Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2138

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-02-2020
Datum publicatie
08-05-2020
Zaaknummer
SGR 18/6692
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2021:2818, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Heffing BPM voor de registratie van een BMW X5. Het bezwaarschrift, met datum 7 februari 2018, is door verweerder op 23 februari 2018 per post ontvangen. Ter zitting heeft gemachtigde verklaard dat hij het bezwaarschrift op 7 februari 2018 om 09:32 uur ook nog heeft gefaxt naar rechtbank Gelderland. Tevens heeft gemachtigde ter zitting verklaard bewust voor die handelwijze te hebben gekozen omdat volgens hem verweerder stelselmatig ontkent zijn stukken te hebben ontvangen. De rechtbank gaat hieraan voorbij omdat eiseres haar ter zitting ingenomen stelling niet met enig begin van bewijs heeft onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat de doorzendplicht van artikel 6:15 van de Awb niet is bedoeld voor een situatie als onderhavige waarbij bewust en stelselmatig stukken aan een niet bevoegde instantie worden gestuurd. Het risico dat onjuist geadresseerde stukken niet worden doorgezonden, komt dan voor eiseres. Verweerder had het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. Nu dit niet is gebeurd, is het beroep gegrond verklaard. In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder tevens beslist op een bezwaar van eiseres met betrekking tot een andere auto. Anders dan eiseres betoogt, heeft de onderhavige procedure slechts betrekking op de auto (BMW X5) omdat eiseres in haar bezwaar- en beroepschrift specifiek verwijst naar de auto, zowel qua omschrijving van de auto als de vermelding van de VIN. Vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 08-05-2020
V-N Vandaag 2020/1247
FutD 2020-1530
NTFR 2020/1915
NLF 2020/1151 met annotatie van
NLF 2020/1151 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 18/6692

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

27 februari 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: [A] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 27 september 2018 op het bezwaar van eiseres tegen de voldoening op aangifte van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2020. Namens eiseres is gemachtigde verschenen, bijgestaan door [B] en [C] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [D] en [E] .

Beslissing

De rechtbank verklaart:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze ziet op de BMW X5;

- verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade van € 500 vermeerderd met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.050 vermeerderd met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338 aan eiseres te vergoeden vermeerderd met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.

Overwegingen

1. Eiseres heeft aangifte Bpm gedaan voor de registratie van een BMW X5 (VIN eindigend op [VIN-nummer] ) (de auto). Op 10 januari 2018 heeft eiseres de volgens de aangifte verschuldigde Bpm van € 5.890 voldaan.

2. Het bezwaarschrift, met datum 7 februari 2018, is door verweerder op 23 februari 2018 per post ontvangen. Eiseres heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de poststempel van 23 februari 2018 op het bezwaarschrift foutief is omdat verweerder stelselmatig poststukken van eiseres pas twee weken na ontvangt afstempelt.

3. Ter zitting heeft gemachtigde verklaard - hertgeen door verweerder niet wordt bestreden - dat hij het bezwaarschrift op 7 februari 2018 om 09:32 uur ook nog heeft gefaxt naar rechtbank Gelderland. Tevens heeft gemachtigde ter zitting verklaard bewust voor die handelwijze te hebben gekozen omdat volgens hem verweerder stelselmatig ontkent zijn stukken te hebben ontvangen. Verweerder heeft gesteld het aan rechtbank Gelderland gestuurde bezwaarschrift niet te hebben ontvangen.

4. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder tevens beslist op een bezwaar van eiseres met betrekking tot een andere auto. Anders dan eiseres betoogt, heeft de onderhavige procedure slechts betrekking op de auto (BMW X5) omdat eiseres in haar bezwaar- en beroepschrift specifiek verwijst naar de auto, zowel qua omschrijving van de auto als de vermelding van de VIN.

5. De eerste vraag waar de rechtbank zich voor gesteld ziet is of het bezwaarschrift tijdig is ingediend en of verweerder het bezwaarschrift aldus terecht ontvankelijk heeft verklaard. Ter zitting is besproken een brief van 7 november 2018 van de president van rechtbank Gelderland gericht aan zowel verweerder als de gemachtigde, waarin hij aan de gemachtigde verzoekt de rechtbank Gelderland niet langer te gebruiken als postbus ten behoeve van stukken die zijn bestemd voor de Belastingdienst.

6. Op grond van artikel 6:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het tijdstip van indiening bij het onbevoegd orgaan bepalend voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. De rechtbank is van oordeel dat de doorzendplicht van artikel 6:15 van de Awb niet is bedoeld voor een situatie als onderhavige waarbij bewust en stelselmatig stukken aan een niet bevoegde instantie worden gestuurd. Het risico dat onjuist geadresseerde stukken niet worden doorgezonden, komt dan voor eiseres. De enkele, niet met stukken onderbouwde, stelling van eiseres dat het beleid is van verweerder om de ontvangst van stukken te ontkennen, is onvoldoende om de verklaring van verweerder, dat hij geen stukken heeft ontvangen van de rechtbank Gelderland in de onderhavige zaak, in twijfel te trekken.

7. Gemachtigde stelt het bezwaarschrift van 7 februari 2018 ook aan de Belastingdienst Utrecht te hebben gefaxt. Ter zitting is besproken dat verweerder bij brieven van 8 december 2016 en 15 februari 2017 aan de gemachtigde heeft medegedeeld dat hij zich voor al zijn zaken per post moet wenden tot één centraal aanspreekpunt en dat niet meer via fax of e-mail wordt gecommuniceerd. Voorts is vermeld dat niet langer de mogelijkheid van verzuimherstel wordt geboden. Gelet op vorenstaande kan een bezwaarschrift ingediend per fax op 7 februari 2018 bij de Belastingdienst Utrecht niet als een (tijdig) ingediend bezwaarschrift worden aangemerkt en behoefde verweerder aan eiser ook niet de gelegenheid te bieden op grond van artikel 6:6 van de Awb het verzuim te herstellen.

8. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is zes weken na de dag van de voldoening. Als een bezwaar te laat is ingediend moet verweerder dit niet-ontvankelijk verklaren. Dat is ingevolge artikel 6:11 van de Awb alleen anders als de termijnoverschrijding eiseres niet kan worden toegerekend. De rechtbank gaat voorbij aan de ter zitting ingenomen stelling van eiseres, genoemd onder 2, over de ontvangst van de zending per post omdat zij haar stelling niet met enig begin van bewijs heeft onderbouwd. Dit betekent dat verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Nu dit niet is gebeurd, is het beroep gegrond verklaard. De rechtbank heeft daarom de uitspraak op bezwaar vernietigd voor deze ziet op de auto en, doende wat verweerder had moeten doen, het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard.

9. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd, waarvan een half jaar aan de bezwaarfase dient te worden toegerekend. Het bezwaarschrift is op 23 februari 2018 door verweerder ontvangen en door de rechtbank is op 27 februari 2020 uitspraak gedaan, zodat de bezwaar- en beroepsfase afgerond twee jaar en een maand heeft geduurd. De rechtbank stelt vast dat de bezwaarfase afgerond zeven maanden heeft geduurd. Nu door verweerder geen verweer is gevoerd op het verzoek van eiseres, bepaalt de rechtbank de overschrijding van de redelijke termijn op afgerond een maand. Aan eiseres komt een schadevergoeding toe van € 500 (€ 500 per overschrijding van (een gedeelte van) een half jaar), volledig te vergoeden door verweerder.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1). Voor de bezwaarfase worden geen proceskosten toegekend nu het bezwaar niet-ontvankelijk is. Voor een integrale proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, rechter, in aanwezigheid van

mr. J. Roodhorst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.