Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:2056

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-03-2020
Datum publicatie
24-03-2020
Zaaknummer
nl20.2043
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel, Afghanistan. alleenstaande vrouw, gehuwd, ongeloofwaardig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.2043

V-nummer: [nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiseres

(gemachtigde: mr. R. Bom),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Jansen).


Procesverloop
Bij besluit van 22 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen D. Madjlessi. Tevens was de echtgenoot van eiseres, [naam 2] , aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is van Afghaanse nationaliteit en geboren op [geboortedatum] . Zij is op 12 augustus 2018 Nederland ingereisd, heeft zich vervolgens op 30 september 2018 gemeld bij het aanmeldcentrum in Ter Apel, waarna zij op 1 oktober 2018 haar asielaanvraag heeft ingediend.

2. Voorafgaand aan deze asielaanvraag heeft eiseres op 21 juni 2016 een visum voor kort verblijf aangevraagd om haar echtgenoot in Nederland, met wie zij op 20 februari 2014 is gehuwd, te kunnen bezoeken. Deze aanvraag is afgewezen. Het bezwaar daartegen is kennelijk ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 23 maart 20171 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, het beroep daartegen ongegrond verklaard.

3. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij in Afghanistan bij haar zus en zwager inwoonde. Haar zwager werkte voor een mensenrechtenorganisatie.

Vanwege problemen die haar zwager daardoor ondervond, is eiseres met hen naar de plaats [plaats 1] verhuisd. Zij stelt aldaar, toen ze voor het eerst naar buiten ging, te zijn aangesproken door een ex-commandant. Volgens eiseres is zij in de periode daarna door hem achtervolgd, lastiggevallen en bedreigd. Bovendien zou hij hebben geprobeerd om haar te ontvoeren.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw2, afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder volgt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres, maar acht de problemen met de ex-commandant niet geloofwaardig. Verder kan eiseres niet worden aangemerkt als een alleenstaande vrouw in de zin van verweerders beleid3. Van strijd met artikel 8 van het EVRM4 is geen sprake. Hoewel er sprake is van gezinsleven tussen eiseres en haar echtgenoot, valt de belangenafweging in het nadeel van eiseres uit.

Tot slot is er geen aanleiding om aan eiseres uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van de Vw, aldus verweerder.

5. Op wat eiseres daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

De geloofwaardigheid van het relaas

6. Verweerder heeft in het voornemen en het bestreden besluit uitgebreid gemotiveerd waarom het relaas van eiseres als ongeloofwaardig is aangemerkt. De enkele stelling van eiseres in beroep dat zij duidelijk heeft verklaard dat de ex-commandant en diens aanhangers altijd op straat rondzwierven en het voor haar onmogelijk was om het huis te verlaten zonder opgemerkt te worden, is niet afdoende. Niet valt in te zien dat eiseres geen andere route kon nemen en andere voorzorgsmaatregelen kon treffen zoals het dragen van een boerka, zoals verweerder in het voornemen heeft gesteld.

7. Gelet op de korte duur van haar verblijf (20 dagen) in [plaats 1] kan van eiseres worden verlangd dat zij preciezer vertelt hoe vaak zij is lastiggevallen. Verder heeft verweerder eiseres terecht verweten dat zij weinig informatie kan verschaffen over de ex-commandant. Zo weet eiseres niet wat zijn echte naam is. Nu eiseres tevens heeft verklaard dat haar huisbaas de ex-commandant kende, stelt verweerder terecht dat eiseres op vrij eenvoudige wijze meer informatie over de ex-commandant had kunnen vergaren.

8. Ook ten aanzien van de poging tot ontvoering heeft eiseres in beroep slechts gesteld dat de feiten duidelijk zijn. Deze reactie is niet toereikend. Eiseres heeft immers verklaard dat de ex-commandant haar op klaarlichte dag probeerde te ontvoeren en dat zij daaraan wist te ontkomen door heel hard te schreeuwen, waardoor de ex-commandant eiseres uit vrees voor zijn reputatie heeft laten gaan. Verweerder stelt niet ten onrechte dat het vreemd is dat een machtig persoon als de ex-commandant zich hierdoor van een ontvoering zou laten weerhouden. Ook stelt verweerder terecht dat deze verklaring op gespannen voet staat met het feit dat de ex-commandant, volgens eiseres, nog diezelfde avond een inval heeft gedaan in de woning van eiseres. Daardoor zouden immers zowel de andere bewoners als de huisbaas op de hoogte raken van de kwade bedoelingen van de ex-commandant, waardoor diens reputatie alsnog zou worden geschaad.

9. Ook de verklaring van eiseres voor het feit dat de kelder waarin zij zich bevond bij de inval niet werd doorzocht - de huisbaas en de ex-commandant kenden elkaar - is niet afdoende. Verweerder heeft in de motivering terecht gewezen op de bedoeling van de ex-commandant om eiseres op te halen en op haar eigen verklaring dat het in Afghanistan gebruikelijk is dat veel mensen de kelder gebruiken om te schuilen voor de invallen van de Taliban.

10. Tot slot heeft verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas relevant kunnen achten dat eiseres zich niet onverwijld heeft gemeld om een asielaanvraag in te dienen. Eiseres is volgens haar verklaring op 12 augustus 2018 in Nederland aangekomen en heeft zich pas op 30 september 2018 bij het aanmeldcentrum in Ter Apel gemeld. Dat eiseres zich vanwege bloedingen niet eerder kon melden, is niet aannemelijk geworden. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat deze omstandigheid op voorhand afbreuk doet aan de gestelde vrees en de noodzaak tot bescherming.

Het beroep op het beleid voor alleenstaande vrouwen

11. De rechtbank onderschrijft voorts verweerders standpunt dat eiseres geen beroep kan doen op het door verweerder gevoerde beleid voor alleenstaande vrouwen in Afghanistan. Verweerder heeft er in dat verband terecht op gewezen dat eiseres niet als alleenstaand in de zin van dat beleid kan worden aangemerkt, omdat zij volgens haar eigen verklaring tot kort voor haar vertrek uit Afghanistan bij haar zus en zwager heeft gewoond, terwijl niet aannemelijk is dat zij voor opvang en bescherming niet op hen terug kan vallen. Weliswaar stelt eiseres dat zij niet bij haar zus en zwager terecht kan omdat zij in hun woonplaats [plaats 2] zijn ondergedoken wegens problemen met de Taliban, maar nu eiseres heeft nagelaten deze stelling te onderbouwen, heeft verweerder daaraan geen betekenis hoeven toe te kennen.

Uitstel van vertrek

12. De rechtbank is tot slot van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw. Niet is gebleken dat eiseres door haar gezondheidstoestand niet kan reizen. De brief van de huisarts van 30 januari 2020, waarin eiseres naar de GGZ wordt doorverwezen wegens het vermoeden van een angststoornis, maakt dit niet anders.

Conclusie

13. Nu verweerder eiseres, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, terecht verwijt dat zij zich niet onverwijld heeft gemeld om een asielaanvraag in te dienen, is de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

14. Het beroep is ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Loonstra-Hoekstra, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Kenmerk AWB 16/28610

2 Vreemdelingenwet 2000

3 Neergelegd in paragraaf C7/2.4.5. van de Vreemdelingencirculaire 2000

4 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden