Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2220

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
13-03-2020
Zaaknummer
NL20.3270
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asielaanvraag afgewezen omdat India een veilig land van herkomst is. Niet is gebleken dat de Indiase politie of autoriteiten hem niet willen helpen tegen zijn problemen. De aanwezigheid van corruptie is onvoldoende. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.3270


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. N. Brands),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).


Procesverloop
Bij besluit van 4 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.3271, plaatsgevonden op 20 februari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.P. Shanthan. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Indiase nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1983. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij problemen ervaart wegens een lening die hij heeft verstrekt aan een politicus om aanbestedingen te verkrijgen. Vanaf het moment dat eiser aan de politicus vroeg om te worden terugbetaald is hij door handlangers van de politicus mishandeld en bedreigd.

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- identiteit, nationaliteit en herkomst; en

- problemen vanwege het verstrekken van een lening.

3. Verweerder heeft beide relevante elementen geloofwaardig geacht. Verweerder heeft vervolgens geconcludeerd dat India een veilig land van herkomst is en dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond.

4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert aan dat de brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 31 januari 2020 onderbouwt dat corruptie veelvoudig voorkomt in India. Corruptie komt voor in alle lagen van de overheid, ondermijnt de rechtsstaat en als gevolg hiervan worden ambtenaren niet vervolgd. Nu de problemen van eiser te maken hebben met een politicus die tevens ambtenaar is, volgt uit de brief dat India in zijn persoonlijke geval geen veilig land van herkomst is.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

De rechtbank stelt vast dat India is aangewezen als veilig land van herkomst. Verweerder heeft verwezen naar zijn brief van 9 februari 2016 – waarin India wordt aangemerkt als veilig land van herkomst – en gemotiveerd dat er in India wet- en regelgeving is die vervolging en behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM verbiedt, dat die wet- en regelgeving in de praktijk wordt toegepast en dat daadwerkelijk een systeem van rechtsmiddelen beschikbaar is dat bescherming biedt tegen eventuele vervolging of onmenselijke behandeling. Verweerder heeft daarbij onder meer betrokken dat de wet voorziet in onafhankelijke rechtspraak, maar dat corruptie wijdverspreid is en het systeem overbelast. Voorts verwijst de rechtbank in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:641), waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat verweerder zorgvuldig heeft onderzocht en deugdelijk heeft gemotiveerd dat India een veilig land van herkomst is. Daarbij heeft de Afdeling onder meer overwogen dat uit de motivering van verweerder blijkt dat er onvolkomenheden zijn in het systeem van rechtsbescherming, maar dat uit de informatiebronnen niet kan worden afgeleid dat de op dat moment geboden bescherming zodanig gebrekkig is dat de bestaande rechtsmiddelen in de regel niet daadwerkelijk beschikbaar zijn.

Eiser heeft de aanmerking van India als veilig land van herkomst niet bestreden. Er bestaat derhalve een algemeen rechtsvermoeden dat vreemdelingen uit India geen internationale bescherming nodig hebben. Het ligt op de weg van de vreemdeling om aannemelijk te maken dat India in zijn specifieke situatie toch niet veilig is.

5.2

In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat India ten aanzien van hem zijn verdragsverplichtingen niet nakomt en dat er voor eiser de mogelijkheid bestaat om tegen zijn problemen de bescherming van de autoriteiten in te roepen.

5.3

De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat eiser zich ten aanzien van zijn geloofwaardig bevonden problemen niet heeft gewend tot de Indiase autoriteiten, afgezien van hetgeen onder 5.5 is overwogen. De vraag die dient te worden beantwoord is, of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege corruptie en overbelasting van de politie geen bescherming kan krijgen en het op voorhand vaststaat dat om bescherming vragen zinloos is.

5.4

De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er voor hem geen mogelijkheid bestaat om tegen zijn problemen de bescherming van de Indiase (hogere) autoriteiten in te roepen. Uit de brief van Vluchtelingenwerk Nederland blijkt dat corruptie voorkomt in alle geledingen van de overheid en vaak onbestraft blijft. Eiser heeft terecht opgemerkt dat zijn geloofwaardig geachte asielrelaas past binnen de algemene en openbaar toegankelijke informatie over India. Hoewel eisers problemen voortkomen uit omkoping van een politicus in het kader van verkrijging van aanbestedingen, is de rechtbank van oordeel dat uit de door eiser overgelegde informatie niet blijkt dat hij geen bescherming kan krijgen tegen mensenrechtenschendingen of vervolging zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Voorts overweegt de rechtbank dat uit de brief van Vluchtelingenwerk Nederland en de daarin genoemde openbare bronnen niet blijkt van een zodanige verslechtering van de situatie in India ten opzichte van de situatie ten tijde van de beoordeling door de Afdeling (zie onder 5.1) dat verweerder India niet langer als veilig land van herkomst zou mogen aanmerken.

5.5

Voorts heeft eiser beklag gedaan bij de politie omtrent de vijf personen die voor zijn bedrijf zaten te roken en te drinken waarna de politie de verstoorders heeft meegenomen. Hieruit blijkt dat eiser is geholpen door de politie. In de omstandigheid dat de verstoorders binnen korte tijd weer zijn vrijgelaten, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat om bescherming vragen zinloos is. Verweerder heeft voorts terecht opgemerkt dat de stelling van eiser dat de betreffende politicus ervoor heeft gezorgd dat de ordeverstoorders snel zijn vrijgelaten, een aanname van eiser is die niet is onderbouwd.

5.6

Gelet op het voorgaande heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat op voorhand vaststaat dat hij geen bescherming kan krijgen tegen mensenrechtenschendingen. Verweerder mag eiser dan ook tegenwerpen dat hij geen bescherming heeft gevraagd bij de Indiase (hogere) autoriteiten vanwege zijn problemen met de politicus, bijvoorbeeld door aangifte te doen. Verweerder heeft op goede gronden en voldoende gemotiveerd geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat aanleiding bestaat om aan te nemen dat India ten aanzien van hem zijn verdragsverplichtingen niet nakomt en in zijn individuele geval niet als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt.

Conclusie

6. Eiser komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. G.A. Verhoeven, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.