Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2216

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-02-2020
Datum publicatie
19-03-2020
Zaaknummer
AWB 19/8009
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nareis, zorgvuldigheid hoorzitting, motiveringsgebrek jongvolwassenenbeleid, beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 19/8009

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

gemachtigde: mr. R. Deniz,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 3 oktober 2019 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 17 januari 2020, tezamen met de behandeling van de zaken AWB 19/8007 en AWB 19/8008. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens was aanwezig [naam 2] (referente).

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Syrische nationaliteit. De moeder van eiser (referente) heeft op 26 september 2017 een verblijfsvergunning asiel gekregen. Op 13 maart 2018 heeft referente namens eiser een aanvraag ingediend om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis.1 Bij besluit van 30 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt.

2. Op 25 maart 2019 heeft verweerder referente gehoord. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar vervolgens ongegrond verklaard. Ten tijde van de aanvraag was eiser 28 jaar oud, zodat hij niet onder het zogenaamde jongvolwassenenbeleid valt. Dat betekent, gelet op paragraaf C2/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), dat er sprake moet zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referente. Volgens verweerder is daarvan geen sprake. Tijdens de hoorzitting heeft referente verklaard dat eiser niet financieel afhankelijk is van haar. Tevens heeft eiser referente niet nodig voor de dagelijkse zorg. Hij heeft een onderkomen, voedsel, kleding en is in goede gezondheid. Tot slot is er geen andere vorm van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid gebleken. Daarnaast heeft verweerder er nog op gewezen dat een geldige, door eiser ondertekende, antecedentenverklaring ontbreekt.

3. In beroep heeft eiser allereerst aangevoerd dat de hoorzitting met referente erg slordig is verlopen. De gemachtigde van eiser heeft daarover ook een klacht ingediend. Referente was niet in staat om duidelijk antwoord te geven op de gestelde vragen en daar werd onvoldoende rekening mee gehouden. De inhoud van het rapport van de hoorzitting wordt daarom ten onrechte tegen eiser gebruikt. Verder heeft verweerder ten onrechte niet nader gemotiveerd waarom eiser niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 18 september 2019.2 Verder stelt eiser, onder verwijzing naar jurisprudentie van het EHRM3, dat het nog maar de vraag is of een leeftijdsgrens van 25 jaar redelijk te noemen is.
De rechtbank oordeelt als volgt.

4. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiser bij brief van 26 maart 2019 haar ongenoegen heeft geuit over het verloop van de hoorzitting. In het dossier bevindt zich verder een telefoonnotitie van 8 april 2019, waaruit blijkt dat verweerder met de gemachtigde heeft gesproken over het verloop van de hoorzitting. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat alle partijen hebben aangegeven dat de zitting niet helemaal naar wens is verlopen, omdat het lastig bleek structuur aan te brengen. De gemachtigde heeft daar zelf ook niet aan bijgedragen, aldus verweerder. Dit zal worden meegenomen in de interne evaluatie. Blijkens de telefoonnotitie was de gemachtigde na afloop van het gesprek tevreden over de afhandeling van haar klacht.

5. De rechtbank stelt verder vast dat uit het rapport van de hoorzitting inderdaad blijkt dat referente regelmatig moeite had om de vragen goed te begrijpen en te beantwoorden. De rechtbank stelt echter ook vast dat hier voldoende rekening mee is gehouden en dat de gemachtigde tijdens de hoorzitting ook voldoende gelegenheid heeft gehad om een en ander aan te vullen waar nodig. Verweerder heeft de verklaringen van referente, zoals weergegeven in het rapport van de hoorzitting, daarom bij de besluitvorming mogen betrekken. De beroepsgrond faalt.

6. Uit het nareisbeleid van verweerder, neergelegd in paragraaf C2/4.1 van de Vc volgt dat verweerder een verblijfsvergunning asiel verleent op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) als de kinderen, ouders, echtgeno(o)t(e) of partner feitelijk behoren tot het gezin van de referent. De referent in Nederland moet aantonen dat zijn kinderen, ouders, echtgeno(o)t(e) of partner op het moment van binnenkomst van de referent in Nederland feitelijk tot zijn gezin behoren en dat die feitelijke gezinsband niet verbroken is. Voor het aannemen van gezinsleven tussen ouder(s) en meerderjarige kinderen moet er sprake zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (more than normal emotional ties) tussen het meerderjarige kind en diens ouder(s). In het geval dat het meerderjarige kind jongvolwassen is, neemt verweerder gezinsleven aan zonder dat sprake moet zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.

7. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een jongvolwassene, wordt aansluiting gezocht bij het beleid als beschreven in paragraaf B7/3.8.1 van de Vc. Daaruit blijkt dat verweerder gezinsleven aanneemt tussen ouders en een meerderjarig kind dat jongvolwassen is, met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleeft, niet in zijn eigen onderhoud voorziet en geen zelfstandig gezin heeft gevormd door het aangaan van een huwelijk of relatie. Uit de toelichting4 bij dit beleid blijkt dat verweerder jongvolwassenheid in bedoelde zin aanneemt bij kinderen in de leeftijd van 18 tot ongeveer 25 jaar. Verweerder stelt aan de hand van een individuele beoordeling vast of de jongvolwassene altijd heeft behoord en nog steeds behoort tot het gezin van de ouders.

8. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft zich in de door verweerder in het verweerschrift genoemde uitspraak5 als volgt hierover uitgelaten: “(..) hoewel (..) uit de jurisprudentie van het EHRM geen maximumleeftijd volgt tot wanneer een meerderjarige vreemdeling moet worden aangemerkt als jongvolwassen, is de door de staatssecretaris gehanteerde leeftijdsgrens van ongeveer 25 jaar oud - gelet op deze jurisprudentie - niet onredelijk.”

9. Verweerder heeft in het verweerschrift verder opgemerkt dat hoe ouder het meerderjarige kind is, hoe eerder aangenomen kan worden dat het kind in staat is om op eigen benen te staan. Hierbij kan overigens niet worden uitgesloten dat de omstandigheden van het individuele geval nopen tot een ander oordeel. Van dergelijke omstandigheden is in het geval van eiser echter niet gebleken, aldus verweerder. Dat hij op eigen benen kan staan volgt uit de verklaringen zoals die zijn meegewogen in het bestreden besluit. Eiser is niet financieel van referente afhankelijk en heeft haar niet nodig voor de dagelijkse zorg. In de bij de aanvraag ingeleverde vragenlijst heeft referente ook ingevuld dat eiser weleens geld verdiende.

10. De rechtbank stelt voorop dat eiser om nareis heeft verzocht. Dat betekent dat het peilmoment de datum is waarop referente Nederland is ingereisd. Uit het dossier blijkt dat dit in mei 2017 was. Eiser was toen 27 jaar oud. Verweerder heeft dus in het bestreden besluit de verkeerde leeftijd als uitgangspunt genomen (28 jaar). Verweerder heeft in het bestreden besluit voorts ten onrechte overwogen dat referente heeft verklaard dat eiser niet financieel afhankelijk van haar is. Uit het rapport van de hoorzitting met referente (p. 7) blijkt dat referente heeft verklaard dat eiser financieel van haar afhankelijk is. Haar echtgenoot (niet de vader van de kinderen), die ook in Libanon verblijft, geeft de kinderen op haar verzoek geld. Dit heeft zij ook aangegeven in de vragenlijst die bij de aanvraag is ingediend. Zij heeft daarbij weliswaar opgemerkt dat eiser af en toe wat geld kon verdienen in Libanon, maar tijdens de hoorzitting heeft zij uitgelegd dat dit niet meer behelst dan dat eiser (en zijn broertje) ongeveer één keer in de maand een klusje kunnen doen waarvoor ze dan ongeveer 20 euro krijgen. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet worden gezegd dat eiser in zijn eigen onderhoud voorziet. Verder is niet in geschil dat eiser geen zelfstandig gezin heeft gevormd door het aangaan van een huwelijk of relatie.

10. Begin 2012 zijn eiser en zijn broertje en zusje, na de echtscheiding van hun ouders, tegen hun zin door hun vader meegenomen naar Hama. Zij hebben toen langere tijd geen contact met hun moeder kunnen hebben. Uiteindelijk hebben ze kunnen vluchten en zijn ze in Libanon herenigd met hun moeder. In het bestreden besluit heeft verweerder, anders dan in het primaire besluit, erkend dat dit niet aan eisers mag worden tegengeworpen en dat de gezinsband dus niet als verbroken kan worden beschouwd. Om die reden heeft verweerder aanleiding gezien om zowel referente als de broer en zus van eiser uit te nodigen voor interviews. Niet valt in te zien waarom eiser niet is uitgenodigd voor een interview, nu hij in dezelfde omstandigheden verkeert als de andere kinderen. Het enkele feit dat eiser een paar jaar ouder is dan zijn broer en zus, is onvoldoende om te concluderen dat hij niet meer als jongvolwassene tot het gezin van zijn moeder behoort. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich niet zonder nadere motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat eiser – ondanks dat hij ouder is dan 25 jaar – toch moet worden aangemerkt als jongvolwassene die nog tot het gezin van zijn moeder behoort.

10. Dat eiser geen geldige antecedentenverklaring heeft overgelegd, is op zichzelf onvoldoende om de aanvraag te kunnen afwijzen. De rechtbank verwijst hierbij naar haar uitspraak van vandaag in de zaak van de broer van eiser, zaaknummer AWB 19/8007.

10. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Tevens dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 1.050,- (duizendvijftig euro) te betalen aan eiser;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- (honderdvierenzeventig euro) aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2020.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Referente heeft ook namens haar andere zoon en haar dochter mvv-aanvragen ingediend, zie daarvoor de uitspraken van de rechtbank van vandaag in de zaken met nummers AWB 19/8007 en AWB 19/8008.

2 ECLI:NL:RBMNE:2019:4619, niet gepubliceerd.

3 Europees Hof voor de Rechten van de Mens, het arrest Maslov tegen Oostenrijk van 23 juni 2008, no. 1638/03 en het arrest Boujlifa tegen Frankrijk van 21 oktober 1997, 122/1996/741/940.

4 WBV 2016/11, Stcrt. 2016, nr. 46741.

5 Uitspraak van 16 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3761.