken aan haar vagina. Daarna ging de verdachte [slachtoffer 1] neuken en [slachtoffer 3] moest daarbij van de verdachte toekijken.

WhatsApp-gesprekken

115. Het dossier bevat een grote hoeveelheid WhatsApp-gesprekken tussen de verdachte en [slachtoffer 3] . Veel van die gesprekken hebben een seksueel onderwerp c.q. seksuele lading. In ieder geval is een aantal van deze gesprekken van belang:

- WhatsApp-gesprek 7 juni 201735:
[slachtoffer 3] : Maar naar jas en mij kijken stiekem?
[verdachte] : Zo ben ik
[verdachte] : Haha nee nee
[verdachte] : Das strafbaar gekkie
[slachtoffer 3] : Wij kijken ook #leeftijdiseengetal
[verdachte] : Hahaha hou op hoor je bent 15
[verdachte] : Dus call me when you turn 18

- WhatsApp-gesprek 7 juni 201736:
[verdachte] : Weet [slachtoffer 1] dat we trio willen?
[slachtoffer 3] : Ja ja ja

- WhatsApp-gesprek 8 juni 201737:
[slachtoffer 3] : Ik zou graag me toets graag het 6e uur willen maken. Want dan is [slachtoffer 1] er
[verdachte] : Hahahahaha en dan krijg ik mijn trio? Dat is chantage!!!

- WhatsApp-gesprek 8 juni 201738:
[verdachte] : Ik ben 31
[slachtoffer 3] : Ik ben 15
[verdachte] : Omg

- WhatsApp-gesprek [verdachte] - [slachtoffer 3] 31 juli 201739:
[slachtoffer 3] : Mag ik nog komen passen vanavond? Heb dan wel een vriendin mee, bezwaar?
[verdachte] : Wie wat Hoelaat waar? Wil zij ook passen?
[verdachte] : Durf je niet meer alleen na gister!?

- WhatsApp-gesprek [verdachte] - [slachtoffer 3] 11 september 201740:
[verdachte] : Laatste vraag
[verdachte] : Daarna mag je leren
Is het gek dat ik je bloedgeil vind?
(…)
[verdachte] : Het enig irritant is
[verdachte] : Dat als ik naar je kijk
[verdachte] : Ik [naam] zijn pik in je mond zie en niet de mijne
[verdachte] : Nou hup leren nu!
[verdachte] : Ik kan niet wachten tot je gaat oefenen met pijpen bij mij …..
[verdachte] : Making yu the best …… Bj-er ter wereld
[verdachte] : Heb je al spijt?
[verdachte] : Ik bedoel van het niet pijpen
[verdachte] : Het is tijd voor nog veel meer standjes
[verdachte] : Super cute dat je in de leer bent
[verdachte] : Als je relax bent is sex pas echt leuk
[verdachte] : Lik en vinger je de volgende x tot je klaarkomt

- WhatsApp-gesprek [verdachte] - [slachtoffer 3] 12 september 201741:
[verdachte] : Weet je trouwens dat ik je de volgende x echt lik tot je komt beloof ik
[verdachte] : We doen dan wel 69 en dan wie het eerst de ander laat komen die wint
[verdachte] : Dat je niet komt van likken? Lijkt me sterk je kwam zondag ook bijna ….
[verdachte] : In de praktijk leer je het snelst

- WhatsApp-gesprek [verdachte] - [slachtoffer 3] 29 september 201742:
[slachtoffer 3] : Nou dat stadium waren we sws nig niet
[slachtoffer 3] : Dat sex
[verdachte] : Gemeenschap niet
[verdachte] : Sex wel remember;)
[verdachte] : Omg sex alles behalve NEUKEn E

Verklaring van de verdachte

116. In het vierde verhoor op 24 januari 201943 heeft de verdachte – na dit eerst zowel tegen de politie als tegenover de rechter-commissaris met kracht te hebben ontkend – bekend dat tussen hem en [slachtoffer 3] op seksueel gebied wel wat is gebeurd. [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] waren twee keer bij hem thuis geweest. De eerste keer, bij het passen van badpakken, hadden de meisjes met elkaar gezoend en had de verdachte hun gestreeld over de rug en over de voorkant van de string. Het voelde warm en vochtig. De tweede keer had de verdachte getongzoend met [slachtoffer 3] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] hadden ook gezoend en de verdachte had [slachtoffer 1] gezoend. De verdachte had ook aan de borsten van de meisjes gezeten terwijl ze geen bovenkleding meer aan hadden. Uiteindelijk had de verdachte nog aan de clitoris van [slachtoffer 3] gelikt, maar zij was ongesteld en was dat redelijk snel gestopt. Er was met [slachtoffer 3] wel over pijpen gesproken, maar dat was niet gebeurd. Dat de verdachte daar met [slachtoffer 3] over had gesproken, was dom en ongepast en hij had er niet bij stilgestaan dat zij jonger dan 16 jaar was. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat wat er met [slachtoffer 3] was gebeurd een foutje was.

Beoordeling

117. De rechtbank overweegt dat de verklaringen van [slachtoffer 3] gedetailleerd en consistent zijn en dat die worden ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 1] en de WhatsApp-gesprekken tussen [slachtoffer 3] en de verdachte. De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer 3] betrouwbaar. De verdachte bekent seksuele handelingen met [slachtoffer 3] te hebben gepleegd, doch hij ontkent [slachtoffer 3] te hebben gevingerd en zich door haar te hebben laten aftrekken. De rechtbank ziet voldoende aanleiding om uit te gaan van de verklaring van [slachtoffer 3] en aan te nemen dat de door [slachtoffer 3] genoemde seksuele handelingen allemaal hebben plaatsgevonden. In de WhatsApp-gesprekken wordt ook gesproken over vingeren en de verdachte appt zelf: “ omg sex alles behalve neuken”. Daaruit leidt de rechtbank af dat er behalve daadwerkelijke gemeenschap alles op seksueel gebied tussen [slachtoffer 3] en de verdachte heeft plaatsgevonden.

118. Uit de verklaring van [slachtoffer 3] en de door de verdachte niet weersproken omstandigheid dat hij haar trainer was en haar tevens – ook als was hij niet haar vaste LOOT-begeleider – regelmatig begeleidde in het kader van zijn werkzaamheden op het Leonardo College, volgt dat vaststaat dat [slachtoffer 3] in de ten laste gelegde periode als aan de opleiding van de verdachte toevertrouwd kon gelden.

119. Aldus komt de rechtbank tot het oordeel dat het onder feit 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard.

[slachtoffer5]

Feit 7

120. De verdachte wordt er van verdacht dat hij in de periode van 27 december 2015 tot 1 maart 2016 [slachtoffer5] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van ontuchtige handelingen (aanranding).

Verklaringen [slachtoffer5]

121. [slachtoffer5] , hierna te noemen: [slachtoffer5] , geboren op [geboortedatum] 1996, heeft een oriënterend gesprek gevoerd met de politie en is daarna door de politie gehoord als aangeefster en door de rechter-commissaris als getuige. Haar verklaringen houden, samengevat en zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in.

122. [verdachte] was sinds haar 15e jaar haar trainer en coach bij ZVL. Eerst bij het team onder 17 en daarna bij de selectie. Op enig moment werd de verdachte ook haar assistent bondscoach bij het team van Jong Oranje. Zij keek erg tegen hem op vanwege zijn waterpolokwaliteiten. Vanaf september 2014 paste zij ook op de dochter van de verdachte. Zij zag hem bijna dagelijks.

123. [slachtoffer5] heeft verklaard dat zij drie keer met de verdachte heeft gezoend in zijn huis. De eerste keer op derde kerstdag 2014, een keer met oud en nieuw 2014/2015 en een keer in de woonkamer. Zij vond hem wel leuk, dus zij zoende hem terug.

124. Zij paste ook in de avond op en omdat er geen bed in de logeerkamer stond, besloot zij in het bed van de verdachte te slapen. Toen zij de verdachte heeft aangesproken over het ontbreken van een logeerbed, zei hij dat het toch zo ook goed ging. De eerste drie keer dat zij in zijn bed sliep, is er niets gebeurd. De vierde keer lag zij met haar rug naar de verdachte toe. Hij ging toen met zijn hand onder haar shirt en ging heel langzaam naar haar borsten toe, waarbij hij uiteindelijk kneep in haar blote borst. Zij zei toen dat zij dat niet wilde en toen stopte hij gelijk. Dit was ergens in januari/februari 2015.

125. Een paar dagen later heeft zij de verdachte een berichtje gestuurd dat zij niet meer kwam oppassen en dat zij behalve op de training niet veel contact meer met hem wilde. Nadat zij het berichtje had gestuurd, zei de verdachte haar dat zij wel wat dankbaarder voor hem moest zijn waardoor zij zich onder druk gezet voelde.

Verklaring van de verdachte

126. De verdachte heeft verklaard dat hij gedurende vijf jaren de coach van [slachtoffer5] is geweest en dat zij op een gegeven moment ook op zijn dochter oppaste. Ze konden het goed met elkaar vinden en hebben een paar keer met elkaar gezoend. Als zij tijdens het oppassen bleef slapen, sliep zij in zijn bed. [slachtoffer5] heeft in zijn armen gelegen en zo hebben ze geslapen. Hij heeft haar borsten echter niet betast.

Beoordeling

127. De rechtbank neemt op grond van de omschreven feiten en omstandigheden als vaststaand aan dat de verdachte en [slachtoffer5] hebben gezoend. Ook staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de verdachte de borst van [slachtoffer5] heeft betast, aangezien de verklaring van [slachtoffer5] voldoende wordt ondersteund door de verklaring van de verdachte, waarin hij aangeeft dat [slachtoffer5] die keer bij hem in zijn armen in bed heeft gelegen. Derhalve is aan het bewijsminimum als verwoord in artikel van artikel 342, tweede lid, Sv voldaan.

128. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of bewezen kan worden dat de verdachte [slachtoffer5] heeft gedwongen om deze handelingen te ondergaan. In dat kader stelt de rechtbank vast dat uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting op geen enkele wijze is gebleken dat de verdachte geweld heeft gebruikt of heeft gedreigd met geweld. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank dan ook van oordeel dat voor dit onderdeel geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.

129. Met betrekking tot de vraag of sprake is van ‘dwang door een andere feitelijkheid’ overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat door het leeftijdsverschil tussen de verdachte en [slachtoffer5] , de omstandigheid dat de verdachte de trainer en coach van [slachtoffer5] was en dat [slachtoffer5] tegen hem opkeek, sprake was van een daaruit voortvloeiend overwicht van de verdachte op [slachtoffer5] . Dat tussen de verdachte en [slachtoffer5] sprake was van een dergelijk overwicht, is naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf onvoldoende om te spreken van “een andere feitelijkheid” die een dusdanige dwang oplevert in de zin van artikel 246 Sr. Daarvoor is immers vereist dat komt vast te staan dat het slachtoffer binnen die afhankelijkheidsrelatie door bepaalde gedragingen van de verdachte waardoor een bedreigende sfeer is ontstaan, is gedwongen de seksuele handelingen te ondergaan. Aan dat vereiste is in onderhavig geval niet voldaan. Evenals de officier van justitie acht de rechtbank dwang ten aanzien van het zoenen in elk geval al niet wettig en overtuigend bewezen, omdat, ondanks dat er enige druk uitging vanwege het bestaande overwicht, [slachtoffer5] heeft verklaard dat zij hem leuk vond en terug zoende. Ook voor het betasten van de borst acht de rechtbank geen dwang bewezen en acht daartoe redengevend dat de ten laste gelegde feitelijkheden niet bewezen kunnen worden dan wel dat deze feitenlijkheden geen dwang in de zin van artikel 246 Sr opleveren. Zo kan op basis van de hierboven genoemde verklaringen niet worden vastgesteld dat de verdachte bij [slachtoffer5] heeft aangedrongen om bij hem in bed te komen slapen. Ook kan niet worden vastgesteld dat sprake was van een onverhoeds karakter bij het betasten van de borst. Immers verklaart [slachtoffer5] dat de verdachte heel langzaam naar haar borsten ging. Dat [slachtoffer5] onder druk zou zijn gezet, wat daar overigens verder ook van zij, zou pas na de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden en heeft derhalve niet kunnen bijdragen aan een eventuele dwang. Ook de overige ten laste gelegde feitenlijkheden leveren geen dwang op in de zin van artikel 246 Sr, zodat het bestanddeel dwingen niet kan worden bewezen. Feit 7 is dan ook niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

[slachtoffer 6]

Feit 6

130. De verdachte wordt ervan verdachte in de periode van 1 mei 2016 tot en met 2 oktober 2016 ontucht te hebben gepleegd met de minderjarige [slachtoffer 6] , die aan zijn zorg/opleiding of waakzaamheid was toevertrouwd.

Verklaringen [slachtoffer 6]

131. [slachtoffer 6] , hierna ook te noemen: [slachtoffer 6] , heeft een oriënterend gesprek gevoerd met de politie en is daarna door de politie gehoord als aangeefster en door de rechter-commissaris als getuige. Haar bij die gelegenheden afgelegde verklaringen houden

– samengevat en zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.

132. [slachtoffer 6] is geboren op [geboortedatum] 1999. Zij heeft bij ZVL als waterpoloster getraind en toen ook [verdachte] leren kennen, maar hij is daar nooit haar trainer geweest. Toen zij bij ZVL na een ruzie met haar trainer was weggegaan, heeft zij op instigatie van de verdachte twee of drie keer bij hem in het kader van het RTC getraind. Dat was gratis. Daarna zou zij daarvoor moeten betalen en dat vonden haar ouders te duur, dus zij is daarmee gestopt. [slachtoffer 6] heeft nooit contact met Koen gehad in zijn functie als LOOT-begeleider.

133. [slachtoffer 6] en de verdachte zijn op een gegeven moment uitdagende chats gaan uitwisselen en het contact werd closer. Ze wilden van beide kanten afspreken. [verdachte] is toen een aantal malen bij haar thuis, in de woning van haar ouders, geweest. De eerste keer zijn ze samen op bed gaan liggen en hebben gezoend en een beetje geknuffeld. De tweede keer zijn ze meteen naar boven gegaan en op het bed gaan liggen en toen wilde [verdachte] verder gaan. Hij pakte toen haar hand en deed die bij zijn stijve piemel. Zij wilde dat niet en toen is er verder, en ook daarna, niets meer gebeurd.

Verklaring van de verdachte

134. De verdachte heeft bevestigd wat [slachtoffer 6] heeft verklaard over de (paar) keer dat zij bij het RTC heeft getraind. De verdachte betwist ooit bij [slachtoffer 6] thuis te zijn geweest en/of enige seksuele handelingen bij of met haar te hebben verricht.

Beoordeling

135. Omtrent de professionele relatie tussen [slachtoffer 6] en de verdachte is niets meer en anders komen vast te staan dan dat zij twee of drie keer bij het RTC, waar de verdachte toen de (enige) trainer was, heeft getraind. Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, is dit onvoldoende om te kunnen concluderen tot het bestaan van een situatie waarbij [slachtoffer 6] in de ten laste gelegde periode kon gelden als een pupil van de verdachte, dan wel een aan zijn zorg/opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige. Dat onderdeel van de tenlastelegging is dan ook niet bewezen, zodat een beslissing omtrent het bewijs ten aanzien van de rest van die tenlastelegging achterwege kan blijven.

136. De slotsom is dat feit 6 niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, zodat de verdachte van dat feit zal worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

137. De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

1

subsidiair

hij in de periode van 25 april 2017 tot en met 3 mei 2017 te Kikinda, ontucht heeft gepleegd met aan zijn, verdachtes, opleiding toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2000, door

- zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [slachtoffer 1] te brengen en

- zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 1] te brengen;

2

hij meermalen in de periode van 4 mei 2017 tot en met 17 juni 2018 te Leiden en Alphen aan den Rijn, ontucht heeft gepleegd met aan zijn, verdachtes, opleiding toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2000, door

- de [slachtoffer 1] te (tong)zoenen en

- het betasten van de vagina van die [slachtoffer 1] en

- de vagina van die [slachtoffer 1] te likken en

- zijn, verdachtes, penis en vingers in de vagina en in de anus van die [slachtoffer 1] te brengen en

- zijn verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 1] te brengen;

3

hij meermalen in de periode van 30 juli 2017 tot en met 29 september 2017 te Leiden, met de aan zijn, verdachtes, opleiding toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum] 2001, die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , te weten

- het (tong)zoenen van die [slachtoffer 3] en

- het betasten van en wrijven over de vagina van die [slachtoffer 3] en

- het zich laten aftrekken door die [slachtoffer 3] en

- het brengen van zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer 3] en

- het likken van de vagina van die [slachtoffer 3] ;

4

hij meermalen in de periode van 1 juni 2012 tot en met 30 april 2014 te Leiden, door een andere feitelijkheid, [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die die [slachtoffer 2] , te weten:

- het (tong)zoenen van die [slachtoffer 2] en

- het betasten van de vagina/clitoris en de borsten van die [slachtoffer 2] en

- het likken van de vagina van die [slachtoffer 2] en

- het brengen van zijn, verdachtes, penis en vingers in de anus en de vagina van die [slachtoffer 2] ,

en bestaande die feitelijkheden daarin dat hij, verdachte

- veelvuldig berichten (door middel van WhatsApp of een ander chatprogramma) heeft gestuurd en

- die [slachtoffer 2] heeft meegenomen naar zijn slaapkamer om tv te kijken en daarbij de borsten en het lichaam van die [slachtoffer 2] onverhoeds heeft betast en

- de onderbroek van die [slachtoffer 2] onverhoeds heeft uitgetrokken en

- de heupen, althans het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft vastgehouden (waardoor zij niet

weg kon) en - tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd dat er niets raars aan was en dat hij wel vaker seksueel contact had gehad met speelsters en

- voorbij is gegaan de verbale uitingen van die [slachtoffer 2] dat zij het niet wilde en niet fijn vond en

- die [slachtoffer 2] in een afhankelijke positie heeft gebracht door te controleren met wie zij afsprak en te bepalen en beïnvloeden welke keuzes zij zou maken en door een woning voor haar en medespeelsters te regelen en daarvan

een sleutel achter te houden en door ongevraagd bij haar thuis te komen en

- die [slachtoffer 2] onder druk heeft gezet door onder meer te zeggen dat als dit uit zou

komen, zij nooit meer in het Nederlands team zou kunnen spelen en te zeggen dat

niemand zou geloven dat het zijn initiatief was omdat hij hoog aangeschreven stond in

die wereld, althans woorden van soortgelijke aard en strekking,

zulks terwijl hij, verdachte, hierbij misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke verhoudingen

voortvloeiend overwicht in verband met het grote leeftijdsverschil en het

feit dat hij haar waterpolotrainer/coach was en waar die [slachtoffer 2] tegenop keek;

en

hij meermalen in de periode van 1 juni 2012 tot en met 5 februari 2014 te Leiden, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn, verdachtes,

opleiding toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 1996, door

- die [slachtoffer 2] te (tong)zoenen en

- het likken van de vagina van die [slachtoffer 2] en

- het betasten van de vagina en de borsten van die [slachtoffer 2] en

- zijn, verdachtes, penis en vingers in de vagina en in de anus van die [slachtoffer 2] te brengen;

5

hij meermalen in de periode van 27 december 2014 tot 1 maart 2015 te Leiden en Eindhoven, en in Athene, door een andere feitelijkheid, [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die die [slachtoffer 4] , te weten:

- het brengen van zijn penis en vingers in de vagina en de anus van die [slachtoffer 4] , en bestaande die feitelijkheden daarin dat hij, verdachte

- dwingend per WhatsApp heeft gevraagd of zij naar zijn kamer wilde komen en

- onverwachts in de woning van die [slachtoffer 4] is binnengekomen (via de schutting van de tuin) en

- die [slachtoffer 4] op het bed heeft geduwd, terwijl hij, verdachte, daar reeds naakt lag en

- de broek en onderbroek van die [slachtoffer 4] heeft uitgetrokken en

- onverhoeds en dwingend zijn vinger en penis in de vagina en anus van die [slachtoffer 4] heeft geduwd en hiermee voorbij is gegaan aan de verbale en fysieke uitingen van die [slachtoffer 4] dat zij het niet wilde en niet fijn vond, zulks terwijl hij verdachte hierbij misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht in verband met het grote leeftijdsverschil en het feit dat hij haar waterpolotrainer/coach was en waar die [slachtoffer 4] tegenop keek.

138. Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

139. Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte

140. De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

De strafoplegging

141. Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

142. De feiten die jegens de verdachte bewezen zijn verklaard, zijn, vanwege zwaarwegende omstandigheden als het maken van inbreuk op de lichamelijke integriteit, een afhankelijkheidsrelatie, de betrokkenheid van minderjarigen en het meermalen plegen van die feiten, door de wetgever in de categorie ernstiger misdrijven opgenomen. Dat blijkt uit de in het Wetboek van Strafrecht opgenomen strafmaxima. Voor verkrachting, meermalen gepleegd, is dat 16 jaren gevangenisstraf, voor het misdrijf als genoemd in artikel 245 juncto 248 Sr (ontucht met iemand beneden de 16 jaar met seksueel binnendringen in een opleidingssituatie, meermalen gepleegd) 14 jaren en 2 maanden gevangenisstraf en voor het plegen van ontucht met een aan de opleiding toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd, (artikel 245 Sr) 9 jaren gevangenisstraf.

143. Alleen al deze omstandigheid maakt duidelijk dat bij bewezenverklaring van een combinatie van dergelijke feiten in het algemeen slechts oplegging van een straf die vrijheidsbeneming van aanmerkelijke duur met zich brengt, in aanmerking komt.

144. Bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf – die slechts in zeer uitzonderlijke gevallen niets anders dan de maximumstraf zal kunnen zijn – spelen, behalve het enkele feit van de bewezenverklaring, diverse factoren een rol die zien op de specifieke omstandigheden van het berechte geval. In de zaak van de verdachte zijn dat de navolgende.

145. Voor zover jegens de verdachte het plegen van het misdrijf verkrachting, meermalen gepleegd, bewezen is verklaard, betreft het niet een verkrachting zoals die in het algemeen spraakgebruik veelal wordt opgevat, namelijk het dwingen tot het ondergaan van vergaande seksuele handelingen onder invloed van geweldshandelingen of bedreiging daarmee. In het geval van de verdachte is van enig geweld of bedreiging daarmee geen sprake geweest. Dat doet niet af aan het volledig vervullen door de verdachte van de delictsomschrijving van het misdrijf verkrachting, maar is wel – in voor de verdachte gunstige zin – van invloed op de hoogte van de op te leggen straf. Daar staat – in voor de verdachte nadelige zin, derhalve strafverzwarend – tegenover dat het hier gaat om bewezenverklaring van het misdrijf verkrachting, meermalen gepleegd – ook al is daar geen geweld aan te pas gekomen – tegen meer dan één slachtoffer. Hetzelfde geldt voor het bewezen verklaarde misdrijf uitmakende ontucht met een minderjarige met seksueel binnendringen in een afhankelijkheidsrelatie, meermalen gepleegd. Ook dat feit is tegenover meer dan één slachtoffer gepleegd.

146. Van groot belang bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf is het patroon van het gedrag van de verdachte ten opzichte van zijn slachtoffers, zoals dat uit het dossier en meer in het bijzonder uit de eerder in dit vonnis weergegeven bewijsmiddelen, volgt. Dat patroon komt op het volgende neer.

147. De verdachte bekleedde een belangrijke rol in de waterpolowereld. Hij was een coach van formaat en werd door velen, met name door de veelal zeer jonge waterpolospeelsters met wie hij in aanraking kwam, gezien als iemand van wie zij veel konden leren, maar die ook – en begrijpelijk – een belangrijke en zelfs doorslaggevende invloed had of kon hebben op hun verdere carrière. De verdachte bepaalde immers als coach van een vooraanstaande zwemverenging wie wel en wie niet in aanmerking kwam voor het spelen van wedstrijden op hoog niveau en had ook – als assistent-coach van Jong Oranje – invloed op een mogelijke verdere ontwikkeling van speelsters naar landelijk en zelfs wereldniveau. Ook in zijn latere functie van RTC-trainer was zijn invloed op dat gebied groot.

148. Kennelijk is de verdachte zich er op enig moment van bewust geworden dat hij in staat was om zijn invloed op jonge waterpolospeelsters te gaan aanwenden voor een geheel ander doel, te weten de bevrediging van zijn eigen seksuele lusten. Hij heeft daartoe een

– telkens terugkerende – aanpak gehanteerd. Die aanpak bestond daarin dat, als aan een jonge waterpolospeelster duidelijk was dat hij, de verdachte, een belangrijke persoon in haar leven was geworden uit een oogpunt van verdere ontwikkeling van haar loopbaan binnen de waterpolosport, hij het inmiddels ontstane contact en de daaruit voortvloeiende professionele binding langzamerhand gepaard liet gaan met indringender contacten op het persoonlijke vlak. Dat begon veelal met chatberichten die steeds verder gingen, een seksueel karakter kregen en uiteindelijk ronduit grensoverschrijdend waren. Vervolgens benaderde de verdachte zijn slachtoffer ook lichamelijk. Dat begon met aanrakingen, ging daarna over in zoenen en eindigde in de meeste gevallen met vaginale en soms ook anale seks. In alle bewezen verklaarde gevallen is duidelijk dat bij de seksuele contacten tussen de verdachte en zijn slachtoffer de ontstane afhankelijkheidsrelatie een rol speelde, hetzij omdat die er nu eenmaal was en reeds daarom de verdachte zich op grond van de wet van ieder seksueel contact had behoren te onthouden, hetzij omdat is vastgesteld dat het juist die afhankelijkheidsrelatie was die, al dan niet gepaard gaand met andere feitelijke handelingen van de verdachte, de doorslag gaf bij de beslissing van het slachtoffer om – hoewel zij geen behoefte had aan seksueel contact met de verdachte – uiteindelijk geen weerstand te bieden aan de wensen van de verdachte, wat voerde tot vaginale en anale seks. In die laatste gevallen was sprake van dwang en daarmee van verkrachting.

149. Dit gedrag van de verdachte verdient niets anders dan volstrekte afkeuring en geeft blijk van minachting jegens zijn slachtoffers. Het ging hier om jonge meisjes en vrouwen, voor wie in de periode waarin ze met de verdachte in aanraking kwamen, waterpolo het zo goed als belangrijkste in hun leven was. Uit de ter terechtzitting afgelegde slachtofferverklaringen is pijnlijk duidelijk geworden hoe zeer waterpolo en de ambitie om daarin ten koste van grote opoffering te excelleren, het dagelijks leven van de slachtoffers beheerste. De verdachte moet dat als geen ander hebben begrepen. Hij had immers zelf waterpolo op hoog niveau gespeeld en droeg er dagelijks aan bij dat deze jonge speelsters het beste van zichzelf gaven om maar (verder) carrière te kunnen maken. Dat alles heeft de verdachte geheel ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens. Het was hem nimmer om iets anders te doen dan om de seks. Hij heeft daarbij bewust op de koop toe genomen dat zijn handelingen schade aan zijn slachtoffers zouden toebrengen, niet alleen vanwege de inbreuk op hun lichamelijke integriteit maar ook, en mogelijk zelfs nog meer, vanwege het gevaar dat daardoor de verdere carrière van deze speelsters zou worden belemmerd of zelf geheel ten einde zou komen, wat in een aantal gevallen ook is gebeurd.

150. Wat de verdachte bovendien ernstig valt aan te rekenen, is dat hij (veel) eerder had moeten beseffen welke schade hij aanrichtte, zodat hij had behoren te stoppen met zijn verwerpelijke gedrag en geen verdere slachtoffers had behoren te maken. Dat is evenwel niet gebeurd. Dat blijkt uit het volgende.

151. De verdachte heeft steeds, en tegen beter weten in, ontkend dat hij een seksuele relatie heeft onderhouden met [slachtoffer 2] , zijnde één van zijn eerste (zij het in die periode niet het enige) slachtoffers. Het bestaan van een seksuele relatie tussen hem en [slachtoffer 2] is ter terechtzitting onomstotelijk komen vast te staan. Wat de rechtbank in het verlengde daarvan ook als vaststaand aanneemt, is dat die relatie de werkelijke oorzaak was van de breuk van [slachtoffer 2] met de verdachte en met ZVL. Duidelijk is dat alle betrokken partijen hebben gekozen voor een oplossing die in de eerste plaats schadelijk was voor [slachtoffer 2] zelf. Zij moest immers de zwemverenging, waar zij op instigatie van de verdachte naar toe was gekomen, al relatief snel weer verlaten, waarbij als reden werd opgegeven dat zij en de verdachte niet langer door één deur konden. Daarmee werd de werkelijke reden, te weten het gedrag van de verdachte en de verkrachtingen die [slachtoffer 2] had moeten ondergaan, verhuld. Maar ook voor de verdachte was deze breuk niet zonder gevolg. Hij verloor zijn positie als coach bij ZVL en als assistent-coach bij Jong Oranje.

152. Deze gebeurtenis had de verdachte in de eerste plaats duidelijk moeten maken wat voor een enorme schade hij had aangericht – los van de inbreuk op haar lichamelijke integriteit – ten opzichte van de carrièremogelijkheden van [slachtoffer 2] , die volgens alle bronnen buitengewoon talentvol was. Het is niet aan de verdachte te danken dat [slachtoffer 2] ondanks die door hem aangerichte schade in staat is gebleken haar waterpolocarrière succesvol te vervolgen. Dat is veeleer gebeurd ondanks het handelen van de verdachte, zoals – alweer pijnlijk – duidelijk is geworden uit de door [slachtoffer 2] ter terechtzitting afgelegde verklaring.

153. In de tweede plaats had de verdachte kunnen en moeten beseffen dat hij, door de afloop van de affaire met [slachtoffer 2] , door het oog van de naald was gekropen. In plaats van

– toen al – een strafvervolging ter zake van verkrachting viel hem weliswaar het ontslag bij ZVL en Jong Oranje ten deel, maar ook kreeg hij – gelet op zijn professionele kwaliteiten – vrijwel meteen een nieuwe kans om op hoog niveau werkzaam te zijn als coach bij het RTC en als LOOT-begeleider bij het Leonardo College.

154. Maar deze ervaringen hebben de verdachte er niet toe gebracht om in het vervolg ver weg te blijven van het hebben van anders dan uitsluitend professionele contacten met de jonge waterpolospeelster die – opnieuw – aan hem werden toevertrouwd. In tegendeel. De verdachte is al snel weer op precies dezelfde wijze te werk gegaan als daarvoor, te weten het via chatgesprekken inpalmen van jonge waterpolospeelsters, resulterende in seksuele handelingen. En dat op aanmerkelijke schaal. In deze stafzaak worden, voor wat betreft de periode na de affaire met [slachtoffer 2] , handelingen van de verdachte bewezen verklaard ten opzichte van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] , maar uit het dossier volgt dat hij in die periode vele andere speelsters op eenzelfde manier benaderde, los van de vraag of dat ook feitelijk tot seksueel contact heeft geleid.

155. De verdachte heeft aanvankelijk alles wat hem werd verweten, ontkend en uiteindelijk – toen hij daar in zijn visie kennelijk echt niet meer onderuit kon – een beperkt aantal seksuele handelingen met één slachtoffer toegegeven. Het stond en staat de verdachte uiteraard geheel vrij een dergelijke proceshouding aan te nemen en dat wordt hem dan ook niet in voor hem nadelige zin in rekening gebracht. Wat hem wel wordt aangerekend, is dat daarmee vaststaat dat de verdachte op geen enkele wijze verantwoordelijkheid heeft willen nemen voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard en tevens dat hij geen enkel inzicht aan de dag heeft gelegd in het strafwaardige van zijn handelen en de schade die hij daarmee aan zijn vele jeugdige slachtoffers heeft berokkend.

156. Uit het uittreksel uit het justitieel documentatieregister ten name van de verdachte blijkt dat hij niet eerder met politie of justitie in aanraking is geweest. De rechtbank heeft acht geslagen op de omtrent de verdachte uitgebrachte persoonlijkheidsrapportages, waaruit volgt dat bij de verdachte geen stoornissen zijn geconstateerd, zodat de feiten, indien bewezen, hem volledig kunnen worden toegerekend. De rechtbank neemt die conclusie over. Tenslotte heeft de rechtbank kennisgenomen van het omtrent de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 26 februari 2020 (tweede, aangevulde versie) en het voortgangsverslag toezicht van diezelfde datum.

157. Wat de hoogte van de op te leggen straf betreft geldt dat, indien alle ten laste gelegde feiten bewezen zouden zijn verklaard, oplegging van een straf als door de officier van justitie gevorderd alleszins gerechtvaardigd zou zijn geweest. Omdat de verdachte van enige, zij het niet de zwaarste, feiten zal worden vrijgesproken, wordt een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur, alle voormelde omstandigheden in aanmerking genomen, door de rechtbank als passend en geboden aangemerkt.

158. De rechtbank vindt geen aanleiding om, zoals door de officier van justitie is gevorderd, als bijkomende straf ontzetting van het recht om het beroep van zwemcoach/trainer uit te oefenen, op te leggen.

De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

De vorderingen van de benadeelde partijen

159. De volgende aangeefsters hebben zich ten aanzien van de verschillende feiten als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

1. [slachtoffer 1] (feiten 1 en 2), met een vordering ten bedrage van € 56.229,63, bestaande uit materiële schade (€ 31.229,63) en immateriële schade (€ 25.000,00);

2. [slachtoffer 3] (feit 3), met een vordering ten bedrage van € 50.748,87, bestaande uit materiële schade (€ 22.902,60), immateriële schade (€ 17.500,00) en
proceskosten (€ 10.346,27);

3. [slachtoffer 2] (feit 4), met een vordering ten bedrage van € 38.392,42, bestaande uit materiële schade (€ 5.000,00), immateriële schade (€ 25.000,00) en
proceskosten (€ 8.392,42);

4. [slachtoffer 4] (feit 5), met een vordering ten bedrage van € 40.838,02, bestaande uit materiële schade (€ 6.866,61), immateriële schade (€ 25.000,00) en
proceskosten (€ 8.971,41);

5. [slachtoffer 5] (feit 7), met een vordering ten bedrage van € 46.861,91 bestaande uit materiële schade (€ 26.785,00), immateriële schade (€ 12.500,00) en
proceskosten (€ 7.576,91).

160. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade geldt ten aanzien van alle vorderingen dat een deel ziet op vergoeding voor schade met betrekking tot het gepleegde strafbare feit en een deel ziet op gederfd sportgenot c.q. een verstoorde sportontwikkeling. Daarnaast geldt ten aanzien van alle vorderingen dat de gevorderde proceskosten bestaan uit kosten voor rechtsbijstand. Tot slot geldt ten aanzien van alle vorderingen dat is gevorderd deze te vermeerderen met de wettelijke rente en dat is verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De conclusie van de officier van justitie

161. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, met uitzondering van de gevorderde toekomstige kosten in het geval er hoger beroep wordt ingesteld.

Het standpunt van de verdediging

162. De verdediging heeft uitgebreid gereageerd op de vijf vorderingen. Met betrekking tot de gevorderde materiële schade heeft de verdediging zich bij een groot aantal posten op het standpunt gesteld dat deze onvoldoende zijn onderbouwd of dienen te worden gematigd, dan wel dat behandeling van de vordering leidt tot een onevenredige belasting van het strafgeding en om die reden de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vordering. Met betrekking tot de immateriële schade heeft de verdediging betoogd dat de gevorderde bedragen, die zien op het gepleegde strafbare feit, dienen te worden gematigd. Daarnaast heeft de verdediging betoogd dat de benadeelde partijen onvoldoende hebben onderbouwd dat sprake is van gederfd sportgenot c.q. verstoorde sportontwikkeling en dat de gevorderde bedragen dienen te worden afgewezen. Tot slot heeft de verdediging betoogd dat de gevorderde proceskosten dienen te worden vergoed conform het overeenkomstige liquidatietarief en niet volgens het gehanteerde uurtarief van de door de benadeelde partij gekozen raadsman.

163. Op specifieke standpunten zal hierna, voor zover relevant, nader worden ingegaan.

Het oordeel van de rechtbank

Inleidende uitgangspunten

164. Bij de beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals hiervoor genoemd, zal de rechtbank de volgende uitgangspunten hanteren.

165. De rechtbank zal de benadeelde partijen, voor zover onderdelen van hun vordering niet of onvoldoende zijn onderbouwd, steeds in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in die onderdelen van de vordering tot schadevergoeding. Dit is telkens het geval, aangezien het een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren als bedoeld in artikel 361 lid 3 Sv om de benadeelde partijen in de gelegenheid te stellen dit gedeelte van de vordering nader te onderbouwen. De benadeelde partijen kunnen dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Proceskosten

166. Ten aanzien van de in vier gevallen gevorderde proceskosten overweegt de rechtbank het volgende. Zoals door de verdediging is betoogd, geldt als uitgangspunt dat de proceskosten van de benadeelde partij worden vastgesteld overeenkomstig het toepasselijke liquidatietarief krachtens de richtlijn ‘Liquidatietarief rechtbanken en hoven’. De rechtbank stelt voorop dat dit een voor de rechter niet bindende richtlijn betreft. Deze richtlijn leent zich niet steeds voor directe toepassing op de door de raadsman verrichte werkzaamheden ten behoeve van de benadeelde partij die zich in het strafgeding heeft gevoegd. In deze zaak wordt aanleiding gezien om af te wijken van voornoemde richtlijn, aangezien een vergoeding van proceskosten conform het liquidatietarief geen recht doet aan de bijzondere aard en omvang van deze zaak. De rechtbank is van oordeel dat een volledige proceskostenvergoeding voor de werkelijk gemaakte kosten op zijn plaats is en zal de gevorderde kosten voor rechtsbijstand, aangezien deze genoegzaam zijn onderbouwd en slechts in algemene termen – derhalve onvoldoende concreet – zijn betwist, in zijn geheel toewijzen.

De overige vorderingen

[slachtoffer 1]

Materiële schade

167. De benadeelde partij heeft ten aanzien van de materiële schade een aantal schadeposten opgevoerd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van de onder 1 subsidiair en onder 2 bewezen verklaarde feiten. De rechtbank zal de verschillende posten hieronder bespreken.

Reis- en parkeerkosten in verband met strafzaak (€ 280,87)

168. De benadeelde partij heeft reis- en parkeerkosten gevorderd die zij ten behoeve van de strafzaak heeft gemaakt. De benadeelde heeft deze kosten onder andere gemaakt voor het doen van aangifte, een gesprek met de officier van justitie en om aanwezig te zijn bij de inhoudelijke behandeling van de zaak, mede voor het uitoefenen van haar spreekrecht. De verdediging heeft betoogd dat een deel van de gemaakte kosten betrekking heeft op een periode waarin de benadeelde partij nog niet de leeftijd van 18 jaar had en dus niet (zelfstandig) bevoegd was een auto te besturen en hiervoor dus ook geen reis- en/of parkeerkosten heeft kunnen maken. De rechtbank stelt vast dat deze kosten zijn aan te merken als verplaatste schade en dus voor vergoeding in aanmerking komen. Dit betreft immers kosten die de benadeelde partij, als niet de derde maar zijzelf deze kosten zou hebben gemaakt, van de verdachte had kunnen vorderen. De verdediging heeft verder betoogd dat gevorderde reis- en parkeerkosten voor het bijwonen van de inhoudelijke behandeling van de zaak niet kunnen worden toegewezen, omdat de benadeelde partij door middel van een gemachtigde heeft geprocedeerd. De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij zich weliswaar heeft laten bijstaan door een advocaat, maar desalniettemin noodzakelijke reis- en parkeerkosten heeft moeten maken voor het ter zitting uitoefenen van haar spreekrecht. Anders dan de verdediging, acht de rechtbank het gevorderde bedrag toewijsbaar. De rechtbank acht het volledig gevorderde bedrag voor toewijzing vatbaar. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:2338) geldt dat reis- en parkeerkosten die ten behoeve van de strafzaak zijn gemaakt, worden aangemerkt als proceskosten en niet als materiële schade. De rechtbank zal het gevorderde bedrag dan ook toewijzen als proceskosten.

Reis- en parkeerkosten in verband met bezoeken psycholoog (€ 252,90)

169. De benadeelde partij heeft reis- en parkeerkosten gemaakt voor bezoeken aan een psycholoog. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat voornoemde kosten zijn gemaakt in verband met de behandeling van de benadeelde partij. Anders dan de verdediging heeft betoogd, acht de rechtbank voor reis- en parkeerkosten waar geen bon van is overgelegd, een forfaitaire vergoeding op zijn plaats. De rechtbank zal het gevorderde bedrag als materiële schade toewijzen.

Toekomstige reiskosten/medische kosten (€ 5.000,00)

170. De benadeelde partij heeft toekomstige reiskosten en medische kosten gevorderd voor het geval er hoger beroep wordt ingesteld, omdat de benadeelde partij op grond van artikel 421 Sv haar vordering in hoger beroep niet kan vermeerderen. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat het gevorderde bedrag dient te worden afgewezen, aangezien deze kosten redelijkerwijs nog niet gemaakt zijn en ook nog niet duidelijk is of deze kosten gemaakt zullen worden.

Reiskosten in verband met VAVO (€ 2.813,92)

171. De benadeelde partij heeft als gevolg van het tenlastegelegde studievertraging opgelopen en heeft mitsdien het volwassenenonderwijs (VAVO) moeten volgen. Volgens de benadeelde partij was het niet mogelijk om het VAVO te Leiden te volgen, aangezien (familie van) de verdachte daar woont. Dit brengt met zich dat de benadeelde partij het VAVO te Utrecht heeft gevolgd, hetgeen reiskosten met zich heeft gebracht. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat deze kosten onvoldoende zijn onderbouwd, aangezien de noodzaak om te veranderen van school onvoldoende is gebleken. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in dit gedeelte van de vordering.

Reiskosten in verband met overstap zwemvereniging (€ 2.552,00)

172. De benadeelde partij stond ingeschreven bij waterpoloclub ZVL Leiden te Leiden en is na haar aangifte overgestapt naar een andere waterpoloclub. De benadeelde stelt als gevolg van het bewezen verklaarde feit te zijn overgestapt naar waterpolovereniging UZSC te Utrecht, hetgeen reiskosten met zich heeft gebracht. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat dit deel van de vordering niet eenvoudig van aard is en dat de beoordeling van de vordering leidt tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in dit gedeelte van de vordering.

Gederfde inkomsten (€ 3.479,94)

173. De benadeelde partij heeft inkomensverlies gevorderd over een periode van 18 maanden. Uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat de benadeelde partij gemiddeld per maand € 193,33 verdiende als verkoopster in een kledingzaak en na haar aangifte in juni 2018 niet meer heeft gewerkt. De benadeelde partij heeft het inkomensverlies vanaf de maanden juli 2018 tot en met december 2019 gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat namens de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd dat zij gedurende 18 maanden na haar aangifte niet in staat zou zijn geweest om te werken. De rechtbank zal de benadeelde partij, zoals ook de verdediging heeft bepleit, niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die betrekking heeft op inkomensverlies.

Studievertraging (€ 16.850,00)

174. De benadeelde partij heeft studievertraging opgelopen ten aanzien van het schooljaar 2017/2018. De benadeelde partij stelt dat zij door het doen van aangifte haar examen scheikunde niet heeft gehaald en ook niet in staat is geweest de herkansing te kunnen doen. Dit heeft ertoe geleid dat de benadeelde partij één jaar studievertraging heeft opgelopen. Volgens de ‘Letselschade Richtlijn Studievertraging’ wordt een jaar studievertraging in het geval van de benadeelde gewaardeerd op € 16.850,00. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat niet op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld of en zo ja, in welke mate, de bewezen verklaarde feiten de studievertraging tot gevolg heeft gehad. Het onderzoek naar de vaststelling dat de bewezen verklaarde feiten studievertraging heeft opgeleverd voor de benadeelde partij, brengt een onevenredige belasting van het strafgeding met zich. Gelet hierop zal de rechtbank de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit gedeelte van de vordering.

Immateriële schade

175. De benadeelde partij heeft een bedrag van € 25.000,00 aan immateriële schade gevorderd. De benadeelde partij heeft voornoemd bedrag onderverdeeld in schade die zij heeft geleden met betrekking de ten laste gelegde feiten (€ 20.000,00) en wegens gederfd sportgenot c.q. een verstoorde sportontwikkeling (€ 5.000,00).

176. De rechtbank stelt voorop dat immateriële schade ziet op de individuele gevolgen van de bewezen verklaarde feiten bij de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van de onder 1 subsidiair en onder 2 bewezen verklaarde feiten. De verdachte heeft gedurende 14 maanden lang ontuchtig handelingen gepleegd met de benadeelde partij. De benadeelde partij heeft hier tal van klachten aan over gehouden, waaronder vermoeidheid, nachtmerries, ’s nachts wakker worden, beelden voor zich zien, gespannen gevoel, vergeetachtigheid, concentratieproblemen, schrikachtigheid en een gevoel van onveiligheid bij bepaalde type mannen. De benadeelde is door een psycholoog gediagnosticeerd met een ongespecificeerde angststoornis, met kenmerken van een post-traumatische stress stoornis. Zij is hiervoor behandeld door middel van EMDR-therapie. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij hiermee voldoende heeft aangetoond dat sprake is van ernstige psychische schade.

177. De rechtbank zal naar billijkheid een bedrag aan immateriële schade aan de benadeelde partij toewijzen en ziet geen aanleiding om de gevorderde immateriële schade te splitsen. De rechtbank is op grond van alle omstandigheden – en mede gelet op wat in soortgelijke zaken wordt toegekend – van oordeel dat een bedrag van € 6.000,00 aan immateriële schade naar billijkheid toewijsbaar is. De rechtbank zal de benadeelde partij voor wat betreft het overige deel van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Conclusie ten aanzien van [slachtoffer 1]

178. De rechtbank zal gelet op het voorgaande de volgende bedragen toewijzen als vergoeding van de materiële schade, immateriële schade en proceskosten, gevorderd door [slachtoffer 1] :

Materiële schade: € 252,90

Immateriële schade: € 6.000,00

Totaal: € 6.252,90

Proceskosten: € 280,87

[slachtoffer 3]

Materiële schade

179. De benadeelde partij heeft ten aanzien van de materiële schade een aantal schadeposten opgevoerd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal de verschillende posten hieronder bespreken.

Reiskosten strafzaak (€ 207,20)

180. De benadeelde partij heeft reis- en parkeerkosten gevorderd die zij ten behoeve van de strafzaak heeft gemaakt. Zij heeft deze kosten onder andere gemaakt voor het doen van aangifte, een gesprek met de Slachtofferhulp Nederland en om aanwezig te zijn bij de inhoudelijke behandeling van de zaak mede voor het uitoefenen van haar spreekrecht. De verdediging heeft betoogd dat een deel van de gemaakte kosten betrekking heeft op een periode waarin de benadeelde partij nog niet de leeftijd van 18 jaar had en dus niet (zelfstandig) bevoegd was een auto te besturen en hiervoor dus ook geen reis- en/of parkeerkosten heeft kunnen maken. De rechtbank stelt vast dat deze kosten zijn aan te merken als verplaatste schade en dus voor vergoeding in aanmerking komen. Dit betreft immers kosten die de benadeelde partij, als niet de derde maar zijzelf deze kosten zou hebben gemaakt, van de verdachte had kunnen vorderen. De rechtbank acht het volledig gevorderde bedrag voor toewijzing vatbaar. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:2338) geldt dat reis- en parkeerkosten die ten behoeve van de strafzaak zijn gemaakt, worden aangemerkt als proceskosten en niet als materiële schade. De rechtbank zal het gevorderde bedrag dan ook toewijzen als proceskosten.

Reiskosten in verband met bezoeken psycholoog (€ 70,40)

181. De benadeelde partij stelt reis- en parkeerkosten te hebben gemaakt voor bezoeken aan een psycholoog. De rechtbank acht onvoldoende onderbouwd dat de benadeelde partij daadwerkelijk gesprekken heeft gevoerd met een psycholoog en hiervoor reis- en parkeerkosten heeft gemaakt. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren voor dit gedeelte van de vordering.

Toekomstige reiskosten/medische kosten (€ 5.000,00)

182. De benadeelde partij heeft toekomstige reiskosten en medische kosten gevorderd voor het geval er hoger beroep wordt ingesteld, omdat de benadeelde partij op grond van artikel 421 Sv haar vordering in hoger beroep niet kan vermeerderen. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat het gevorderde bedrag dient te worden afgewezen, aangezien deze kosten redelijkerwijs nog niet gemaakt zijn en ook nog niet duidelijk is of deze kosten gemaakt zullen worden.

Toekomstige studievertraging (€ 17.625,00)

183. De benadeelde partij doet dit jaar (de rechtbank begrijpt: het schooljaar 2019/2020) eindexamen Havo. Zij stelt als gevolg van het bewezen verklaarde feit niet lekker in haar vel te zitten en minder goed te presteren op school dan voor het strafbare feit. Volgens de benadeelde partij is er een kans aanwezig dat zij als gevolg van het bewezen verklaarde feit haar examen niet haalt. Indien zij haar examen niet haalt, loopt benadeelde één jaar studievertraging op. Volgens de ‘Letselschade Richtlijn Studievertraging’ wordt een jaar studievertraging in het geval van de benadeelde partij gewaardeerd op € 17.625,00. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat niet op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld of en zo ja in welke mate het bewezen verklaarde feit studievertraging tot gevolg heeft of zal hebben. Het onderzoek naar de vaststelling dat het bewezen verklaarde feit studievertraging heeft opgeleverd of zal opleveren voor de benadeelde partij, brengt een onevenredige belasting van het strafgeding met zich. Gelet hierop zal de rechtbank de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit gedeelte van de vordering.

Immateriële schade

184. De benadeelde partij heeft een bedrag van € 17.500,00 aan immateriële schade gevorderd. De benadeelde partij heeft voornoemd bedrag onderverdeeld in schade die zij heeft geleden met betrekking het ten laste gelegde feit (€ 12.500,00) en wegens gederfd sportgenot c.q. een verstoorde sportontwikkeling (€ 5.000,00).

185. De rechtbank stelt voorop dat immateriële schade ziet op de individuele gevolgen van het bewezen verklaarde feit bij de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde feit. Het bestaan van geestelijk letsel bij de benadeelde partij is niet naar objectieve maatstaven vastgesteld. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij – mede gelet op de jonge leeftijd van de benadeelde – in dit concrete geval zo evident zijn, dat geestelijk letsel bij de benadeelde kan worden aangenomen (vgl. ECLI:NL:HR:2019:793 r.o. 2.4.5). De rechtbank stelt vast dat door het handelen van de verdachte bij de benadeelde partij sprake is van geestelijk letsel, dat voor vergoeding in aanmerking komt.

186. De rechtbank zal naar billijkheid een bedrag aan immateriële schade aan de benadeelde partij toewijzen en ziet geen aanleiding om de gevorderde immateriële schade te splitsen. De rechtbank is op grond van alle omstandigheden – en mede gelet op wat in soortgelijke zaken wordt toegekend – van oordeel dat een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade naar billijkheid toewijsbaar is. De rechtbank zal de benadeelde partij voor wat betreft het overige deel van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Kosten rechtsbijstand (€ 10.346,27)

187. Namens de benadeelde partij zijn kosten rechtsbijstand gevorderd voor de werkzaamheden die de raadsman van de benadeelde partij heeft verricht. De raadsman van de benadeelde partij heeft zijn verrichte werkzaamheden onderbouwd door middel van een urenspecificatie. Zoals hiervoor is overwogen, zal de rechtbank de kosten voor rechtsbijstand naar de werkelijk gemaakte kosten als proceskosten vergoeden en het gevorderde bedrag in zijn geheel toewijzen.

Conclusie ten aanzien van [slachtoffer 3]

188. De rechtbank zal gelet op het voorgaande de volgende bedragen toewijzen als vergoeding van de materiële schade, immateriële schade en proceskosten, gevorderd door [slachtoffer 3] .

Materiële schade: € 0,00

Immateriële schade: € 5.000,00

Totaal: € 5.000,00

Proceskosten: € 10.553,47

[slachtoffer 2]

Materiële schade

189. De benadeelde partij heeft als materiële schade een bedrag van € 5.000,00 gevorderd voor toekomstige kosten, bestaande uit medische kosten en reiskosten voor het geval hoger beroep wordt ingesteld. De benadeelde partij heeft het gevorderde bedrag zekerheidshalve opgenomen, omdat zij haar vordering op grond van artikel 421 Sv in hoger beroep niet kan vermeerderen. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat het gevorderde bedrag dient te worden afgewezen, aangezien deze kosten redelijkerwijs nog niet gemaakt zijn en ook nog niet duidelijk is of deze kosten gemaakt zullen worden.

Immateriële schade

190. De benadeelde partij heeft een bedrag van € 25.000,00 aan immateriële schade gevorderd. De benadeelde partij heeft voornoemd bedrag onderverdeeld in schade die zij heeft geleden met betrekking het ten laste gelegde feit (€ 20.000,00) en wegens gederfd sportgenot c.q. een verstoorde sportontwikkeling (€ 5.000,00).

191. De rechtbank stelt voorop dat de immateriële schade ziet op de individuele gevolgen van het bewezen verklaarde feit bij de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het onder 4 bewezen verklaarde feit. Het bestaan van geestelijk letsel bij de benadeelde partij is niet naar objectieve maatstaven vastgesteld. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij – mede gelet op de ernst, duur en intensiteit van de inbreuk op haar lichamelijke integriteit – in dit concrete geval zo evident zijn, dat geestelijk letsel bij de benadeelde kan worden aangenomen (vgl. ECLI:NL:HR:2019:793 r.o. 2.4.5). De rechtbank stelt vast dat door het handelen van de verdachte bij de benadeelde partij sprake is van geestelijk letsel, dat voor vergoeding in aanmerking komt.

192. De rechtbank zal naar billijkheid een bedrag aan immateriële schade aan de benadeelde partij toewijzen en ziet geen aanleiding om de gevorderde immateriële schade te splitsen. De rechtbank is op grond van alle omstandigheden – en mede gelet op wat in soortgelijke zaken wordt toegekend – van oordeel dat een bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schade naar billijkheid toewijsbaar is. De rechtbank zal de benadeelde partij voor wat betreft het overige deel van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Kosten rechtsbijstand (€ 8.392,42)

193. Namens de benadeelde partij zijn kosten rechtsbijstand gevorderd voor de werkzaamheden die de raadsman van de benadeelde partij heeft verricht. De raadsman van de benadeelde partij heeft zijn verrichte werkzaamheden onderbouwd middels een urenspecificatie. Zoals hiervoor is overwogen, zal de rechtbank de kosten voor rechtsbijstand naar de werkelijk gemaakte kosten als proceskosten vergoeden en het gevorderde bedrag in zijn geheel toewijzen.

Materiële schade: € 0,00

Immateriële schade: € 10.000,00

Totaal: € 10.000,00

Proceskosten: € 8.392,42

[slachtoffer 4]

Materiële schade

194. De benadeelde partij heeft ten aanzien van de materiële schade een aantal schadeposten opgevoerd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het onder 5 bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal de verschillende posten hieronder bespreken.

Reiskosten eerste aanleg strafzaak (€ 469,15)

195. De benadeelde partij heeft reis- en parkeerkosten gevorderd die zij ten behoeve van de strafzaak heeft gemaakt. De benadeelde partij heeft deze kosten onder andere gemaakt voor het doen van aangifte, een gesprek met de politie en om aanwezig te zijn bij de inhoudelijke behandeling van de zaak mede voor het uitoefenen van haar spreekrecht. De verdediging heeft betoogd dat gevorderde reis- en parkeerkosten voor het bijwonen van de inhoudelijke behandeling van de zaak moeten worden afgewezen, omdat de benadeelde door middel van een gemachtigde heeft geprocedeerd. De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij zich weliswaar heeft laten bijstaan door een advocaat, maar desalniettemin noodzakelijke reis- en parkeerkosten heeft moeten maken voor het ter zitting uitoefenen van haar spreekrecht. De rechtbank acht het volledig gevorderde bedrag voor toewijzing vatbaar. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:2338) geldt dat reis- en parkeerkosten die ten behoeve van de strafzaak zijn gemaakt, worden aangemerkt als proceskosten en niet als materiële schade. De rechtbank zal het gevorderde bedrag dan ook toewijzen als proceskosten.

Reis- en parkeerkosten medisch (€ 249,98)

196. De benadeelde partij heeft reis- en parkeerkosten gemaakt voor bezoeken aan een psycholoog. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat voornoemde kosten zijn gemaakt in verband met de behandeling van de benadeelde partij. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat voor reis- en parkeerkosten waar geen bon van is overgelegd, een forfaitaire vergoeding op zijn plaats is. De rechtbank zal het gevorderde bedrag als materiële schade toewijzen.

Toekomstige reiskosten/medische kosten (€ 5.000,00)

197. De benadeelde partij heeft toekomstige reiskosten en medische kosten opgenomen voor het geval er hoger beroep wordt ingesteld, omdat de benadeelde partij op grond van artikel 421 Sv haar vordering in hoger beroep niet kan vermeerderen. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat het gevorderde bedrag dient te worden afgewezen, aangezien deze kosten redelijkerwijs nog niet gemaakt zijn en ook nog niet duidelijk is of deze kosten gemaakt zullen worden.

Medische kosten (€ 885,00)

198. De benadeelde partij heeft vergoeding gevorderd van zorgkosten die onder het eigen risico vielen.

199. De rechtbank stelt vast dat de zorgkosten zijn gemaakt voor de behandeling bij de psycholoog. Deze behandeling bestond onder andere uit EMDR-therapie voor de bij de benadeelde partij vastgestelde PTSS. De rechtbank gaat ervan uit dat de klachten in het kader van de PTSS en de daarvoor ondergane EMDR-therapie voornamelijk het gevolg zijn van het bewezen verklaarde feit. Derhalve is sprake van rechtstreekse schade. De rechtbank zal het gevorderde bedrag daarom toewijzen.

Gederfde inkomsten (€ 262,48)

200. De benadeelde partij heeft verlies aan arbeidsvermogen gevorderd. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor wat betreft de gederfde inkomsten, omdat deze gemotiveerd is betwist en de rechtbank deze post in dat licht onvoldoende onderbouwd acht.

Immateriële schade

201. De benadeelde partij heeft een bedrag van € 25.000,00 aan immateriële schade gevorderd. De benadeelde partij heeft voornoemd bedrag onderverdeeld in schade die zij heeft geleden met betrekking het ten laste gelegde feit (€ 20.000,00) en wegens gederfd sportgenot c.q. een verstoorde sportontwikkeling (€ 5.000,00).

202. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het onder 5 bewezen verklaarde feit. De rechtbank stelt voorop dat de immateriële schade ziet op de individuele gevolgen van het bewezen verklaarde feit bij de benadeelde partij. De benadeelde partij is meermalen verkracht door de verdachte. Als gevolg hiervan heeft zij zich tot een psycholoog gewend met psychische klachten, zoals herbelevingen, nachtmerries, vermijding, gevoelens van angst en boosheid, hyperarousal en relatieproblemen. Bij de benadeelde partij lijkt sprake van PTSS, aldus de behandelend psycholoog. De benadeelde heeft hiervoor EMDR-therapie gehad, hetgeen tot reductie van klachten heeft geleid. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij hiermee heeft aangetoond dat sprake is van ernstige psychische schade, welke voor vergoeding in aanmerking komt.

203. De rechtbank zal naar billijkheid een bedrag aan immateriële schade aan de benadeelde partij toewijzen en ziet geen aanleiding om de gevorderde immateriële schade te splitsen. De rechtbank is op grond van alle omstandigheden – en mede gelet op wat in soortgelijke zaken wordt toegekend – van oordeel dat een bedrag van € 7.500,00 aan immateriële schade naar billijkheid toewijsbaar is. De rechtbank zal de benadeelde partij voor wat betreft het overige deel van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Kosten rechtsbijstand (€ 8.971,41)

204. Namens de benadeelde partij zijn kosten rechtsbijstand gevorderd voor de werkzaamheden die de raadsman van de benadeelde partij heeft verricht. De raadsman van de benadeelde partij heeft zijn verrichte werkzaamheden onderbouwd door middel van een urenspecificatie. Zoals hiervoor is overwogen, zal de rechtbank de kosten voor rechtsbijstand naar de werkelijk gemaakte kosten als proceskosten vergoeden en het gevorderde bedrag in zijn geheel toewijzen.

Materiële schade: € 1.099,98

Immateriële schade: € 7.500,00

Totaal: € 8.599,98

Proceskosten: € 8.971,41

[slachtoffer 5]

205. De benadeelde partij heeft een vordering ingediend ter vergoeding van materiële en immateriële schade, alsmede ter vergoeding van proceskosten. Aangezien de rechtbank tot vrijspraak komt van het onder 7 ten laste gelegde feit, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Dit geldt ook ten aanzien van de proceskosten van de benadeelde partij.

Eindconclusie ten aanzien van alle vorderingen

206. De rechtbank zal gelet op al het voorgaande de volgende bedragen toewijzen als vergoeding van de materiële en immateriële schade.

- [slachtoffer 1] : € 6.252,90

- [slachtoffer 3] : € 5.000,00

- [slachtoffer 2] : € 10.000,00

- [slachtoffer 4] : € 8.599,98

207. Ten aanzien van al deze toegewezen bedragen geldt dat deze worden vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van indiening van de vordering tot schadevergoeding, te weten 10 februari 2020.

208. Voor wat betreft de gevorderde schade (materieel en immaterieel), waarin de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in dat deel van hun vorderingen, kunnen zij dit gedeelte van hun vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

209. Aangezien de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk worden toegewezen, zal de verdachte tevens worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden ten aanzien van [slachtoffer 1] op € 280,87, ten aanzien van [slachtoffer 3] op € 10.553,47, ten aanzien van [slachtoffer 2] op € 8.392,42, ten aanzien van [slachtoffer 4] op € 8.971,41. De verdachte wordt daarnaast veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregelen

210. Omdat vaststaat dat de verdachte tot de hiervoor genoemde toegewezen bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente, aansprakelijk is voor de schade die door de bewezen verklaarde strafbare feiten is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen deze bedragen aan de Staat te betalen ten behoeve van de desbetreffende slachtoffers.

211. De kosten voor rechtsbijstand zijn niet aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit zoals bedoeld in artikel 51f, eerste lid, Sv, maar als proceskosten zoals hiervoor bedoeld. Dit brengt mee dat de proceskosten ook niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit betekent dat het totale bedrag van de toegewezen vorderingen in het kader van oplegging van de schadevergoedingsmaatregel € 29.852,88 bedraagt. De rechtbank bepaalt de daaraan gekoppelde vervangende hechtenis in het kader van artikel 24c Sr op 184 dagen.

De in beslag genomen goederen

212. Omdat het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank gelasten dat de op de beslaglijst vermelde laptops, telefoons en gegevensdragers worden teruggegeven aan de verdachte.

Voorlopige hechtenis

213. Ten tijde van de pro forma zitting van 24 mei 2019 bevond de verdachte zich in voorlopige hechtenis krachtens een bevel gevangenhouding van 4 juli 2018 voor de duur van negentig dagen, welk bevel op iedere volgende pro forma zitting ingevolge de wet is verlengd voor een periode van maximaal drie maanden. Op de zitting van 24 mei 2019 is besloten dat de voorlopige hechtenis van de verdachte werd geschorst met ingang van 28 mei 2019 tot aan de einduitspraak in eerste aanleg.

214. Bij gelegenheid van de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting van 3, 4 en 5 maart 2020 heeft noch de officier van justitie noch de verdediging de rechtbank verzocht enige (nadere) beslissing omtrent de voorlopige hechtenis te nemen. De rechtbank vindt geen aanleiding om dat ambtshalve te doen. Dat betekent dat – zonder dat daar enige nadere beslissing voor nodig is – het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte herleeft op de dag van deze uitspraak.

De toepasselijke wetsartikelen

215. De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 28, 31, 36f, 55, 57, 242, 245, 248 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 6 en 7 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 137 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2:

ontucht plegen met een aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, begaan tegen een aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 4:

eendaadse samenloop van:

verkrachting, meermalen gepleegd

en

ontucht plegen met een aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 5:

verkrachting, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van ZES (6) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

- [slachtoffer 1] een bedrag van € 6.252,90;

- [slachtoffer 3] een bedrag van € 5.000,00;

- [slachtoffer 2] een bedrag van € 10.000,00;

- [slachtoffer 4] een bedrag van € 8.599,98;

telkens vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 februari 2020;

wijst de vorderingen van de benadeelde partijen af voor zover het eventuele toekomstige kosten betreft;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door deze benadeelde partijen gemaakt, ten aanzien van [slachtoffer 1] op € 280,87, ten aanzien van [slachtoffer 3] op

€ 10.553,47, ten aanzien van [slachtoffer 2] op € 8.392,42, ten aanzien van [slachtoffer 4] op € 8.971,41, en ten behoeve van de ten uitvoerlegging nog te maken kosten;

bepaalt dat deze benadeelde partijen voor het overige in hun vorderingen niet-ontvankelijk zijn en dat de benadeelde partijen de vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, telkens vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 februari 2020, van:

- € 6.252,90 ten behoeve van [slachtoffer 1] ;

- € 5.000,00 ten behoeve van [slachtoffer 3] ;

- € 10.000,00 ten behoeve van [slachtoffer 2] ;

- € 8.599,98 ten behoeve van [slachtoffer 4] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van de verschuldigde bedragen volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – telkens gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 184 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen door de verdachte aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de Staat de betalingsverplichtingen door de verdachte aan de benadeelde partijen doet vervallen;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 5] in de kosten door de verdachte ter verdediging van die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

de in beslag genomen goederen

gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen goederen zoals vermeld op de beslaglijst, te weten:

1. STK Computer Apple Macbook kl: zilver;

2. 1.00 STK Telefoontoestel Apple IPhone kl: zwart;

3. 1.00 STK Telefoontoestel Apple IPhone kl: wit;

4. 1.00 STK Computer Apple Macbook kl: wit;

5. 1.00 STK Harddisk Freecom.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.W. du Pon, voorzitter,

mr. V.J. de Haan, rechter,

mr. D.C. Laagland, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.C. Siebrand, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 maart 2020.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

1. primair

[Incident 1.1]

hij in of omstreeks de periode van 25 april 2017 tot en met 3 mei 2017 te Kinkinda, althans in Servië, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid een persoon, te weten de minderjarige pupil en aan zijn zorg/opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handeling(en), die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te weten:

- het duwen/brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] en/of

- het duwen/brengen van zijn, verdachtes penis in de vagina van die [slachtoffer 1] en bestaande die feitelijkheden daarin dat hij, verdachte

- ( onverhoeds) achter die [slachtoffer 1] is gaan staan en/of

- ( vervolgens) zijn hand in de onderbroek heeft gestopt en/of

- het lichaam heeft vastgepakt en/of

- het hoofd van die [slachtoffer 1] naar voren heeft geduwd en/of

- het bovenlichaam van die [slachtoffer 1] heeft gedraaid en/of

- de broek en/of onderbroek heeft uitgetrokken en/of

- die [slachtoffer 1] op het bed heeft gegooid en/of

- bovenop het lichaam van die [slachtoffer 1] is gaan liggen en/of

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 1] heeft geduwd en/of (daarbij) de keel van die [slachtoffer 1] heeft vastgehouden, terwijl hij verdachte hierbij misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke verhoudingen voortvloelend overwicht in verband met het grote leeftijdsverschil en/of het feit dat hij haar (waterpolo)trainer/leraar en/of (leer)coach was en waar die [slachtoffer 1] tegenop keek;

art 248 Wetboek van Strafrecht

art 242 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, indien het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden:

hij in of omstreeks de periode van 25 april2017 tot en met 3 mei 2017 te Kinkinda, althans in Servië, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige pupil en/ofaan zijn, verdachtes, zorg/opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2000, door

- zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] te duwen/brengen en/of

- zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 1] te duwen/brengen;

art 249 lid] Wetboek van Strafrecht

2.

hij meermalen, althans een maal, in of omstreeks de periode van 4 mei 2017 tot en met 17 juni 2018 te Leiden en/of Alphen aan den Rijn, althans in Nederland

ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige pupil en/of aan zijn, verdachtes, zorg/opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2000, door

- de [slachtoffer 1] te (tong)zoenen en/of

- het betasten van de vagina van die [slachtoffer 1] en/of

- de vagina van die [slachtoffer 1] te likken en/of

- zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) in de vagina en/of in de anus van die [slachtoffer 1] te duwen/brengen en/of

- zijn verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 1] te duwen/brengen;

art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

[Incident 1.2]

hij meermalen, althans een maal, in of omstreeks de periode van 30 juli 2017 tot en met 29 september 2017 te Leiden, althans in Nederland, met zijn pupil en/of aan zijn, verdachtes, zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum] 2001, die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , te weten

- het (tong)zoenen van die [slachtoffer 3] en/of

- het betasten van en/of wrijven over de vagina van die [slachtoffer 3] en/of

- het zich laten aftrekken door die [slachtoffer 3] en/of

- het duwen/brengen van zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer 3] en/of

- het likken van de vagina van die [slachtoffer 3] ;

Art 248 Wetboek van Strafrecht

art 245 Wetboek van Strafrecht

4.

[Incident 1.3]

hij meermalen, althans een maal, in of omstreeks de periode van 1juni 2012 tot en met 30april2014 te Leiden en/of Alphen aan den Rijn, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handeling(en) die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die die [slachtoffer 2] , te weten:

- het (tong)zoenen van die [slachtoffer 2] en/of

- het betasten van de vagina/clitoris althans de schaamstreek en/of de borsten van die

[slachtoffer 2] en/of

- het likken van de vagina van die [slachtoffer 2] en/of

- het duwen/brengen van zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) in de anus en/of de

vagina van die [slachtoffer 2] ,

en bestaande die feitelijkheden daarin dat hij, verdachte

- veelvuldig (seksueel getinte) berichten en/of voorstellen (door middel van what’s app en/of snapchat (en/of een ander chatprogramma) heeft gestuurd en/of

- die [slachtoffer 2] heeft meegenomen naar zijn slaapkamer om tv te kijken en/of (daarbij) de borsten en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] onverhoeds heeft betast

- de onderbroek van die [slachtoffer 2] onverhoeds heeft uitgetrokken en/of

- de heupen, althans het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft vastgehouden (waardoor zij niet weg kon) en/of

- tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd dat er niets raars aan was en/of dat hij wel vaker seksueel contact had gehad met speelsters en/of

- voorbij is gegaan de verbale en/of fysieke uitingen van die [slachtoffer 2] dat zij het niet wilde en/of niet fijn vond en/of

- die [slachtoffer 2] in een ondergeschikte en/of afhankelijke positie heeft gebracht door te controleren met wie zij afsprak en te bepalen en/of beïnvloeden welke keuzes zij zou maken en/of door een woning voor haar en/of medespeelsters te regelen en/of daarvan een sleutel achter te houden en/of door ongevraagd bij haar thuis te komen en/of

- die [slachtoffer 2] onder druk heeft gezet door (onder meer) te zeggen dat als dit uit zou komen, zij nooit meer in het Nederlands team zou kunnen spelen en/of te zeggen dat niemand zou geloven dat het zijn initiatief was omdat hij hoog aangeschreven stond in die wereld, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, zulks terwijl hij, verdachte, hierbij misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht in verband met het grote leeftijdsverschil en/of het feit dat hij haar (waterpolo)trainer/leraar en/of (leer)coach was en waar die [slachtoffer 2] tegenop keek;

art 242 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij meermalen, althans een maal, in of omstreeks de periode van 1juni 2012 tot en met 5 februari 2014 te Leiden en/of Alphen aan den Rijn, althans in Nederland ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige pupil en/of aan zijn, verdachtes, zorg/opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 1996, door

- die [slachtoffer 2] te (tong)zoenen en/of

- het likken van de vagina van die [slachtoffer 2] en/of

- het betasten van de vagina/clitoris althans de schaamstreek en/of de borsten van die [slachtoffer 2] en/of

- zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) in de vagina en/of in de anus van die [slachtoffer 2] te duwen/brengen;

art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

[Incident 1.4]

hij meermalen, althans een maal, in of omstreeks de periode van 27 december 2014 tot 1 maart 2015 te Leiden en/of Alphen aan den Rijn en/of Eindhoven, althans in Nederland en/of in Athene, althans in Griekenland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die die [slachtoffer 4] , te weten:

- het likken van de vagina van die [slachtoffer 4] en/of

- het duwen/brengen van zijn penis en/of vinger(s) in de vagina en/of de anus van die [slachtoffer 4] , en bestaande die feitelijkheden daarin dat hij, verdachte

- veelvuldig (seksueel getinte) berichten en/of voorstellen (door middel van what’s app en/of snapchat (en/of een ander chatprogramma) heeft gestuurd en/of

- ( dwingend) per what’s app heeft gevraagd of zij naar zijn kamer wilde komen en/of

- onverhoeds en/of onverwachts in de woning van die [slachtoffer 4] is binnengekomen (via de schutting van de tuin) en/of

- die [slachtoffer 4] op het bed heeft geduwd, terwijl hij, verdachte, daar reeds naakt lag en/of

- de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer 4] heeft uitgetrokken en/of

- onverhoeds en/of dwingend en/of hardhandig zijn vinger en/of penis in de vagina en/of anus van die [slachtoffer 4] heeft geduwd en/of gehouden en/of (hiermee) voorbij is gegaan aan de verbale en/of fysieke uitingen van die [slachtoffer 4] dat zij het niet wilde en/of niet fijn vond, zulks terwijl hij verdachte hierbij misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht in verband met het grote leeftijdsverschil en/of het feit dat hij haar (waterpolo)trainer/leraar en/of (leer)coach was en waar die [slachtoffer 4] tegenop keek;

art 242 wetboek van Strafrecht

6.

[Incident 1 .5]

hij meermalen, althans een maal, in of omstreeks de periode van 1 mei 2016 tot en met 2 oktober 2016 te Leiden, althans in Nederland ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige pupil en/of aan zijn, verdachtes, zorg/opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 6] , geboren [geboortedatum] 1999, door

- die [slachtoffer 6] te (tong)zoenen en/of

- het betasten van de benen en/of billen en/of rug en/of de zij en/of het dijbeen en/of de schaamstreek, althans het lichaam van die [slachtoffer 6] en/of

- de hand van die [slachtoffer 6] op zijn, verdachtes, stijve penis te leggen;

art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht

7.

[Incident 1.6]

hij meermalen, althans een maal in of omstreeks de periode van 01 november 2014 tot 1 april 2015 te Leiden, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 5] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten

- het (tong)zoenen en/of

- het betasten van en/of knijpen in de (blote) borst(en) van die [slachtoffer 5]

en bestaande die feitelijkheden daarin dat hij, verdachte

- veelvuldig (seksueel getinte) berichten en/of voorstellen (door middel van what’s app en/of snapchat (en/of een ander chatprogramma) heeft verstuurd en/of

- heeft aangedrongen om (bij hem) in zijn bed te komen slapen en/of

- dicht tegen het lichaam van die [slachtoffer 5] aan is gaan liggen en/of

- met zijn hand, onder de kleding van die [slachtoffer 5] is gegaan en/of

- onverhoeds de borst(en) van die [slachtoffer 5] heeft betast en/of

- die [slachtoffer 5] onder druk heeft gezet, onder meer door het veelvuldig aangeven dat zij dankbaar moest zijn naar hem, verdachte, toe, (daarbij) misbruik makend van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht in verband met het grote leeftijdsverschil en/of het feit dat hij haar (waterpolo)trainer/leraar en/of (leer)coach was, en waar die [slachtoffer 5] tegenop keek;

art 246 Wetboek van Strafrecht.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018163300 met onderzoeksnaam Seattle, van de politie eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche, Team Zeden, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 tot en met 1626).

2 P. 1315 e.v.

3 https://nl.wikipedia.org/wiki/ZVL#Seizoen_2013/2014.

4 https://sleutelstad.nl/2016/02/10/nieuw-trainingscentrum-voor-waterpolotalenten/.

5 P. 1009.

6 P. 966.

7 P. 1470.

8 P. 1472.

9 P. 1370.

10 P. 32.

11 Op 21 juni 2018 (p. 38) en op 27 september 2018 (p. 152).

12 Op 9 juli 2019.

13 ECLI:NL:HR:2013:494.

14 P. 1612.

15 P. 259.

16 P. 622-640.

17 DVD, WhatsApp-gesprek [slachtoffer 3] - [verdachte] , p. 18-29.

18 DVD, WhatsApp-gesprek [slachtoffer 1] - [verdachte] , p. 417.

19 DVD, WhatsApp-gesprek [slachtoffer 1] - [verdachte] , p. 495.

20 P. 1444.

21 P. 708, d.d. 3 juli 2018.

22 P. 721 d.d. 9 juli 2018.

23 Op 8 juli 2019.

24 P. 1165 - 1167.

25 P. 781 – 786.

26 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 780 – 786.

27 P. 636.

28 P. 619.

29 P. 38 – 46.

30 P. 1612.

31 P. 101.

32 P. 106-116.

33 P. 404.

34 P. 38.

35 DVD, WhatsApp-gesprek [verdachte] [slachtoffer 3] , p. 18.

36 DVD, WhatsApp-gesprek [verdachte] - [slachtoffer 3] , p. 34.

37 DVD, WhatsApp-gesprek [verdachte] - [slachtoffer 3] , p. 41.

38 DVD, WhatsApp-gesprek [verdachte] - [slachtoffer 3] , p. 45.

39 DVD, WhatsApp-gesprek [verdachte] - [slachtoffer 3] , p. 72-73.

40 DVD, WhatsApp-gesprek [verdachte] - [slachtoffer 3] , p. 133-142.

41 DVD, WhatsApp-gesprek [verdachte] - [slachtoffer 3] , p. 144-147.

42 DVD, WhatsApp-gesprek [verdachte] - [slachtoffer 3] , p. 199-200.

43 P. 1461-1463.