Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2108

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-01-2020
Datum publicatie
12-03-2020
Zaaknummer
8126313 RP VERZ 19-50632
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeid (WWZ). Verzoek tot vernietiging oosv en vw tegenverzoek tot ontbinding a.o. Subsidiair billijke vergoeding verzocht door wn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0301
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

CK/c

Zaaknummer: 8126313 RP VERZ 19-50632

Uitspraakdatum: 30 januari 2020

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

[werkneemster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij in de zaak van het verzoek,

verwerende partij in de zaak van het zelfstandig verzoek,

gemachtigde: mr. M. Hoekman,

(toevoeging verleend onder kenmerk [kenmerk toevoeging] )

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AVDM Verhuur- en Aannemingsbedrijf B.V.,

gevestigd te Noordwijk,

verwerende partij in de zaak van het verzoek,

verzoekende partij in de zaak van het zelfstandig verzoek,

gemachtigde: mr. N. Çiçek.

Partijen worden aangeduid als werkneemster en werkgever.

1 Het procesverloop

1.1.

Werkneemster heeft een verzoek ex artikel 7:781 BW in samenhang met artikel 7:786a BW ingediend, ingekomen op de griffie op 24 oktober 2019, om het door werkgever gegeven ontslag/opzegging te vernietigen, werkneemster toe te laten de bedongen arbeid te verrichten zodra zij daartoe weer in staat is en werkgever te veroordelen tot loondoorbetaling vanaf 1 september 2019. Werkgever heeft een verweerschrift ingediend en zelfstandige verzoeken gedaan tot een gefixeerde schadevergoeding en (voorwaardelijke) ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

1.2.

Er heeft een gezamenlijke mondelinge behandeling plaatsgevonden van deze zaak en de zaak met zaak-/rolnummer 8089317 RL EXPL 19-23227. Verschenen zijn werkneemster in persoon, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd en namens de werkgever de heren [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bijgestaan door de gemachtigde voornoemd.

1.3.

Uiteindelijk heeft de gemachtigde van werkneemster de rechtbank bericht dat een schikking niet is bereikt. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

Werkneemster is op 3 juni 2019 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij werkgever. De fulltime functie die werkneemster laatstelijk vervulde is die van administrateur, met een salaris van € 1.950,00 netto per maand en 8% vakantietoeslag.

2.2.

Werkneemster heeft zich op 30 augustus 2019 in de middag ziek gemeld.

2.3.

Op 11 september 2019 heeft werkgever aangifte gedaan tegen werkneemster wegens fraude en vervalsing van een handtekening op een arbeidsovereenkomst waarop werkneemster en werkgever als partijen staan vermeld.

2.4.

Bij brief van 16 september 2019 heeft werkgever werkneemster op staande voet ontslagen en sindsdien heeft werkneemster geen loon meer ontvangen. De brief heeft werkneemster op 18 september 2019 bereikt.

3 Het verzoek

3.1.

Werkneemster heeft de kantonrechter primair verzocht het ontslag/de opzegging te vernietigen en de werkgever te veroordelen tot doorbetaling van loon inclusief emolumenten en wedertewerkstelling zodra werkneemster daartoe weer in staat is. Subsidiair heeft werkneemster verzocht werkgever te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 31.872,00.

3.2.

Werkneemster heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat zowel het ontslag als de reden ervan niet onverwijld is gegeven. Op 11 september 2019 heeft werkgever aangifte gedaan van vervalsing van documenten, de reden van het ontslag, terwijl de mededeling van het ontslag op staande voet werkneemster pas op 18 september 2019 heeft bereikt. Daarnaast ontbeert het ontslag een geldige reden aangezien niet geconcretiseerd is welke documenten werkneemster vervalst zou hebben en aan welke derden zij deze vervolgens heeft gestuurd. Het ontslag op staande voet is een ultimum remedium, aldus werkneemster.

3.3.

Op de overige stellingen van werkneemster wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

4 Het verweer en het voorwaardelijk ontbindingsverzoek ex artikel 7:671b BW

4.1.

De werkgever heeft als verweer het volgende aangevoerd. De door werkneemster overgelegde arbeidsovereenkomst van 11 juli 2019 (productie 1 bij het verzoekschrift) is vervalst. Er is geen mobiliteitsvergoeding van € 250,00 afgesproken. Voorts is de handtekening onderaan de arbeidsovereenkomst niet van [betrokkene 1] , de enige tekenbevoegde, afkomstig. Werkneemster heeft de handtekening vervalst. Daarnaast heeft werkneemster om vergoeding van tankbonnen verzocht, die zij niet zakelijk kan verantwoorden. Dit alles is werkneemster genoegzaam bekend zodat de gegeven dringende reden concreet genoeg en daarmee duidelijk is. Verder is het ontslag onverwijld gegeven. Zodra er aangifte was gedaan op 11 september 2019 en het interne onderzoek was afgerond, is werkneemster bij brief van 16 september 2019 op staande voet ontslagen. Er mag enige tijd zitten tussen het moment waarop de dringende reden zich voordoet en het ontslag op staande voet, aldus werkgever.

Voor een billijke vergoeding komt werkneemster niet in aanmerking.

4.2.

Voor het geval het ontslag op staande voet geen stand houdt, heeft werkgever primair verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van ernstig verwijtbaar handelen van werkneemster. Werkneemster heeft met opdrachtgevers op een agressieve en onprofessionele wijze gecommuniceerd en heeft de handtekening van de directeur vervalst. Werkneemster heeft zich niet als goed werkneemster gedragen. Subsidiair heeft werkgever verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van een tekortkoming in de nakoming van de arbeidsovereenkomst door werkneemster. Meer subsidiair heeft werkgever verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding. Herplaatsing ligt niet in de rede.

4.3.

Op de overige stellingen en weren van werkgever wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

5 De beoordeling

Het ontslag op staande voet

5.1.

De werkneemster heeft het verzoek tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

5.2.

De kantonrechter stelt voorop dat het ontslag op staande voet gegeven door een werkgever een ultimum remedium is, dat, gelet op de verstrekkende gevolgen ervan voor een werknemer, slechts bij uitzondering mag worden gegeven. De werkgever dient de arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden onverwijld op te zeggen en voorts dient een werkgever de werknemer onverwijld mededeling te doen van deze dringende reden.

5.3.

Naar het oordeel van de kantonrechter is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig, omdat de opzegging niet onverwijld is gegeven. Op 11 september 2019 heeft werkgever aangifte gedaan tegen werkneemster vanwege fraude en vervalsing van een handtekening, de als dringende reden gekwalificeerde handeling, terwijl pas op 16 september 2019 een brief naar werkneemster is gestuurd waarin het ontslag op staande voet wordt gegeven. Anders dan in algemene bewoordingen dat er een intern onderzoek heeft plaatsgevonden, een reactie van de advocaat van werkneemster is afgewacht en er een weekend tussen zat, heeft de werkgever verder geen verklaring voor het tijdverloop tussen het moment van het ontdekken van de gestelde vervalsing door werkneemster (de reden van het ontslag) en het moment waarop de ontslagbrief is verzonden. Daarnaast is de stelling dat een intern onderzoek heeft plaatsgevonden verder niet onderbouwd. Bovendien ligt in de lijn der verwachting dat alvorens aangifte te doen, er voortvarend een intern onderzoek plaatsvindt en is het opmerkelijk dat door een werkgever eerst een reactie van de advocaat van een werkneemster wordt afgewacht alvorens ontslag op staande voet te geven aan de desbetreffende werkneemster.

5.4.

Nu het ontslag op staande voet wordt vernietigd, duurt de arbeidsovereenkomst voort en heeft werkneemster in ieder geval recht op loon tot de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd. De vordering van werkneemster tot loonbetaling zal daarom worden toegewezen. De kantonrechter zal het percentage van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW matigen tot 10%, omdat dat werkneemster in ieder geval sinds
1 september 2019 geen werkzaamheden meer heeft verricht. Aangezien werkgever in verzuim is met voldoening van het loon en de emolumenten, is zij daarover de gevorderde wettelijke rente verschuldigd.

5.5.

Ten aanzien van de maandelijkse mobiliteitsvergoeding van € 250,00 netto per maand overweegt de kantonrechter het volgende.

5.6.

De kantonrechter stelt vast dat er twee verschillende arbeidsovereenkomsten in omloop zijn, waarvan één gedateerd is op 3 juni 2019 en een ander op 11 juli 2019. Voorts stelt de kantonrechter vast dat werkneemster in de arbeidsovereenkomst van 11 juli 2019 een mobiliteitsvergoeding toegekend krijgt van € 250,00, terwijl deze bepaling in de arbeidsovereenkomst van 3 juni 2019 is doorgestreept. Voorts verschilt het handschrift waarmee de plaats en datum van tekenen wordt vermeld. Tot slot komen de handtekeningen en parafen namens de vertegenwoordiger van werkgever niet overeen.

5.7.

De werkgever heeft aangevoerd dat de door werkneemster overgelegde arbeidsovereenkomst van 11 juli 2019 vervalst is door werkneemster. Hoewel in één oogopslag kan worden gezien dat de handtekening onderaan de arbeidsovereenkomst van 11 juli 2019 niet van [betrokkene 1] is – het verschil met de handtekening onder de arbeidsovereenkomst van 3 juni 2019 is significant – is de kantonrechter er allerminst van overtuigd geraakt dat werkneemster de handtekening onderaan de arbeidsovereenkomst van 11 juli 2019 heeft gezet. Hoewel dit voor de vaststelling van de echtheid van het document niet relevant is, is voor de onderhavige procedure wel van belang dat is gebleken van een verband tussen de handeling van werkneemster en de vervalste handtekening, nu dat de grondslag voor het ontslag op staande voet vormt. Bovendien geldt dat wanneer niet kan worden vastgesteld dat werkneemster de arbeidsovereenkomst van 11 juli 2019 heeft vervalst, deze de rechtsverhouding tussen partijen (mede) bepaalt.

5.8.

Werkneemster heeft ter zitting aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst van 11 juli 2019 deels door haar en deels door [betrokkene 2] is ingevuld en dat [betrokkene 2] , nadat hij de bepaling over de mobiliteitsvergoeding had bekeken, een stempel onderaan het document heeft geplaatst en een handtekening. [betrokkene 2] heeft dit ontkend en gezegd dat slechts [betrokkene 1] bevoegd is tot ondertekening van dergelijke documenten. Echter, [betrokkene 2] heeft ter zitting eveneens verklaard dat [betrokkene 1] hem soms machtigt om documenten te ondertekenen. Op basis van de uiterlijke kenmerken van de diverse handschriften en de handtekeningen in combinatie met de verklaringen en gedragingen van werkneemster, [betrokkene 2] en [betrokkene 1] tijdens de zitting heeft de kantonrechter de overtuiging dat [betrokkene 2] (waarschijnlijk buiten medeweten van [betrokkene 1] ) de arbeidsovereenkomst van 11 juli 2019 heeft ondertekend.

5.9.

In dit verband is nog relevant dat de reden voor de ondertekening van de (aanvullende) overeenkomst was om de arbeidsovereenkomst uit te breiden met een mobiliteitsvergoeding van € 250,00 netto per maand, die in de arbeidsovereenkomst van 3 juni 2019 niet was opgenomen. Werkneemster heeft ter zitting onbestreden gesteld dat zij deze mobiliteitsvergoeding is overeengekomen omdat zij een gezinsleaseauto wilde aanschaffen en dat alleen kon bekostigen met deze (aanvullende) mobiliteitsvergoeding. Werkneemster heeft ter zitting verklaard dat zij nimmer een langlopende leaseovereenkomst voor een auto zou zijn aangegaan zonder de mobiliteitsvergoeding en een garantie dat die mobiliteitsvergoeding gedurende de leaseperiode zou worden betaald. Uit de door haar in het geding gebrachte stukken blijkt ook dat werkneemster op 15 juli 2019 een private lease contract heeft gesloten voor een looptijd van 60 maanden.

5.10.

In het licht van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat voldoende vaststaat dat geen sprake van een door werkneemster vervalst document. De arbeidsovereenkomst van 11 juli 2019 geldt derhalve tussen partijen, zodat de verzochte mobiliteitsvergoeding zal worden toegewezen.

5.11.

Bij het verzoek tot wedertewerkstelling heeft werkneemster geen belang meer zoals hierna zal blijken, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.

Het (voorwaardelijke) tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

5.12.

Aangezien het ontslag op staande voet wordt vernietigd heeft dit tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst voortduurt en daarmee wordt voldaan aan de voorwaarde van het door werkgever ingediende ontbindingsverzoek. De kantonrechter zal overgaan tot behandeling van dit verzoek.

5.13.

De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een opzegverbod, omdat de werkneemster ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid wegens ziekte. Dit opzegverbod staat gezien artikel 7:671b lid 6 BW echter niet in de weg aan ontbinding, omdat het verzoek geen verband houdt met de ziekte van de werkneemster. Het verzoek staat los van de ongeschiktheid wegens ziekte.

5.14.

Na schorsing van de zitting hebben partijen verklaard “in ieder geval uit elkaar” te willen. De voorwaarden waaronder zij tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst wensen te komen zijn de kantonrechter niet bekend aangezien partijen uiteindelijk niet tot een schikking zijn gekomen. Indachtig de verklaring van partijen ter zitting dat de arbeidsovereenkomst dient te eindigen, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst beëindigen op grond van een verstoorde arbeidsverhouding. Gelet op de huidige standpunten van partijen is sprake van een redelijke grond voor ontbinding als bedoeld in artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g, BW, en is er geen mogelijkheid tot herplaatsing van werkneemster.

5.15.

Dit betekent dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal worden toegewezen. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 7:671b lid 8 sub a juncto artikel 7:672 lid 2 BW, wordt de einddatum bepaald op 1 maart 2020.

5.16.

Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat een werkgever aan een werknemer een transitievergoeding verschuldigd is indien de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en, zoals in casu het geval, door de werkgever is opgezegd. Aangezien de arbeidsovereenkomst van de werkneemster minder dan 24 maanden heeft geduurd, kan zij geen aanspraak maken op de transitievergoeding.

Het subsidiaire verzoek om een billijke vergoeding

5.17.

Werkneemster verzoekt subsidiair om een billijke vergoeding. Nu het primaire verzoek is toegewezen, komt de kantonrechter niet toe aan toewijzing van dit subsidiaire verzoek. Overigens stelt werkneemster de billijke vergoeding op het totaalbedrag van de verschuldigde leasetermijnen, maar voor een vergoeding van die kosten door werkgever is geen aanleiding nu werkneemster er zelf voor heeft gekozen om de private lease overeenkomst op eigen naam te sluiten en zij na beëindiging van de arbeidsovereenkomst zelf gebruik blijft maken van de leaseauto. Werkneemster krijgt, volgens de afspraak die zij voorafgaand aan het sluiten van de private lease overeenkomst met werkgever heeft gemaakt voor de periode dat zij in dienst is geweest de mobiliteitsvergoeding.

De proceskosten

5.18.

Gelet op de uitkomst van de zaak, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

vernietigt het ontslag op staande voet;

6.2.

ontbindt de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2020;

6.3.

veroordeelt werkgever tot betaling aan werkneemster van € 1.950,00 aan nettoloon en emolumenten waaronder de mobiliteitsvergoeding van € 250,00 netto per maand en 8% vakantietoeslag van 1 september 2019 tot 1 februari 2020, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW met een maximum van 10% en te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 september 2019 tot aan de dag van volledige betaling;

6.4.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.5.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mr. J.L.M. Luiten, kantonrechter en op 30 januari 2020 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter