Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2228

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-03-2020
Datum publicatie
03-04-2020
Zaaknummer
NL20.3418
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dublin, Italië, Circular Letters, tijdelijke opschorting overdrachten, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.3418

V-nummer: [nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. van Duren).

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.3419, plaatsgevonden op 27 februari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Idemudia. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting aangehouden en eiser de gelegenheid geboden om schriftelijk te reageren op de door verweerder ter zitting overgelegde Circular Letters van de Italiaanse autoriteiten van 24 en 25 februari 2020. Eiser heeft op 28 februari 2020 gereageerd. Partijen hebben ingestemd met het achterwege laten van een nadere mondelinge behandeling. Het onderzoek is hierna gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is van gestelde Nigeriaanse nationaliteit. Hij stelt te zijn geboren op [geboortedatum] . Hij heeft op 21 september 2019 in Nederland een asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat Italië verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. Uit Eurodac-gegevens blijkt dat eiser eerder op 16 april 2015 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Italië. Verweerder heeft vervolgens op 21 oktober 2019 bij de Italiaanse autoriteiten een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië sinds 5 november 2019 vast is komen te staan.

3. Eiser verzet zich tegen overdracht aan Italië. Hij betoogt dat ten opzichte van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser beroept zich in dat verband op het rapport "Reception conditions in Italy: Updated report on the situatie of asylum seekers and beneficiaries of protection, in particular Dublin returnees, in Italy" van de Schweizerische Flüchtlingshilfe (SFH, ook genoemd: SRC) van januari 2020. Uit dit rapport (p. 27 en 28) volgt dat eiser na terugkeer feitelijk geen toegang tot de asielprocedure zal krijgen. Hij zal na aankomst direct in een uitzetcentrum worden geplaatst zonder de mogelijkheid een (herhaalde) asielaanvraag in te dienen. Eiser voert verder aan dat zijn opvang in Italië reeds was beëindigd, zodat hij bij terugkeer niet op opvang hoeft te rekenen en hem een leven op straat rest. Indien wel opvang wordt geboden dan zal dit in een zogenaamde CAS-locatie plaatsvinden (p. 44). De situatie in deze centra is slecht en is de afgelopen jaren alleen maar verslechterd. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij na overdracht aan Italië niet heeft te vrezen voor een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest1 of artikel 3 van het EVRM2.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Niet in geschil is dat Italië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser, omdat eiser op 16 april 2015 een verzoek om internationale bescherming in Italië heeft ingediend. Nederland heeft dan ook bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd. Op grond van artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening3 staat dit gelijk met het aanvaarden van het terugnameverzoek. Dit is de juridische grondslag om aan te nemen dat Italië zich tegenover eiser zal houden aan zijn internationale verplichtingen.

5. De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt geldt dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit mag gaan dat Italië zijn internationale verplichtingen nakomt. Bij uitspraak van 19 december 20184 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat, hoewel de algemene situatie en leefomstandigheden van asielzoekers in Italië bepaalde tekortkomingen kennen, verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het Salvini-decreet heeft niet tot gevolg dat Dublinclaimanten geen opvang meer krijgen. Ook in recentere uitspraken5 heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat Italië zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Zie hiervoor ook de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 20206.

6. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Italië sprake is van zodanig ernstige aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, dat asielzoekers, waaronder mede begrepen Dublinclaimanten, een risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest dan wel artikel 3 van het EVRM. Het door eiser overgelegde rapport van de SFH van 20 januari 2020 schetst geen wezenlijk ander beeld van de situatie van Dublinclaimanten dan het beeld dat in de eerdere rapporten van deze organisatie over deze situatie is gegeven. Die eerdere rapporten zijn betrokken bij de jurisprudentie van de Afdeling en gaven geen aanleiding om ernstige structurele tekortkomingen in de opvang en de asielprocedure in Italië aan te nemen.

7. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat uit het persoonlijk relaas van eiser ook niet kan worden afgeleid dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Uit het relaas van eiser blijkt dat hij asiel heeft kunnen vragen in Italië. Ook heeft eiser verklaard dat hij opvang heeft genoten totdat het hoger beroep in zijn zaak was afgewezen. Verweerder heeft zich verder op het standpunt mogen stellen dat eiser zich bij voorkomende problemen dient te wenden tot de (hogere) Italiaanse autoriteiten. Niet is gebleken dat de Italiaanse autoriteiten eiser niet willen of kunnen helpen, dan wel dat klagen bij de (hogere) autoriteiten bij voorbaat zinloos is.

8. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet is aan te merken als een bijzonder kwetsbare asielzoeker, als bedoeld in het Tarakhel-arrest7. Niet gebleken is dat hij bijzondere opvangbehoeften heeft waarvoor aanvullende (opvang)garanties zouden moeten worden verkregen bij de Italiaanse overheid.

9. Ten slotte heeft verweerder ambtshalve ter zitting twee Circular Letters van de Italiaanse autoriteiten van 24 en 25 februari 2020 overgelegd, waarin wordt vermeld dat vanwege de gezondheidssituatie (Corona) in Italië alle Dublinoverdrachten van en naar Italië tijdelijk worden opgeschort. Verweerder heeft daarbij het standpunt ingenomen dat deze maatregel van de Italiaanse autoriteiten slechts tijdelijk is en bedoeld om de autoriteiten in de gelegenheid te stellen om in verband met de gezondheidssituatie in het land noodzakelijke maatregelen te treffen. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de opschorting van overdracht de vraag of Italië terecht verantwoordelijk is gehouden voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser niet raakt en het overdrachtsbesluit dat ter toetsing voorligt rechtmatig is.

10. Eiser heeft in reactie hierop gesteld dat dit weldegelijk de verantwoordelijkheid van Italië aantast, omdat het bestreden besluit onder meer een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 26 van de Dublinverordening behelst. Nu vaststaat dat voorlopig geen overdachten kunnen plaatsvinden naar Italië, kan het overdrachtsbesluit niet in stand kan blijven en kan ook het daarmee samenhangende besluit om het verzoek om internationale bescherming niet te behandelen niet in stand blijven.

11. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de tijdelijke opschorting van de Dublinoverdachten naar Italië de verantwoordelijkheid van Italië voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser niet wegneemt en dat het overdrachtsbesluit rechtmatig is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de termijn voor overdracht, genoemd in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening, nog lang niet is verstreken8.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie

2 Het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

3 Verordening nr. (EU) 604/2013.

4 ECLI:NL:RVS:2018:4131

5 onder meer op 22 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2845

6 ECLI:NL:RVS:2020:223

7 Het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014 (ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712).

8 Deze termijn is zes maanden, te rekenen vanaf de (fictieve) aanvaarding van het terugnameverzoek, in het geval van eiser vanaf 5 november 2019.