Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2133

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-02-2020
Datum publicatie
11-03-2020
Zaaknummer
AWB 19/9019
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv-nareis, Syrisch, jongvolwassen, zelfstandig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 19/9019

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2020 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. F.A. van den Berg),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. R.A.P.M. van der Zanden).

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 29 oktober 2019 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 12 februari 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting zijn verschenen [naam 2] , referente, en H. Al Sulani, tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Syrische nationaliteit. Op 26 mei 2017 heeft de moeder van eiser (hierna: referente) namens eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als verblijfsdoel ‘Verblijf als familie- of gezinslid’.

2. Bij het bestreden besluit is het bezwaarschrift tegen de afwijzing van eisers aanvraag ongegrond verklaard. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op de grond dat de feitelijke gezinsband tussen eiser en referente is verbroken. Sinds 2015 woont eiser geheel zelfstandig op campus. Dat eiser financieel afhankelijk is van zijn ouders neemt niet weg dat eiser al sinds lange tijd in staat is zelfstandig op zichzelf te wonen, en zich staande heeft kunnen te houden.

3. Eiser heeft in de gronden van zijn beroep gesteld dat verweerder ten onrechte heeft tegengeworpen dat de feitelijke gezinsband tussen hem en referente is verbroken. In de periode van 2013 tot het vertrek uit Syrië van zijn ouders in 2015 woonde eiser drie dagen in de week op de campus van de universiteit van Homs, maar was hij nog onderdeel van het gezin van zijn ouders omdat hij de overige dagen bij hen in Palmyra woonde. Eiser stelt dat hij vanaf 2015 noodgedwongen zelfstandig is gaan wonen omdat zijn ouders in 2015 zijn gevlucht voor IS, en eiser op dat moment Homs niet kon verlaten. Nadat eiser zijn studie had afgerond is hij naar Turkije gevlucht om zo de dienstplicht te ontlopen. Gedurende deze periode heeft eiser niet in zijn eigen onderhoud kunnen voorzien en is hij financieel afhankelijk gebleven van zijn ouders.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. In paragraaf C2/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is – voor zover van belang – bepaald dat de IND de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000, verleent als het kind feitelijk behoort tot het gezin van de referent op het moment van binnenkomst. De IND wijst de aanvraag in ieder geval af als aannemelijk is dat er geen sprake (meer) is van een feitelijke gezinsband en deze als verbroken kan worden beschouwd.

Voor meerderjarige kinderen geldt eveneens dat het kind in het buitenland feitelijk tot het gezin van referent moet hebben behoord en die feitelijke gezinsband niet verbroken is.

Voor het aannemen van gezinsleven tussen ouder(s) en meerderjarige kinderen moet er sprake zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (more than normal emotional ties) tussen het meerderjarige kind en diens ouder(s). In het geval dat het meerderjarige kind echter nog jongvolwassen is, neemt de IND gezinsleven aan zonder dat sprake moet zijn van die meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.

Voor de beoordeling of het meerderjarige kind feitelijk behoort tot het gezin, is het moment van binnenkomst van de referent in Nederland leidend en betrekt de IND ook uitdrukkelijk de gezinssituatie ten tijde van het vertrek van de hoofdpersoon uit het land van herkomst (dan wel land van bestendig verblijf). De IND beoordeelt of zich na binnenkomst van de referent in Nederland omstandigheden hebben voorgedaan waardoor kan worden aangenomen dat de feitelijke gezinsband is verbroken.

Indien er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden (contra-indicaties), kan in ieder geval worden aangenomen dat het meerderjarige kind niet langer feitelijk tot het gezin van de ouder(s) behoort:

– het kind woont zelfstandig;

– het kind voorziet in eigen onderhoud;

– het kind is een huwelijk of een relatie aangegaan;

– het kind is belast met de zorg voor een buitenechtelijk kind.

Deze contra-indicaties zullen per individueel geval beoordeeld worden. Conclusie van de beoordeling kan zijn dat op het moment van vertrek van de referent het meerderjarig kind niet feitelijk behoorde tot het gezin. Indien deze contra-indicaties zich na het vertrek hebben voorgedaan kan de conclusie zijn dat de feitelijke gezinsband verbroken is.

5. De rechtbank volgt eiser in het standpunt dat verweerder niet heeft kunnen tegenwerpen dat de feitelijke gezinsband tussen eiser en referente vanaf 2015 is verbroken. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 23 augustus 20191 volgt dat verweerder zelfstandig wonen zonder meer, niet als een contra-indicatie dient te beschouwen indien dit voor eiser noodgedwongen is. Uit de relocatiegehoren van eisers ouders van 10 maart 2017 en eisers verklaringen uit het gehoor van 19 juni 2019 kan worden afgeleid dat eiser in 2015 noodgedwongen op zichzelf moest gaan wonen omdat zijn ouders waren gevlucht voor IS. Eiser heeft deze keuze niet zelf, vrijwillig gemaakt; hij heeft hiermee niet een stap naar zelfstandigheid willen zetten. Verweerder heeft het zelfstandig wonen vanaf 2015 dan ook niet als een contra-indicatie mogen beschouwen.

6. Verweerder heeft in zijn verweerschrift en ter zitting een beroep gedaan op de uitspraak van de Afdeling van 29 september 20172. In deze uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de feitelijke gezinsband als verbroken kan worden beschouwd indien het jongvolwassen kind (zelfstandig) op kamers gaat wonen, ook indien het kind financieel afhankelijk blijft van zijn familieleden.

Het beroep op deze Afdelingsuitspraak kan niet slagen. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser geheel zelfstandig woont met ingang van 2015, het moment waarop eisers ouders zijn vertrokken. Verweerder heeft noch in het bestreden besluit noch ter zitting beargumenteerd dat eisers feitelijke gezinsband al was verbroken doordat hij in 2013 (voor een vrij beperkt aantal dagen per week) op kamers is gaan wonen.

7. Dat eiser zich staande heeft weten te houden nadat hij gedwongen van het gezin gescheiden is, betekent niet dat eiser zich ook zelfstandig en moeiteloos heeft kunnen handhaven. Eiser heeft immers nooit gewerkt. Niet in geschil is dat eiser financieel wordt onderhouden door zijn ouders. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat eiser zich zelfstandig en moeiteloos heeft kunnen handhaven.

8. Het beroep is gegrond.

9. Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1050 in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174 (honderdvierenzeventig euro) aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten € 1050 (duizendvijftig euro) te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2020.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 ECLI:NL:RVS:2019:2863

2 ECLI:NL:RVS:2017:2632