Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:1880

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-02-2020
Datum publicatie
19-03-2020
Zaaknummer
C/09/586929
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, rechtsmacht, toepasselijk recht en relatieve bevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaknummer: C/09/586929 / JE RK 20-128

Datum uitspraak: 10 februari 2020

Beschikking van de kinderrechter

Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

in de zaak van

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Haaglanden, locatie Den Haag, hierna te noemen: de Raad,

betreffende

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] , Italië,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een voor de rechtbank onbekende woon- of verblijfsplaats in Italië,

[de man] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats] .

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoek met bijlagen van de Raad van 13 januari 2020.

Op 10 februari 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Verschenen zijn:
- een [vertegenwoordiger van de raad] ;
- een [vertegenwoordiger van de GI] .

Opgeroepen en niet verschenen zijn:
- de moeder;
- de vader.

[minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

De feiten

Voor zover de kinderrechter dat uit de beschikbare stukken kan afleiden, wordt het ouderlijk gezag over [minderjarige] uitgeoefend door beide ouders.

[minderjarige] woont in een logeerhuis van Stichting Jeugdformaat.

Het verzoek

De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van twaalf maanden en de uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van zes maanden in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De beoordeling

Rechtsmacht

Allereerst dient beoordeeld te worden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het verzoekschrift van de Raad. Aangezien de moeder de Braziliaanse nationaliteit heeft en in Italië verblijft en de vader en [minderjarige] - die in Nederland verblijven - de Italiaanse nationaliteit hebben , heeft de zaak internationaalrechtelijke aspecten.

Op grond van artikel 8 van de EG-Verordening 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel IIbis) is de rechtbank van de EU-lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, bevoegd in zaken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid. De gewone verblijfplaats van [minderjarige] is gelegen in Nederland en dus heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht.

Toepasselijk recht

Bij de bepaling van het toepasselijke recht voor een zaak die betrekking heeft op ouderlijke verantwoordelijkheid moet gekeken worden naar het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996. Op grond van artikel 15 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 past de Nederlandse rechter, wanneer hij bevoegd is om over de zaak te oordelen, het Nederlandse recht toe.

Relatieve bevoegdheid

Wat betreft de relatieve bevoegdheid is op grond van artikel 265 Rechtsvordering (Rv) de rechter bevoegd van de woonplaats van de minderjarige. De minderjarige volgt de woonplaats van diegene die het gezag over hem uitoefent; de zogeheten afgeleide woonplaats. Nu de kinderrechter in deze zaak uitgaat van gezamenlijk gezag van de ouders en zij op een verschillend adres wonen, volgt de minderjarige de woonplaats van de ouder bij wie zij feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven. [minderjarige] heeft laatstelijk verbleven bij de vader in [woonplaats] . In beginsel is op basis hiervan de rechtbank Noord-Holland relatief bevoegd. Op grond van artikel 270 lid 1 Rv zou de kinderrechter in deze rechtbank de zaak normaliter verwijzen naar die rechtbank in de stand waarin deze zich bevindt. Echter, verwijzing als bedoeld in dit lid vindt niet plaats indien de verzoeker en de opgeroepen belanghebbenden hebben aangegeven dat zij geen verwijzing wensen. In deze zaak heeft de Raad aangegeven geen verwijzing te wensen. De vader en de moeder zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen en hebben ook anderszins niet aangegeven verwijzing te wensen. De kinderrechter in deze rechtbank acht zich derhalve relatief bevoegd in deze zaak en zal overgaan tot een inhoudelijke behandeling van het verzoek.

Inhoudelijke beoordeling

Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook is de kinderrechter van oordeel dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding en onderzoek van haar geestelijke toestand, zoals genoemd in artikel 1:265b (BW).

De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige] zijn gelegen in het volgende. [minderjarige] is een vijftienjarig meisje met een belast verleden. Zij heeft op veel verschillende plekken gewoond, namelijk (opeenvolgend) bij haar ouders gezamenlijk, haar tante in Brazilië, een kindertehuis in Brazilië, haar oma in Brazilië, haar vader in Nederland, haar moeder in Italië en wederom bij haar vader in Nederland. Op dit moment verblijft zij op vrijwillige basis in een logeerhuis, omdat de situatie bij de vader onhoudbaar was. De vader wil en kan niet meer voor [minderjarige] zorgen. De ouders van [minderjarige] zijn op dit moment onvoldoende betrokken in haar leven, zowel fysiek als emotioneel.

Er zijn ernstige zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] en haar persoonlijkheidsontwikkeling. De ouders en [minderjarige] hebben verschillende (zorgelijke) verhalen over traumatiserende gebeurtenissen die [minderjarige] in Brazilië heeft meegemaakt. Het is onduidelijk wat daarvan precies waar is, maar het is hoe dan ook zorgelijk. [minderjarige] vertoont gedragsproblematiek, onder andere in de vorm van opstandigheid en agressiviteit. [minderjarige] heeft daarnaast moeite met emotieregulatie. Voorts vertoont zij seksueel wervend gedrag en heeft zij een suïcidepoging gedaan. Er zijn tevens zorgen om haar cognitieve ontwikkeling, omdat [minderjarige] door de taalbarrière en haar emotieregulatieproblematiek op school onvoldoende komt tot leren.

De ouders zijn van mening dat [minderjarige] op korte termijn terug moet naar de moeder in Italië. [minderjarige] wil momenteel echter niet bij de vader of de moeder verblijven. De kinderrechter is het bovendien met de Raad eens dat het noodzakelijk is om eerst te onderzoeken wat de leefomstandigheden van de moeder zijn, die naar alle waarschijnlijkheid illegaal in Italië verblijft, en of een terugkeer naar Italië in het algemeen in het belang is van [minderjarige] . Tot nu toe heeft de moeder aan een dergelijk onderzoek niet meegewerkt, om welke reden de Raad de centrale autoriteiten in Italië heeft ingeschakeld.

Om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen dient op korte termijn hulpverlening te worden ingezet. De geestelijke toestand van [minderjarige] dient nader te worden onderzocht door middel van diagnostiek, waarna een behandeling kan worden ingezet. Ook dient duidelijkheid te komen over de mogelijkheden van contactherstel met de ouders, wat voor rol zij in haar leven kunnen spelen en wat daar voor nodig is. Voorts dient het perspectief van [minderjarige] duidelijk te worden. Tevens dient er op korte termijn een passendere woonplek te worden gezocht, nu het logeerhuis van Stichting Jeugdformaat onvoldoende aansluit op de behoeften van [minderjarige] .

De ouders zijn tot nu toe onvoldoende bereid en in staat gebleken om het voorgaande onder eigen verantwoordelijkheid in het vrijwillig hulpverleningskader en gedurende een verblijf van [minderjarige] bij één van de hen te bewerkstelligen. De kinderrechter zal daarom [minderjarige] onder toezicht stellen voor de duur van twaalf maanden, zodat een jeugdbeschermer de hulpverlening kan coördineren en monitoren. Ook zal de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor de duur van zes maanden, zodat het verblijf van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder totdat er meer duidelijk is, de komende periode is gewaarborgd.

De beslissing

De kinderrechter:

stelt [minderjarige] onder toezicht van Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van

10 februari 2020 tot 10 februari 2021;

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 10 februari 2020 tot 10 augustus 2020;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2020 door mr. D.G.J. Dop, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Westerhof als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 5 maart 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.