Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2120

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-03-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
C/09/529407 / HA ZA 17-322
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis na tussenvonnis van 30 mei 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:6517) over de vraag of schade aan de woning van eisers is veroorzaakt door aardbevingen als gevolg van gaswinning. De NAM heeft na het tussenvonnis onderzoek laten verrichten via de methode van Root Cause Analysis. Is het bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW van toepassing?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2020-0085
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/529407 / HA ZA 17-322

Vonnis van 11 maart 2020

in de zaak van

1 [eisende partij sub 1] te [plaats] ,

2. [eisende partij sub 2] te [plaats] ,

eisers,

advocaat mr. R.K. Torn te Amsterdam,

tegen

NEDERLANDSE AARDOLIE MAATSCHAPPIJ B.V. te Assen,

gedaagde,

advocaat mr. P.A.Th. Kostwinder te Groningen.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 30 mei 2018 (hierna: het tussenvonnis);

  • -

    de akte uitlating van NAM van 13 juni 2018, met productie 7;

  • -

    de antwoordakte, tevens akte overlegging producties van [eisende partij sub 1 c.s.] van 27 juni 2018, met productie18 tot en met 20;

  • -

    de akte overlegging producties van NAM van 9 januari 2019, met producties 8 tot en met 12;

  • -

    de antwoordakte van [eisende partij sub 1 c.s.] , van 6 maart 2019;

  • -

    de akte uitlating arrest Hoge Raad van [eisende partij sub 1 c.s.] van 2 oktober 2019;

  • -

    de akte uitlaten van NAM van 13 november 2019, met productie 13;

  • -

    de akte uitlating laatste akte wederpartij van [eisende partij sub 1 c.s.] van 8 januari 2019.

1.2.

Ten slotte is de datum voor het wijzen van vonnis nader bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In deze zaak is aan de orde of sprake is van schade aan de woning van [eisende partij sub 1 c.s.] door beweging van de bodem als gevolg van gaswinning door NAM. In dit verband doet [eisende partij sub 1 c.s.] een beroep op het bewijsvermoeden van artikel 6:177a lid 1 BW. Ter voldoening aan het tweede lid van dit artikel heeft [eisende partij sub 1 c.s.] , na het tussenvonnis, NAM in de gelegenheid gesteld om nader onderzoek aan de woning te verrichten. Hiertoe heeft NAM Royal HaskoningDHV (hierna: RHDHV) ingeschakeld. RHDHV heeft haar bevindingen in drie rapporten neergelegd, namelijk het Algemeen technisch rapport van 3 december 2018, het Inspectierapport van 18 oktober 2018 en het Schaderapport van 18 december 2018 (productie 8 van NAM). Op 21 december 2018 heeft NAM deze rapporten aan [eisende partij sub 1 c.s.] ter beschikking gesteld.

2.2.

Deze - omvangrijke - rapporten kunnen als volgt worden samengevat. RHDHV heeft het onderzoek naar de oorzaak van de schade aan de woning uitgevoerd via de door TNO ontwikkelde methodiek van de Root Cause Analysis. Deze methode dient ertoe om de oorzaak van een schade aan een gebouw te achterhalen door middel van het inventariseren van alle mogelijke schadeoorzaken en het systematisch uitsluiten of aantonen van deze oorzaken. Hiertoe heeft RHDHV de (bouw)gegevens van de woning onderzocht, de woning geïnspecteerd, de schade en scheuren (alle kleiner of gelijk aan 0,5 mm) in kaart gebracht en de omgevingsfactoren geïnventariseerd die kunnen leiden tot trillingen of zettingen bij de woning. Om de trillingen als gevolg van aardbevingen te bepalen, heeft RHDHV de methode “Ground Motion Prediction Equation (hierna: GMPE) gehanteerd. Bij deze methode worden de trillingen niet ter plaatse van de woning gemeten, maar berekend, in dit geval aan de hand van de door het KNMI geregistreerde meetgegevens van de aardbeving te Huizinge van augustus 2012. Om de kans op schade aan de woning als gevolg van de trillingen te bepalen heeft RHDHV de SBR Richtlijn A gehanteerd. De berekening heeft geleid tot de volgende uitkomst, zoals weergegeven onder 2.2.9.6 van het Schaderapport:

“Het resultaat van de berekening van de beving van Huizinge is dat de kans dat er lichte schade is

opgetreden ongeveer 0,3% bedraagt. Er is een kans van 99,7% dat door de beving van Huizinge in het geheel géén schade is opgetreden. Deze kansen worden onderbouwd in Tabel 8 en de grafiek in Figuur 13. De berekende kans op schade is kleiner dan 1%, waarmee volgens SBR Richtlijn A deze kleiner is dan ‘onwaarschijnlijk’.”

RHDHV heeft voor iedere schade/scheur of groep daarvan, door middel van de methode “uitsluiten en aantonen” de mogelijke scenario’s van schadeoorzaken onderzocht.

Hierbij heeft RHDHV met betrekking tot de oorzaak “Overbelasting door trillingen door aardbevingen” geconcludeerd:

“De op deze locatie opgetreden trillingen door aardbevingen in het verleden zijn slechts heel licht geweest. De kans dat deze trillingen schade veroorzaakt hebben is slechts 0,3%. Zie hiervoor paragraaf 2.2.9.6. Dit houdt dus in dat de kans dat de aardbevingen in het geheel geen trillingen veroorzaakt hebben, 99,7% is. De zeer kleine kans dat aardbevingen schade veroorzaakt hebben dient vergeleken te worden met de veel grotere kans dat de hierna genoemde schadescenario’s schade veroorzaakt hebben. Tevens zou een grote beving niet leiden tot een scheurenpatroon dat hier is opgetreden. Daaruit volgt dat het veel waarschijnlijker is dat de hierna genoemde schadescenario’s de schade veroorzaakt hebben. Overbelasting door trillingen door aardbevingen wordt uitgesloten als de oorzaak van de schade (…)”

De door RHDHV gevonden oorzaken voor de schade en scheuren zijn:

- overbelasting door onvoldoende sterkte, stijfheid, samenhang;

- verhinderde vormingen door veroudering/aantasting;

- verhinderde vervormingen door temperatuursinvloeden;

- zettingen bij gelijkblijvende belasting;

- overbelasting vanuit gebruik in normale gebruikssituatie.

RHDHV heeft ook nog een vergelijking gemaakt met de op 5 oktober 2015 door het Noordelijk Schade Taxatie Bureau opgenomen schade aan de woning, op grond waarvan RHDHV heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van toename van de schade (blz. 6 van het Schaderapport).

RHDHV heeft geconcludeerd dat er geen schade aan de woning is aangetroffen die het gevolg is van gaswinning en het als gevolg daarvan optreden van aardbevingen en bodemdaling.

2.3.

[eisende partij sub 1 c.s.] heeft tegen de rapporten van RHDHV, samengevat, het volgende ingebracht:

- RHDHV heeft zich slechts gebaseerd op één specifieke aardbeving te Huizinge, terwijl er bijvoorbeeld in 2018 al 87 aardbevingen zijn gemeten. Deze cumulatie van aardbevingen heeft RHDHV niet in haar onderzoek betrokken;

- RHDHV heeft - in afwijking van de SBR-Trillingsrichtlijn en de TNO-methodiek
- geen metingen verricht aan de woning van [eisende partij sub 1 c.s.] , maar heeft een uit november 2017 afkomstig rekenmodel gehanteerd, gebaseerd op gegevens uit de KNMI-database. Deze database is niet betrouwbaar, omdat veel van de sensoren in het aardbevingsgebied verkeerd waren afgesteld, zoals het KNMI in februari 2019 heeft bekendgemaakt;

- RHDHV is ten onrechte voorbijgegaan aan de door TU Delft geconstateerde triggerwerking;

- RHDHV heeft - in afwijking van de TNO-methode - i) geen historisch overzicht gegeven van de scenario’s die geresulteerd kunnen hebben in de schade aan de woning, ii) niet per scheur een verwachting voor de toekomst aangegeven en iii) het scenario van de aardbevingstrillingen als schadeoorzaak (of als een van de schadeoorzaken) niet uitgewerkt.

Aangezien uit onderzoek door TU Delft blijkt dat ook voor de stad [plaats] , waar de woning is gelegen, aardbevingstrillingen - in het bijzonder vanwege de triggerwerking - niet uitgesloten kunnen worden als schadeoorzaak, komt [eisende partij sub 1 c.s.] een beroep op het bewijsvermoeden toe.

2.4.

Hierover wordt het volgende overwogen.

2.5.

RHDHV heeft haar keuze voor de GMPE-methode in 2.3.6.4 van het Algemeen technisch rapport als volgt gemotiveerd:

“2.3.6.4 Berekende trillingen

Rekenmethode

Om een te verwachten waarde van trillingen aan te kunnen geven zonder dat op die locatie gemeten is, zijn door het KNMI rekenmodellen ontwikkeld. Deze worden Ground Motion Prediction Equation (GMPE) genoemd. De meest recente versie is beschreven in het artikel Empirical Ground-Motion Prediction Equations for Peak Ground Velocity from Small-Magnitude Earthquakes in the Groningen Field Using Multiple Definitions of the Horizontal Component of Motion Updated Model for Application to Smaller Earthquakes, november 2017, van Bommer et al. In dit artikel is een rekenmodel beschreven dat is gebaseerd op iets meer dan 1000 trillingsmetingen bij 47 verschillende aardbevingen uit de KNMI database. (…) De uitkomst van het rekenmodel is een trillingssnelheid op maaiveldniveau. Deze methode is in brede kring aanvaard. Ook het rapport van de TU Delft: (“Bouwkundige schade in Groningen , Methodologie en case-studies ter duiding van de oorzaken”, TU Delft, Faculteit Civiele Techniek en Geowetenschappen, Rapport nummer: CM-2018-0, gedateerd 11 juli 2018.) gebruikt deze methode.”

2.6.

In het TNO-rapport (productie 7 van NAM) is, anders dan [eisende partij sub 1 c.s.] lijkt te betogen, niet voorgeschreven dat trillingen ter plaatse van het gebouw moeten worden gemeten, maar slechts dat TNO ervan uitgaat dat dit veelal gebeurt. De rechtbank wijst op dit punt op de volgende passage onder 5.4.3. van het rapport:

“Voor scheuren die zijn ontstaan als gevolg van een overbelasting door trillingen geldt dat dergelijke scheuren veelal moeilijk zijn te onderscheiden van scheuren als gevolg van andere oorzaken. Daarom wordt voor wat betreft de beoordeling van scheurvorming door trillingen veelal gebruik gemaakt van trillingsmetingen op het gebouw zelf.”

2.7.

Voor zover [eisende partij sub 1 c.s.] heeft aangevoerd dat de SBR-Trillingsrichtlijn een meting ter plaatse van de woning voorschrijft, acht de rechtbank van belang dat RHDHV dit aspect heeft besproken in de volgende passage onder 2.3.6.3 van het Algemeen technisch rapport:

Type Meting:

De SBR Richtlijn A gaat er vanuit dat trillingsmetingen zijn uitgevoerd op verschillende locaties aan het pand op maaiveldniveau en op de bovenste verdieping, met tussenafstanden van maximaal 10 meter en in ieder geval op een locatie zo dicht mogelijk bij de trillingsbron. Dit wordt in de richtlijn een uitgebreide meting genoemd. De richtlijn staat ook toe dat op minder locaties in het gebouw wordt gemeten, maar omdat dan minder zeker is dat de maatgevende trilling wordt gemeten moet een veiligheidsfactor over de gemeten waarden worden toegepast.

(…)

De veiligheidsfactor brengt de meetonzekerheid in rekening. Bij de omschrijving van het toepassingsgebied (SBR hoofdstuk 3, blz. 14) wordt expliciet gesteld dat de grenswaarden ook gehanteerd mogen worden voor de beoordeling van een berekende trillingsnelheid. Dit is nader toegelicht in “kader 5” op blz. 14 van de SBR.

In Groningen zijn vele metingen beschikbaar en is een volledig stochastisch model beschikbaar waarmee trillingssnelheden met overschrijdingswaarden kunnen worden berekend. In het door RHDHV uitgevoerde RCA-onderzoek is het trillingsniveau berekend volgens de EGMPE-methode waarbij zorgvuldig de statistische onzekerheden in rekening gebracht zijn. Zie hiervoor hoofdstuk 2.2.9.3 van het RHDHV schaderapport.

Dus enerzijds geeft de SBR(A) een richtlijn voor het meten van trillingen, anderzijds geeft de SBR(A) grenswaarden voor daadwerkelijk in een gebouw optredende trillingen, op welke wijze dan ook vastgesteld.

Ook het onderzoeksteam van de TU gaat ervan uit dat de SBR(A) een betrouwbare methode geeft voor het bepalen van het risico op schade door bevingen.

- TU-rapport blz. 199: “Door middel van simulatieberekeningen is gekeken naar de invloed van

initiële spanningen door verschillende belastingen in combinatie met de spanningen van trillingen

door bevingen. Hieruit blijkt dat metselwerkwanden in een gebouw uitsluitend belast door eigen

gewicht en rustende belasting, trillingen tot de in SBR Richtlijn A genoemde grenswaarden

(globaal 3 tot 5 mm/s voor gebouwen in metselwerk) zonder schade kunnen weerstaan. Hoewel

deze kwantitatieve inzichten met voorzichtigheid gehanteerd moeten worden, stemmen zij

overeen met een bredere praktijkervaring (zoals bijvoorbeeld vervat in de voorschriften van SBR

Richtlijn A) en met de inzichten eerdere uit schade-evaluaties, onder meer na de beving bij

Huizinge (2012).”

2.8.

Met het voorgaande heeft RHDHV verantwoord dat zij geen trillingsmetingen ter plaatse van de woning heeft uitgevoerd, maar is uitgegaan van berekende trillingswaarden via de GMPE-methode. [eisende partij sub 1 c.s.] heeft de juistheid van deze keuze niet (gemotiveerd) bestreden. De rechtbank volgt [eisende partij sub 1 c.s.] daarom niet op dit punt.

2.9.

Met betrekking tot het bezwaar van [eisende partij sub 1 c.s.] dat RHDHV geen rekening heeft gehouden met de cumulatie van aardbevingen, maar met slechts de aardbeving te Huizinge, wordt het volgende overwogen. RHDVH heeft, zoals uit blz. 21 van het Schaderapport blijkt, van 10 aardbevingen uit de periode 2007 tot en met 2014 onderzocht welke aardbeving de grootste trillingen ter plaatse veroorzaakt heeft. Hieruit is naar voren gekomen dat de grootste trillingen zijn veroorzaakt door de aardbeving te Huizinge van augustus 2012. [eisende partij sub 1 c.s.] heeft niet toegelicht op grond waarvan RHDHV ook minder krachtige aardbevingen en de cumulatie van aardbevingen in haar onderzoek had moeten betrekken. Hierop strandt zijn betoog.

2.10.

Met betrekking tot de door [eisende partij sub 1 c.s.] bedoelde triggerwerking wijst de rechtbank erop dat RHDHV daarop is ingegaan in het Algemeen technisch rapport. Daarover heeft RHDHV onder 2.3.6.3 het volgende geschreven:

Triggerwerking

De onderzoekers van de TU Delft introduceren het begrip “triggerwerking”. Dit houdt in dat door andere oorzaken dan mijnbouw de constructie al enigszins gescheurd kan zijn, er zouden “microscheurtjes” ontstaan kunnen zijn. Vervolgens zouden lichte aardbevingen deze microscheurtjes kunnen doen vergroten tot zichtbare scheuren. De beving zou dan de “trigger” zijn. Dit zou dan volgen uit door de TU uitgevoerde berekeningen. RHDHV kan zich in deze formuleringen niet vinden. Dit om de volgende redenen:

- De uitgevoerde berekeningen zijn niet geverifieerd in de praktijk of in het laboratorium. Dat lijkt ook niet echt mogelijk. Het zal vrijwel niet te doen zijn om de belastingen zodanig op te leggen dat hierdoor slechts “micro scheurtjes” zullen ontstaan. Ze zijn immers niet zichtbaar. Wij verwachten dat een “micro” scheurtje niet lang “micro” zal blijven en niet zal afwachten tot het via trillingen getriggerd zal worden om groter te worden.

- Indien een constructie “op scherp” staat vanwege nog niet zichtbare microscheurtjes, dan kan iedere gebeurtenis de “trigger” zijn. Dus ook zaken als windbelastingen, temperatuurbelastingen, gebruiksbelastingen, verkeerstrillingen, trillingen door gebruik enz, enz. Waarom zouden dat alleen aardbevingstrillingen moeten zijn? In dit verband wijzen wij ook op onderstaande Figuur 6. Daarin zijn, ongefilterd, door het TNO netwerk gemeten trillingen weergegeven. Er doen zich vele trillingen voor, slechts de rode zijn het gevolg van aardbevingen. De figuur is ontleend aan “Technical Addendum to the Winningsplan 2016 - 1st April 2016”.

Op blz. 96 van het TU-rapport stellen de onderzoekers dan ook: “Op basis van het aantal van de bevingen en de sterkte van de lichte of zeer lichte bevingen kan worden aangenomen dat de invloed van hun trillingen niet aanwijsbaar en onderscheidbaar is ten opzichte van trillingen uit andere bronnen, binnen of buiten het gebouw.”

- De “triggerwerking” houdt dus in dat er al een niet zichtbare scheur is (micorscheurtjes), veroorzaakt door een andere oorzaak dan bevingen. Dit houdt in dat ook al heeft de aardbeving de schade wellicht niet veroorzaakt, deze heeft er wel toe kunnen bijgedragen dat de schade groter is geworden. Dit lijkt een aannemelijke theorie. Deze theorie wordt echter, bij de recentelijk door RHDHV uitgevoerde RCA onderzoeken voor projecten in het aardbevingsgebied, niet ondersteund door de praktijk. De fotovergelijkingen “voor” en “na” een maatgevende beving welke RHDHV gemaakt heeft bij een tiental projecten tonen aan dat de bestaande scheuren niet verergerd zijn door de in de tussentijd opgetreden aardbevingen en dat er ook geen scheuren die eerst onzichtbaar waren, nu zichtbaar geworden zijn. De aardbevingen die het betreft gaven trillingsniveaus op de locaties die in meer of mindere mate boven de grenswaarden van de SBR lagen en veelal zijn die tussentijdse aardbevingen voor die locatie zwaarder geweest dan alle voorgaande bevingen.”

2.11.

[eisende partij sub 1 c.s.] heeft de juistheid van deze weerlegging door RHDHV van de triggerwerking niet (gemotiveerd) bestreden. De rechtbank volgt [eisende partij sub 1 c.s.] dus niet op dit punt.

2.12.

In reactie op het bezwaar van [eisende partij sub 1 c.s.] dat RHDHV bij de berekeningen is uitgegaan van de onbetrouwbare meetgegevens uit de KNMI-database, heeft NAM bij akte uitlaten van 13 november 2019, samengevat, het volgende aangevoerd: het KNMI heeft de versnellingsmeters opnieuw afgesteld en de metingen gecorrigeerd. Deze gecorrigeerde metingen zijn verwerkt in de GMPE-methode en daarnaast zijn alle metingen van aardbevingstrillingen over de periode november 2017 tot maart 2019 toegevoegd. Op basis van de meest recente versie van de GMPE-methode is het document “Seismische informatie locatie [adres] ” opgesteld (productie 13). Hierin zijn de eerder berekende grondsnelheden van de zwaarste beving van 3,18 mm/s neerwaarts bijgesteld naar 2,83 mm/s. Deze uitkomst leidt dus niet tot aanpassing van de in het Schaderapport opgenomen conclusie.

2.13.

[eisende partij sub 1 c.s.] heeft, naast dat het hem niet duidelijk is wie productie 13 heeft opgesteld, niets aangevoerd wat hiervoor niet eerder door de rechtbank is besproken. Daarmee heeft [eisende partij sub 1 c.s.] de juistheid van deze weerlegging door NAM van zijn bezwaar niet voldoende gemotiveerd bestreden. De rechtbank volgt [eisende partij sub 1 c.s.] dus niet op dit punt.

2.14.

Ten slotte is nog aan de orde het bezwaar van [eisende partij sub 1 c.s.] dat RHDHV is afgeweken van de TNO-methode doordat, kort gezegd, de scenario’s onvoldoende zijn uitgewerkt.

2.15.

Het TNO-rapport luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

“5 Analyse van de oorzaken van de scheurvorming

5.1

Algemeen

(…)

Ten behoeve van het uitsluiten en aantonen van oorzaken van de scheurvorming dienen per scheur dan wel groepering van scheuren de volgende deelstappen doorlopen te worden:

a. Uitsluiting van oorzaken op basis van gegevens over het gebouw

b. Uitsluiting van oorzaken op basis van gegevens over de omgeving

c. Per mogelijke oorzaak nagaan of die een rol gespeeld kan hebben

d. Opstellen schadescenario’s.

(…)

5.4

Deelstap c: Rol van alle mogelijke oorzaken

Na het doorlopen van de deelstappen a. en b. zullen oorzaken zijn uitgesloten als mogelijke oorzaak van de scheurvorming. Vervolgens moet voor alle overgebleven oorzaken, per oorzaak, worden nagegaan of die oorzaak daadwerkelijk een rol gespeeld kan hebben. per schadeoorzaak moet dit resulteren in één van de volgende kwalificaties:

- Het kan een rol gespeeld hebben

- Het heeft geen rol gespeeld.

(…)

5.5.

Deelstap d: Opstellen schadescenario’s

Na het doorlopen van deelstap c blijven veelal nog meerdere mogelijke oorzaken open voor het ontstaan van de scheurvorming. In deelstap d moet een overzicht gegeven worden van de scenario’s die, op basis van de mogelijke oorzaken, geresulteerd kunnen hebben in de schade. Hierbij moeten zowel scenario’s met slechts één schadeoorzaak als scenario’s met combinaties van schadeoorzaken worden opgesteld.

Per scenario moet een historisch overzicht gegeven worden van de volgorde van de verschillende oorzaken, bij voorkeur met daarbij een tijdsindicatie. Per scenario moet verder ook worden aangegeven wat de verwachting is voor de toekomst, met name ten aanzien van de doorgaande vervormingen ter plaatse van de scheur en/of doorgroeien van de scheur.”

2.16.

Uit deze passages maakt de rechtbank op dat oorzaken die onder de deelstappen a, b en c worden uitgesloten, niet meer behoeven te worden verwerkt in de onder deelstap d bedoelde schadescenario’s. In dit geval heeft RHDHV, zoals hiervoor vermeld, voor alle schade en scheuren overbelasting door trillingen door aardbevingen uitgesloten als mogelijke schadeoorzaak. Zij hoefde deze oorzaak volgens de TNO-methode daarom niet meer onder deelstap d uit te werken. [eisende partij sub 1 c.s.] heeft daarnaast niet aangegeven wat het belang is van het geven van een historisch overzicht van de scenario’s die (wel) geresulteerd kunnen hebben in de schade aan de woning en het per scheur aangeven van een toekomstverwachting. De enkele opmerking dat dit niet is gebeurd – wat daarvan overigens ook zij – doet niet af aan de bewijswaarde van de rapporten van RHDHV. Hierop strandt het bezwaar van [eisende partij sub 1 c.s.]

2.17.

De bevindingen van RHDHV leiden de rechtbank tot de vaststelling dat er geen sprake is van fysieke schade als bedoeld in artikel 6:177a lid 1 BW, zodat [eisende partij sub 1 c.s.] geen beroep toekomt op het daarin verwoorde bewijsvermoeden. Conform de in artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering opgenomen hoofdregel van het bewijsrecht is het aan [eisende partij sub 1 c.s.] om voldoende onderbouwd te stellen en, als daaraan wordt toegekomen, te bewijzen dat de schade aan de woning is veroorzaakt door beweging van de bodem als gevolg van de gaswinning door NAM.

2.18.

Tegenover de rapporten van RHDHV heeft [eisende partij sub 1 c.s.] te weinig gesteld om tot bewijslevering te kunnen worden toegelaten. In dit geding is derhalve komen vast te staan dat de schade aan de woning van [eisende partij sub 1 c.s.] niet is veroorzaakt door beweging van de bodem als gevolg van de gaswinning door NAM. De vorderingen van [eisende partij sub 1 c.s.] zullen daarom worden afgewezen.

2.19.

[eisende partij sub 1 c.s.] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Die kosten worden aan de zijde van NAM begroot op € 5.683, namelijk € 1.924 aan griffierecht en € 3.759 aan salaris advocaat (3½ punten à € 1.074 per punt, volgens tarief IV). De daarover door NAM gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst het gevorderde af;

3.2.

veroordeelt [eisende partij sub 1 c.s.] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van NAM begroot op € 5.683, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

3.3.

verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.E.M. de Coninck en in het openbaar uitgesproken op

11 maart 2020.1

1 type: 1554 coll: