Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2135

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-02-2020
Datum publicatie
11-03-2020
Zaaknummer
NL19.30868
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Soedan, opvolgende asielaanvraag, herkomst, contra-expertise, medische informatie, eerwraak, réfugié sur place, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.30868

V-nummer: [nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. M.M.J. van Zantvoort),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: J.J.F.M. van Raak).


Procesverloop
Bij besluit van 17 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.30869, plaatsgevonden op 16 januari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Mahassen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Soedanese nationaliteit te bezitten en te zijn geboren op [geboortedatum] .

Eiser heeft eerder op 22 juni 2015 een asielaanvraag ingediend, waaraan hij ten grondslag heeft gelegd dat hij afkomstig is uit Dilling in Zuid-Kordofan. Eiser behoort tot de Afrikaanse stam Ataghi en werd vanwege zijn stamafkomst gediscrimineerd. Er waren ook conflicten met andere stammen over grond. Verder is eiser in de periode februari 2010 tot en met augustus 2012 drie maal gearresteerd en gedetineerd, omdat hij weigerde de dienstplicht te vervullen, hij ervan verdacht werd tot de volksbeweging te behoren en vanwege het achterhouden van verblijfsgegevens van zijn familie.

2. Deze aanvraag is door verweerder bij besluit van 11 april 2016 afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw1.

Verweerder heeft gesteld dat het geloofwaardig wordt bevonden dat eiser de Soedanese nationaliteit bezit. Verweerder acht niet geloofwaardig dat eiser afkomstig is uit Dilling in Zuid-Kordofan en acht daarom eisers verklaringen over de problemen in Zuid-Kordofan niet geloofwaardig. Verweerder heeft deze conclusies gebaseerd op een rapport taalanalyse van 9 december 2015 van het TOELT2. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Bij uitspraak van 30 augustus 2016 (AWB 16/7501) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, en bepaald dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw, zoals dat luidde ten tijde van de asielaanvraag, en dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Het hiertegen door eiser ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van de Afdeling3 van 22 september 2016 kennelijk ongegrond verklaard (201606672/1/V1).

3. Op 10 mei 2019 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend.

Eiser heeft daaraan ten grondslag gelegd dat hij zijn herkomst uit Dilling in Zuid-Kordofan alsnog aannemelijk wil maken. Daartoe heeft hij de volgende documenten overgelegd:

- Brieven van drie Soedanese onderzoekers, met het doel aan te tonen dat er in Sudan geen duidelijk onderscheid gemaakt kan worden tussen Arabische en Afrikaanse stammen;

- Drie geschreven verklaringen, een verklaring van zijn middelbare school, een woonverklaring en een verklaring van modelschool Khalid Ibn El-Walid, waarmee hij wil aantonen dat hij zijn hele leven in Dilling heeft gewoond;

- Een contra-expertise van 6 maart 2019 van de Taalstudio, met het doel de uitkomst van de eerste taalanalyse van het TOELT van 9 december 2015 te weerleggen;

- Een medisch dossier, met het doel medisch steunbewijs van het relaas te leveren.

4. Ook heeft eiser tijdens het gehoor opvolgende aanvraag verklaard dat hij vreest voor eerwraak. Hij heeft in oktober/november 2010 seks gehad met een meisje dat zwanger is geraakt. Zij is door haar familie gedood. Eiser heeft onlangs telefonisch van een neef gehoord dat haar familie naar hem op zoek is .

5. Verder heeft eiser verklaard dat hij in Nederland politiek actief is. Hij kan niet terugkeren naar Soedan omdat hij in de negatieve belangstelling staat van de Soedanese autoriteiten vanwege zijn politieke activiteiten. Hij heeft deelgenomen aan demonstraties van het SDF4 en staat op foto’s van demonstraties die zijn verspreid via sociale media. Ook heeft eiser een brief van het SDF overgelegd waarin zijn deelname wordt bevestigd.

6. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw. Verweerder stelt dat de documenten die eiser heeft ingebracht om zijn herkomst uit Dilling in Zuid-Kordofan aannemelijk te maken, niet als nieuwe feiten en/of omstandigheden kunnen worden beschouwd. Gelet hierop blijft de eerdere conclusie over zijn herkomst gehandhaafd. Verder hecht verweerder geen geloof aan de gestelde eerwraak. Verweerder acht wel geloofwaardig dat eiser in Nederland heeft deelgenomen aan demonstraties van de SDF, maar stelt dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daarbij een prominente rol heeft gehad. Er is geen sprake van een overtuigende politieke achtergrond of langdurig activisme. Verder is van belang dat uit de overgelegde foto’s en filmpjes niet is gebleken van een duidelijke connectie tussen beelden van eiser en zijn naam. Eiser heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn deelname aan demonstraties in de negatieve aandacht van de Soedanese autoriteiten staat en dat hij bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag dan wel dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM5.

7. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Op wat hij in beroep daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Gang van zaken tijdens het gehoor

8. Eiser heeft aangevoerd dat het gehoor opvolgende aanvraag van 10 mei 2019 naar zijn gevoel niet helemaal goed is verlopen. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat de gehoormedewerker eiser tijdens het gehoor heeft geconfronteerd met eerdere verklaringen die hij tijdens zijn eerste asielprocedure heeft afgelegd, niet betekent dat de gehoormedewerker vooringenomen was. Uit het gehoor blijkt immers dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om hierop te reageren. Ook heeft eiser aan het eind van het gehoor verklaard dat hij tevreden was over de manier waarop het gesprek is verlopen.

Verder is in de correcties en aanvullingen op het rapport van gehoor niet gesteld dat het gehoor niet zorgvuldig is geweest. Verweerder mocht daarom afgaan op de tekst van het gehoorrapport.

Herkomst

9. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is een taalanalyse een deskundigenbericht. Op de inhoud van dit bericht mag door verweerder vertrouwd worden, indien de taalanalyse zorgvuldig tot stand is gekomen en naar inhoud inzichtelijk en concludent is, tenzij eiser concrete aanknopingspunten aandraagt voor twijfel aan de juistheid van de taalanalyse. Zoals volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling kan, indien de uitkomst van de contra-expertise de door de vreemdeling gestelde herkomst niet bevestigt, de contra-expertise de bij verweerder gerezen twijfel over de door de vreemdeling gestelde herkomst niet wegnemen.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser met de ingebracht contra-expertise van 6 maart 2019 van de Taalstudio de conclusies van de taalanalyse van 9 december 2015 niet overtuigend heeft bestreden. Het TOELT heeft immers in een weerwoord contra-expertise van 29 augustus 2019 de opmerkingen en conclusies van de contra-expert met argumenten weerlegd. De contra-expert heeft hier niet op gereageerd met een weerwoord. Gelet hierop zijn er geen concrete aanknopingspunten om te twijfelen aan de taalanalyse.

11. Verder heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de drie brieven van de Soedanese onderzoekers niet kunnen afdoen aan het standpunt dat eiser behoort tot een Arabische stam. Hiertoe is van belang dat alle drie de onderzoekers hebben verklaard dat zij geen expert zijn en dat zij in algemene zin geen harde uitspraken durven doen over de vraag of Ataghi een Afrikaans of Arabische clan is.

12. Ook de drie geschreven verklaringen heeft verweerder terecht niet als nieuwe documenten aangemerkt. Verweerder wijst er terecht op dat uit eisers verklaringen over de herkomst van de drie brieven blijkt dat eiser zelf duidelijk heeft gemaakt welke informatie hij nodig had, dat de informatie via, via is verkregen en dat er geen sprake is van objectief verifieerbare bronnen.

13. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de ingebrachte documenten, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beoordeeld, onvoldoende zijn om verweerders twijfel over de herkomst van eiser uit Dilling in Zuid-Kordofan weg te nemen.

14. In de prejudiciële vragen die deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, in de verwijzingsuitspraak van 16 december 20196 heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, in verband met uitleg over het begrip ‘nieuwe elementen en bevindingen’ zoals bedoeld in artikel 40 van de Procedurerichtlijn7, ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak aan te houden. Deze zaak verschilt in zoverre van de zaak die is beoordeeld in de verwijzingsuitspraak, dat verweerder is ingegaan op de inhoud van de documenten en deze niet (louter) ter zijde heeft gelegd omdat de echtheid niet is aangetoond.

De medische informatie

15. Verder staat in rechte vast dat de gestelde martelingen en detenties niet geloofwaardig zijn. Verweerder heeft zich daarom niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is onderbouwd hoe het medische dossier kan dienen als steunbewijs voor de gestelde martelingen. De stelling van eiser ter zitting, dat zijn huidige medische klachten zijn ontstaan door het drinken van vergiftigd drinkwater tijdens zijn detentie, leidt niet tot een ander oordeel. Voor die stelling zijn immers geen aanwijzingen te vinden in het overgelegde medisch dossier. Het beroep op het arrest R.C. tegen Zweden8 treft daarom geen doel.

Eerwraak

16. Daarnaast heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de gestelde eerwraak niet geloofwaardig is. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de uitleg dat eiser vergeten is de eerwraak te vermelden in zijn brief bij het herhaalde asielverzoek, er niet op duidt dat dit een groot probleem is en ernstig afbreuk doet aan de geloofwaardigheid ervan. Verder kan eiser slechts vaag verklaren over het gebeurde en heeft hij slechts telefonisch van zijn neef vernomen dat de familie van het meisje naar eiser op zoek is. Ook is er een groot tijdsverloop tussen de gestelde zwangerschap in 2010 die tot de dood van het meisje zou hebben geleid en de melding van gestelde problemen in 2017. Eiser heeft dat in beroep niet weerlegd met zijn stelling, dat verweerder de eerwraak ten onrechte slechts afzet tegen zijn herkomst.

Réfugié sur place

17. Het betoog van eiser dat hij als réfugié sur place moet worden aangemerkt, is weliswaar een nieuw element, maar de rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dit niet kan leiden tot een inwilligend asielbesluit. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

18. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een prominente rol heeft gespeeld bij de demonstraties en deze mede heeft georganiseerd. In de brief van de SDF staat alleen vermeld dat eiser altijd deelnam aan activiteiten. Verweerder heeft terecht tegengeworpen dat dit niet valt te rijmen met wat eiser bij zijn eerste asielaanvraag heeft verklaard, namelijk dat hij geen interesse heeft in politiek. Tijdens het gehoor opvolgende aanvraag heeft eiser vaag verklaard over zijn politieke activiteiten. Verweerder heeft daarom niet ten onrechte geconcludeerd dat geen sprake is van een overtuigende politieke achtergrond of langdurig activisme. Verder is eiser te zien op foto’s en filmpjes van demonstraties die op een openbaar facebookaccount zijn geplaatst.

Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat deze beelden zijn te relateren aan zijn naam. Ook is niet gebleken dat de Soedanese autoriteiten specifiek de acties van eiser in de gaten houden. De korte vertalingen van de filmpjes van 30 december 2019, waarin volgens eiser politieke activisten in de diaspora worden gewaarschuwd, kunnen niet tot een ander oordeel leiden, omdat hieruit niet blijkt dat eiser de negatieve aandacht op zich heeft gevestigd. Verder heeft verweerder er terecht op gewezen dat uit het Algemeen Ambtsbericht Sudan van oktober 20199 volgt dat de Sudanese autoriteiten in 2018 minder interesse toonden in de politieke activiteiten van de diaspora dan in eerdere jaren.

Dat volgens eiser uit het voornoemde ambtsbericht10 ook blijkt dat mensen behorend tot risicogroepen bij terugkeer meer gevaar lopen, kan niet tot ander oordeel leiden, omdat er geen indicatie is dat eiser door de autoriteiten verdacht wordt van politiek activisme.

Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn politieke activiteiten in Nederland in de bijzonder negatieve belangstelling staat van de Soedanese autoriteiten.

Slotsom

19. Het beroep is ongegrond.

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Vreemdelingenwet 2000

2 Team Onderzoek en Expertise Land en Taal

3 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

4 Het Sudanese Democratic Forum

5 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

6 ECLI:NL:RBDHA:2019:13451

7 Richtlijn 2013/32/EU

8 arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 9 maart 2010, ECLI:CE:ECHR:2010:0309JUD004182707.

9 Ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken, pagina 63

10 pagina 117 en 118 van dat ambtsbericht