Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:1929

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
06-03-2020
Zaaknummer
AWB 20/1596
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

spoedvovo; bezwaar weigering aanvraag verblijf bij Nederlandse partner. Roemeense nationaliteit van verzoeker en Nederlandse nationaliteit van referent staan niet in de weg aan toepasselijkheid van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Openbare orde-criterium.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/1596

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 maart 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker,

V-nummer: [nummer]

gemachtigde: mr. T.R. Hüpscher,

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. H.J. Toonders.

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf als familie- of gezinslid bij [naam referent] ” (referent) afgewezen.

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat op het bezwaar is beslist.

Op 28 februari 2020 heeft verweerder schriftelijk gereageerd. Vervolgens hebben partijen over en weer op elkaars (nadere) standpunten gereageerd, waarna de voorzieningenrechter het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. De voorzieningen-rechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken nu de uitzetting van verzoeker staat gepland op 5 maart 2020.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen om redenen van openbare orde. Hij heeft daartoe het nationale beoordelingskader van artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), gelezen in samenhang met artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw) gehanteerd. Volgens dat beoordelingskader kan de aanvraag worden afgewezen wegens ‘een gevaar voor de openbare orde’ indien de desbetreffende vreemdeling wegens een misdrijf is veroordeeld tot een taakstraf of een onvoorwaardelijke geldboete. Volgens verweerder voldoet eiser aan deze maatstaf omdat hij op 13 mei 2019 een misdrijf (mishandeling) heeft gepleegd in Rotterdam, waarvoor hij is veroordeeld tot 120 uren taakstraf en subsidiair 60 dagen hechtenis.

Artikel 3.77, vierde lid van het Vb verplicht verweerder tot een belangenafweging in het geval van weigering op grond van openbare orde. In geval de aanvraag verband houdt met verblijf als familie- of gezinslid houdt verweerder bij de toepassing van artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder c van het Vb ten minste rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de vreemdeling en de duur van zijn verblijf, alsmede het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met het land van herkomst. Van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 3.77, vierde lid, van het Vb die nopen tot het niet tegenwerpen van het gepleegde misdrijf is volgens verweerder geen sprake.

3. Verzoeker voert aan dat 95% van de keren dat hij in contact is geweest met de politie gevallen van overlast, verward gedrag en zwerven zijn geweest. Verweerder had dit moeten betrekken in het kader van de proportionaliteitstoets en het Unierechtelijk even-redigheidsbeginsel. De vereiste toets heeft in het geheel niet plaatsgevonden. Volgens verzoeker is er ook geen eenduidig (Europees) openbare orde-begrip is en dient de even-redigheidstoets zijn voordeel uit te vallen. Dit betoog slaagt niet.

3.1

Verzoeker heeft de Roemeense nationaliteit en wenst in Nederland te kunnen verblijven als familie- of gezinslid van referent. Referent heeft de Nederlandse nationaliteit. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staan het EU-burgerschap van verzoeker en het Nederlanderschap van referent de toepasselijkheid van de Gezinsherenigingsrichtlijn niet in de weg. In de artikelen 3.13 tot en met 3.22a van het Vb is bepaald aan welke vreemdelingen en onder welke vereisten een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor gezinshereniging wordt of kan worden verleend. Op grond van artikel 3.20 van het Vb wordt een verblijfsvergunning bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, verleend, indien de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. De artikelen 3.77 en 3.78 van het Vb zijn van toepassing aldus deze bepaling. De artikelen 3.20, 3.77 en 3.78 van het Vb vormen een omzetting van artikel 6, eerste lid van de Gezinsherenigingsrichtlijn (Besluit van 29 september 2004, Stb. 2004, 496). Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 december 2014 in zaak nr. 201400027/1/V3, ECLI:NL:RVS:2014:4650, volgt dat, indien de Nederlandse wet- en regelgeving geen onderscheid maakt tussen enerzijds een zuiver interne situatie waarin de feiten van het hoofdgeding buiten de werkingssfeer van het Unierecht vallen en anderzijds een door het Unierecht beheerste situatie, deze situaties in zoverre gelijk worden behandeld dat de desbetreffende Unierechtelijke bepalingen rechtstreeks en onvoorwaardelijk van toepassing zijn op de interne situatie (zie voormeld arrest van 17 juli 1997 en het arrest van het Hof van 7 november 2013, C-313/12, Guiseppe Romeo, ECLI:EU:C:2013:718).

3.2

Het Europese Hof van Justitie (HvJ) heeft op 12 december 2019 in de zaak G.S. en V.G (C-381/18 en C-382/18) geoordeeld, voor zover hier van belang, dat artikel 6, leden 1 en 2 van richtlijn 2003/86 (Gezinsherenigingsrichtlijn) aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale praktijk volgens welke de bevoegde autoriteiten om redenen van openbare orde een verzoek om toegang en verblijf kunnen afwijzen op grond van een strafrechtelijke veroordeling die is uitgesproken tijdens een eerder verblijf op het grondgebied van de desbetreffende lidstaat, voor zover deze praktijk alleen van toepassing is indien de inbreuk die de betrokken strafrechtelijke veroordeling rechtvaardigt voldoende ernstig van aard is om vast te stellen dat het noodzakelijk is het verblijf van deze aanvrager uit te sluiten en deze autoriteiten de in artikel 17 van dezelfde richtlijn bedoelde individuele beoordeling uitvoeren.

Artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn verplicht de lidstaten om in het geval van afwijzing van een verzoek, intrekking of niet-verlenging van een verblijfstitel, alsmede in geval van een verwijderingsmaatregel tegen de gezinshereniger of leden van diens gezin terdege rekening te houden met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokken persoon en met de duur van zijn verblijf in de lidstaat, alsmede met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst.

3.3

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de mishandeling, waarvoor verzoeker op 13 mei 2019 is veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, voldoende ernstig van aard om vast te stellen dat het noodzakelijk is het verblijf van verzoeker uit te sluiten. Voor zover verzoeker betoogt dat verweerder de in artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn bedoelde belangenafweging ten onrechte niet heeft toegepast, volgt de voorzieningenrechter hem hierin niet. De in artikel 3.77, vierde lid van het Vb genoemde belangenafweging vormt een implementatie van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de aard en hechtheid van de gezinsband van verzoeker en de duur van zijn verblijf en het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met het land van herkomst kenbaar in de belangenafweging betrokken.

3.4

Het betoog van verzoeker dat verweerder ten onrechte niet in de belangenafweging heeft betrokken dat zijn contacten met politie en justitie grotendeels veroorzaakt zijn door zijn geestesstoornis, volgt de voorzieningenrechter niet, al omdat verzoeker dit betoog niet met objectieve gegevens heeft onderbouwd. Voor zover hij betoogt dat hij als Unieburger (langer dan drie maanden) rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad, volgt de voorzieningenrechter verzoeker hierin ook niet. Terecht stelt verweerder dat hij bij besluit van 30 juli 2019 heeft vastgesteld dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden voor een rechtmatig verblijf langer dan drie maanden, dat het door verzoeker tegen deze beslissing gemaakte bezwaar bij besluit van 6 januari 2020 ongegrond is verklaard en dat verzoeker tegen deze beslissing geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Verzoeker onderbouwt niet dat hij desondanks langer dan drie maanden rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Dat verzoeker, naar hij stelt, geen huis, familie of werk heeft in Roemenië, heeft verweerder bij gebreke van een onderbouwing niet aannemelijk hoeven achten. Bovendien volgt daaruit nog niet dat hij zich daar niet staande zal kunnen houden. Terecht stelt verweerder dat, voor zover verzoeker betoogt dat zijn banden met Roemenië minder sterk zijn dan die met Nederland, hij hierin niet kan worden gevolgd. Verzoeker heeft veel langer in Roemenië gewoond dan in Nederland, hij heeft de Roemeense nationaliteit, hij spreekt de taal en is bekend met de cultuur en gebruiken in Roemenië. Ook stelt verweerder niet ten onrechte dat verzoeker in Nederland nooit heeft gewerkt en dat hij overlast heeft veroorzaakt, wat zijn banden met Nederland minder sterk maakt. Dat verzoeker op 31 januari 2020 een samenlevingsovereenkomst met referent en een testament en levenstestament ten gunste van laatstgenoemde heeft ondertekend, heeft verweerder kenbaar bij de beoordeling betrokken. De voorzieningenrechter acht het standpunt van verweerder hierover, als weergegeven op pagina 3, eerste alinea, van het bestreden besluit voldoende gemotiveerd.

5. Verzoekers betoog dat de relatie met zijn Nederlandse partner is ontstaan tijdens legaal verblijf en dat dit zwaar weegt in het kader van de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM, slaagt niet. Verzoeker onderbouwt niet (met stukken) wanneer precies de relatie is ontstaan en geïntensiveerd, terwijl hiervoor al is overwogen dat onherroepelijk vaststaat dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden voor een rechtmatig verblijf van langer dan drie maanden.

6. Verzoeker voert aan dat verweerder op 20 februari 2020 ten onrechte de rechtsmiddelenclausule van het bestreden besluit heeft aangepast. Het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel zijn geschonden doordat verweerder simpelweg stelt dat een en ander op een vergissing berust, zonder dit daadwerkelijk toe te lichten. Ook daarom moet het belang van verzoeker om niet uitgezet te worden zwaarder wegen. Dit betoog slaagt niet.

6.1

Volgens de aanvulling van 25 februari 2020 heeft verweerder in het bestreden besluit abusievelijk vermeld dat verzoeker zijn bezwaar in Nederland mag afwachten. Verweerder heeft daarbij ter toelichting verwezen naar het beleid zoals opgenomen paragraaf B1/7.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Dat verweerder zijn correctie op het bestreden besluit niet heeft toegelicht volgt de voorzieningenrechter dan ook niet. Ook stelt verweerder niet ten onrechte dat de gemachtigde mag worden verondersteld bekend te zijn met het beleid van verweerder. Verzoekers beroep op het vertrouwensbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel kan in zoverre niet slagen. Gelet op het voorgaande valt de belangenafweging ook in dit opzicht niet in het voordeel van verzoeker uit.

7. Verzoekers betoog dat in het zuiden van Roemenië nu ook melding is gemaakt van een besmetting met het Corona-virus, treft geen doel. Verzoeker heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat een uitzetting in zijn geval tot ernstige en onomkeerbare gevolgen zal leiden.

8. Gelet op voorgaande overwegingen is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bezwaar bij de huidige stand van zaken geen redelijke kans van slagen heeft. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Bouter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Eertink, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 4 maart 2020.

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.