Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2289

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-03-2020
Datum publicatie
16-03-2020
Zaaknummer
AWB 18/8456
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nareis, jongvolwassene. Einduitspraak na tussenuitspraak. Verweerder heeft onvoldoende onderzoek verricht en ten onrechte niet gehoord voor het nemen van het bestreden besluit. Daarom beroep gegrond. Na de tussenuitspraak is een aanvullend besluit genomen. Verweerder heeft, na aanvullend onderzoek en het horen, niet ten onrechte gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat de gezinsband met zijn ouders niet is verbroken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/8456

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. B.C. Pfeifle,

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: [naam gemachtigde] .

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van
[naam referente] (referente) tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan eiser in het kader van ‘gezinshereniging nareis asiel’ afgewezen.

Op 9 november 2018 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 26 februari 2018.

Bij besluit van 20 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en aan eiser een dwangsom toegekend van € 1.260,-.

Eiser heeft op 14 januari 2019 nadere gronden van beroep ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2019. Referente is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en haar echtgenoot (de vader van eiser). Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen. Tevens is verschenen [naam] , tolk.

De rechtbank heeft op 29 juli 2019 een tussenuitspraak gewezen.

Op 9 september 2019 heeft verweerder referente gehoord en op 14 oktober 2019 is eiser gehoord.

Op 2 november 2019 heeft verweerder een aanvullend besluit genomen.

Bij brief van 19 november 2019 heeft eiser gereageerd op het besluit van 2 november 2019.

De rechtbank heeft het onderzoek op 24 januari 2020 gesloten.

Overwegingen

Het beroep tegen het niet tijdig beslissen

1. Omdat verweerder na het beroep tegen het niet tijdig beslissen op 20 december 2019 alsnog een inhoudelijk beslissing op bezwaar heeft genomen, heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van het beroep voor zover dat zich richt tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift.

2. Gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar ook betrekking op het bestreden besluit. Daarom zal de rechtbank de (aanvullende) gronden van beroep verder behandelen en beoordelen.

Het beroep tegen de besluiten van 20 december 2018 en 2 november 2019

3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerders besluit van 20 december 2018 is genomen in strijd met de artikelen 3:2, 7:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank blijft daarbij en zal het beroep daarom gegrond verklaren en het besluit vernietigen.

4. Door referente en eiser alsnog te horen en een aanvullende motivering te geven heeft verweerder gebruik gemaakt van de in de tussenuitspraak geboden mogelijkheid om het gebrek in het besluit van 20 december 2018 te herstellen. Verweerder handhaaft de conclusie van dat besluit en heeft de weigering om een mvv af te geven in het aanvullende besluit van 2 november 2019 nader gemotiveerd.

5. Verweerder blijft in het aanvullend besluit van oordeel dat eiser niet heeft aangetoond, dan wel aannemelijk heeft gemaakt dat hij tot aan het vertrek van zijn ouders uit Libanon feitelijk tot het gezin behoorde. Uit de verklaringen van eiser en referente, het overgelegde huurcontract en de pagina’s uit eisers paspoort blijkt volgens verweerder niet dat er in oktober 2016 nog sprake was van een feitelijke gezinsband tussen eiser en referente.

6. In zijn brief van 19 november 2019 handhaaft eiser zijn standpunt.

In reactie op de tegenwerping van verweerder dat eiser heeft verklaard dat hij pas in 2016 naar Libanon is vertrokken, stelt eiser dat hij ook heeft verklaard dat hij ongeveer een maand later dan zijn ouders naar Libanon kwam en dat zijn ouders in 2013 naar Libanon zijn vertrokken. Een tolk in de Syrisch Arabische taal heeft verklaard dat 2013 en 2016 in het Arabisch erg op elkaar lijken en er daardoor snel verwarring kan ontstaan.

In reactie op het standpunt van verweerder dat er tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd over wie er allemaal in het appartement in Libanon hebben gewoond, stelt eiser dat zijn zus [naam zus eiser] Islamitisch was getrouwd en dat gezien moet worden als verloofd. In de culturele context moet het worden gezien als logeren bij haar familie omdat zij door haar verloving al tot de familie van haar man behoorde.

Verder stelt eiser dat niet hijzelf maar de zus van eiser zijn paspoort heeft geregeld toen eiser al in Libanon verbleef. Eiser heeft nadrukkelijk verklaard dat hij naar Libanon is gesmokkeld.

Relevant is verder het UNHCR document van 9 maart 2016 waaruit blijkt dat eiser op dat moment in Libanon verbleef. Dat verweerder stelt dat het onduidelijk is waarop de verklaring van de UNHCR is gebaseerd is onvoldoende om het document buiten beschouwing te laten. Verweerder had nader onderzoek moeten verrichten naar het UNHCR document en informatie moeten opvragen bij de UNHCR nu het om essentiële informatie gaat. Immers, als de UNHCR zou bevestigen dat eiser zich in ieder geval in maart 2016 in Libanon bevond, vervalt daarmee de conclusie van verweerder dat eiser niet voor 24 april 2016 in Libanon woonde.

7. De rechtbank oordeelt als volgt.

7.1.

In de kern gaat het in deze zaak om de vraag of eiser heeft aangetoond dat hij op het moment van binnenkomst van referente in Nederland feitelijk tot het gezin behoorde en dat die feitelijke gezinsband niet verbroken is geweest. Het voor deze beoordeling relevante toetsingskader is opgenomen in r.o. 2.1 tot en met 2.3 van de tussenuitspraak.

7.2.

De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat het aan eiser is om aan te tonen dat hij op het moment van binnenkomst van zijn ouders in oktober 2016 in Nederland feitelijk tot hun gezin behoorde. Anderzijds rust op verweerder de verplichting het besluit voldoende zorgvuldig voor te bereiden en voldoende te motiveren. Omdat de rechtbank in de tussenuitspraak oordeelde dat verweerder niet aan die verplichtingen had voldaan, heeft verweerder nader onderzoek verricht en een nadere motivering aan haar besluit ten grondslag gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich na het nadere onderzoek op het standpunt kunnen stellen dat eiser er niet in is geslaagd de niet onderbroken gezinsband aannemelijk te maken. Eiser is op 14 oktober 2019 door verweerder gehoord en heeft hierbij op drie verschillende momenten verklaard dat hij zijn ouders zes of zes en half jaar niet heeft gezien hetgeen niet strookt met zijn betoog dat het gezin na de dienstplicht van eiser en het deserteren uit het leger in 2013 in Libanon is herenigd. Dat de tolk tot drie maal toe eisers verklaring verkeerd heeft vertaald of eiser verkeerd heeft verstaan acht de rechtbank niet aannemelijk. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat er geen reden is om aan te nemen dat referente en eiser tegenstrijdig hebben verklaard over wie er in Libanon hebben samengewoond, maar dit doet aan het voorgaande niet af. Bovendien heeft verweerder niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat eiser heeft verklaard dat zijn zus voor hem een paspoort heeft geregeld om naar Libanon te kunnen gaan en dat het eerste paspoort geldig was van 24 april 2016 tot 23 april 2018. Dit is moeilijk te rijmen met eisers stelling dat hij sinds 2013 met zijn ouders in Libanon woonde en illegaal naar Libanon is gereisd. Verweerder heeft de kopieën van de visapagina’s uit het eerste paspoort opgevraagd. Die pagina’s hadden meer opheldering kunnen geven maar eiser heeft alleen de pagina’s met persoonsgegevens en de geldigheidsduur overgelegd. Eiser heeft dus niet aangetoond voor oktober 2016 naar Libanon te zijn gereisd en daar bij zijn ouders te hebben gewoond.

Verweerder heeft verder niet ten onrechte gesteld dat aan het UNHCR document geen bijzondere betekenis toekomt omdat onduidelijk is waarop het UNHCR document, waarin staat dat eiser op 9 maart 2016 in Libanon verblijft, is gebaseerd. Gelet op het voorgaande kan dan ook niet zonder meer van de juistheid van de inhoud van het UNHCR document worden uitgegaan. Bovendien is dan nog altijd niet aangetoond waar eiser tussen 2013 en 2016 verbleef en of hij in die periode deel uitmaakte van het gezin danwel in het leger of elders verbleef. De conclusie is dan ook dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij voor het vertrek van zijn ouders naar Nederland in oktober 2016 bij hen woonde en feitelijk deel uitmaakte van het gezin.

8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder na de tussenuitspraak op voldoende zorgvuldige en gemotiveerde wijze heeft vastgesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat de gezinsband tussen hem en referente niet verbroken is (geweest). De rechtbank zal daarom bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. De weigering van verweerder om de gevraagde mvv te verlenen blijft dus in stand.

9. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 170,- aan hem te vergoeden.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de kosten die eiser heeft gemaakt voor de behandeling van zijn beroep. . Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) stelt de rechtbank deze kosten vast op € 1.050,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 9 mei 2019, met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1). Omdat verweerder na de tussenuitspraak een rechtmatig aanvullend besluit heeft genomen, komen de daarna verrichte proceshandelingen bij een redelijke toepassing van het Bpb naar het oordeel van de rechtbank niet voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar,

niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 170,00,- aan hem vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.L.F. de Leeuw, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 9 maart 2020.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.