Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:1858

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-02-2020
Datum publicatie
09-03-2020
Zaaknummer
C/09/585645 / KG ZA 19/1242
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2021:341, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Erkenning en tenuitvoelegging Engelse gevangenisstraf in Nederland o.g.v. de WETS. Anders dan eiser stelt is bij de omzetting van de straf naar het Nederlands strafmaximum niet uitgegaan van een onjuiste kwalificatie van de bewezenverklaarde feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/585645 / KG ZA 19/1242

Vonnis in kort geding van 13 februari 2020

in de zaak van

[eiser], verblijvende in de Penitentiaire Inrichting in [plaats],

eiser,

advocaten mrs. T. de Boer en F.T.C. Dölle te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden (het ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de akte overlegging aanvullende producties tevens houdende een wijziging van eis;

- de door de Staat overgelegde producties;

- de op 30 januari 2020 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] is op 30 maart 2012 in het Verenigd Koninkrijk aangehouden.

2.2.

Op 1 maart 2013 is [eiser] door de Crown Court te Ipswich (Verenigd Koninkrijk) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaar voor:

 Conspiracy to Fraudulently Evade a Prohibition on the Importation of a Class A Drug, Contrary to section 170(2) of the Customs and Excise Management Act 1979;

 Conspiracy to Fraudulently Evade a Prohibition on the Importation of a Class A Drug, Contrary to section 170(2) of the Customs and Excise Management Act 1979.

2.3.

De autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk hebben de Nederlandse autoriteiten op 7 oktober 2016 gevraagd om erkenning en tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf. Dit verzoek is gegrond op het Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (hierna: het Kaderbesluit). Het Kaderbesluit is in Nederland geïmplementeerd in de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (hierna: ‘WETS’)

2.4.

Op grond van artikel 2:11 lid 3 en 4 van de WETS heeft (de bijzondere kamer bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie van) het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: ‘het gerechtshof’) beoordeeld of (i) er gronden zijn de erkenning te weigeren, (ii) de ten uitvoer te leggen vrijheidsbenemende sanctie is opgelegd voor een feit dat ook naar Nederlands recht strafbaar is en zo ja, welk strafbaar feit dit oplevert en (iii) de vrijheidsbenemende sanctie moet worden verlaagd naar het naar Nederlands recht voor het betreffende feit toepasselijke strafmaximum. Bij oordeel van 22 december 2016 heeft het gerechtshof als volgt overwogen:

“(…)

Aan veroordeelde is bovenvermelde vrijheidsbenemende straf opgelegd wegens – kort gezegd – het medeplegen van de invoer van heroïne, cocaïne, MDMA, amfetamine en cannabis, meermalen gepleegd.

De feiten leveren naar Nederlands recht op, indien in Nederland gepleegd, het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, alsmede het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van dit middel, meermalen gepleegd.

Het strafmaximum naar Nederlands recht is zestien jaren. Er is hier immers sprake van meerdaadse samenloop zoals bedoeld in artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 sub A juncto artikel 10, vijfde lid van de Opiumwet alsmede op artikel 3 onder A jo. artikel 11, vierde en vijfde lid van de Opiumwet, alsmede de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

(…)

Het hof stelt vast dat de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf van tweeëntwintig jaar van langere duur is dan het voor het desbetreffende feit naar Nederlands recht toepasselijke strafmaximum, immers uitgaande boven het strafmaximum van zestien jaar, zoals volgt uit artikelen 2 sub A juncto artikel 10, vijfde lid van de Opiumwet alsmede artikel 3 onder A jo. artikel 11, vierde en vijfde lid van de Opiumwet, alsmede de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof zal daarom de duur van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf aanpassen aan het Nederlands wettelijk maximum.

(…)”

Het gerechtshof heeft vervolgens – voor zover nu relevant – geoordeeld dat er geen gronden zijn om de erkenning van de uitspraak te weigeren en dat de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf wordt aangepast tot zestien jaren.

2.5.

Bij brief van 30 december 2016 is namens de minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de minister) aan de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk bericht dat de minister instemt met overbrenging van [eiser] naar Nederland en dat de opgelegde gevangenisstraf dan wordt aangepast tot zestien jaar.

2.6.

Op 6 maart 2017 heeft de minister beslist dat de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf met aanpassing van die straf tot de duur van zestien jaar wordt erkend, met inachtneming van de in het Verenigd Koninkrijk geldende regeling voor voorwaardelijke invrijheidstelling (waardoor [eiser] op 6 juli 2022 in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling).

2.7.

Bij brief van 14 mei 2019 heeft [eiser] het gerechtshof gevraagd het oordeel van 22 december 2016 te herzien en de gevangenisstraf te verminderen tot primair zes jaar en subsidiair acht jaar. [eiser] heeft daartoe aangevoerd dat het gerechtshof ten onrechte heeft geoordeeld dat de feiten waarvoor hij in het Verenigd Koninkrijk is veroordeeld naar Nederlands recht het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, alsmede het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van dit middel, meermalen gepleegd, opleveren. Volgens [eiser] is de Nederlandse evenknie van de feiten waarvoor hij is veroordeeld artikel 11b Opiumwet (deelneming aan een organisatie die het plegen van een aantal misdrijven uit de Opiumwet strafbaar stelt) of artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr, deelneming aan een organisatie die tot oogmerk het plegen van misdrijven heeft). Feiten waarop maximale gevangenisstraffen van acht en zes jaar staan, dan wel, in geval van meerdaadse samenloop, tien jaar en acht maanden. [eiser] voert aan dat het niet past in het systeem van de WETS om aan de kwalificatie van buitenlandse uitspraken te sleutelen.

2.8.

Bij brief van 28 juni 2019 heeft de minister aan [eiser] laten weten dat hij heeft ingestemd met een herbeoordeling door het gerechtshof van het eerder gegeven oordeel en dat de herbeoordeling van het gerechtshof luidt:

“De verdediging stelt zich – kort gezegd en zakelijk weergegeven – op het standpunt dat het gronddelict waarvoor de veroordeelde is veroordeeld deelneming aan een criminele organisatie betreft, en niet het invoeren van verdovende middelen, zodat het Gerechtshof de feiten zoals vastgesteld in het Britse vonnis had moeten kwalificeren onder artikel 11b van de Opiumwet, dan wel artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht en de straf had moeten verminderen tot zes jaren, subsidiair acht jaren, meer subsidiair tien jaren en acht maanden.

In de WETS-procedure dient het hof in het kader van de beoordeling van de dubbele strafbaarheid te beoordelen welke strafbare feiten de concrete vastgestelde feiten naar Nederlands recht op zouden leveren. Dit betekent dat de juridische kwalificatie van de feiten door het hof in sommige gevallen kan afwijken van de juridische kwalificatie van de feiten door de buitenlandse rechter.

Blijkens de indictments is aan de veroordeelde meerdere malen ‘Conspiracy to evade the prohibition on the importation of controlled drugs’ tenlastegelegd, en uit de sentencing remarks blijkt dat de veroordeelde en zijn mededaders betrokken waren bij een omvangrijke internationale drugssmokkel. De veroordeelde had hierbij een significante rol. Uit de door de Britse autoriteiten aangeleverde sentencing remarks blijkt het volgende:

“…This case involves a conspiracy to import into the United Kingdom a massive quantity of class A and class B drugs. During the period of conspiracy, class A drug imported into the United Kingdom came to a staggering total of 203 kilogrammes, with an estimated street value of over £27.5 million. And class B drug imported into the United Kingdom came to a

total of over 233 kilogrammes, with an estimated street value of over £12 million. The combined street value of class A and class B drugs comes to over £14 million. Total of class A drugs imported consisted of heroin, over 124 kilogrammes, cocaine over 78 kilogrammes, and MDMA, over 1 kilogramme. Class B drug consisted of amphetamine, over 115 kilogrammes, cannabis resin, over 101 kilogrammes, and cannabis, over 16 kilogrammes....

In this overarching conspiracy, all three of you took part in bringing vast quantities of controlled drugs from the continent to the United Kingdom, by driving them from the continent to the port of entry in the United Kingdom.(...) During the 7 month period of the conspiracy, five separate loads of controlled drugs were brought into the United Kingdom, concealed with legitimate loads, four of which were intercepted by United Kingdom Borders Agency at the point of entry, and one(?), that is the importation of heroin by you, [eiser], on the 27th March 2012, when by inference, one can say that the bulk of the bad was unloaded to the intended recipients before the legitimate load reached Lotan, a long-established factory that makes takeaway containers. In this legitimate load of polypropylene, the residue of heroin was detected and the amount of heroin found was over 5 kilogrammes...

[eiser], in determining culpability, in my judgment you too played a significant role, although, as I said in the case of your co-defendant, there is some overlapping between the significant and the lesser role, but on balance, in my judgment, you played a significant role. You too were involved in two importations in a period of less than a week. You too were a highly trusted driver, entrusted to bring elicit cargo info the United Kingdom, the street value of which is over £8 million (...). You were convicted by the jury on counts 1 to 6, by a majority verdict....”

Gelet op de door de Britse rechter vastgestelde feiten is het hof van oordeel dat het feit naar Nederlands recht gekwalificeerd dient te worden het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, alsmede het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van dit middel, meermalen gepleegd.

Gelet op de door de Britse rechter vastgestelde feiten ziet het hof geen aanleiding om het eerder gegeven oordeel te herzien.

(…)”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, zakelijk weergegeven:

primair:

a. de Staat te verplichten de beslissing om de straf van [eiser] aan te passen naar zestien jaar te herroepen, dan wel buiten werking te laten, en alsnog de straf te matigen tot zes, subsidiair acht, meer subsidiair tien jaar en acht maanden en de v.i.-datum vast te stellen op 2 april 2016, subsidiair 2 april 2018 en meer subsidiair 2 mei 2019 en [eiser] onmiddellijk in vrijheid te stellen;

subsidiair:

de Staat te verplichten door middel van toepassing van artikel 15 lid 7 Sr te bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling plaatsvindt op 2 april 2016, subsidiair 2 april 2018 en meer subsidiair 2 mei 2019, althans de Staat te verplichten [eiser] onmiddellijk in vrijheid te stellen;

primair en subsidiair:

de Staat te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan [eiser] van € 80,= voor elke dag dat [eiser] langer is gedetineerd dan de straf die hem wordt opgelegd, vermeerderd met wettelijke rente;

indien de voorzieningenrechter besluit voorafgaand aan het oordeel een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: de Staat te verplichten om de detentie van [eiser] in afwachting van het antwoord van het Hof te schorsen;

meer subsidiair:

in geval de voorzieningenrechter geen gevolg geeft aan het gevorderde onder d en van oordeel is dat voor vaststelling van de precieze v.i.-datum conform het gevorderde onder a) en b) – ook na een eventuele uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie nader onderzoek nodig is: de Staat te verplichten om de detentie van [eiser] in afwachting van dat onderzoek te schorsen.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. De Staat heeft onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] door het strafbare feit waarvoor hij in het Verenigd Koninkrijk is veroordeeld onjuist naar Nederlands recht te kwalificeren. De Nederlandse evenknie van “conspiracy to fraudulently evade a prohibition on the importation of a class A and B drug” is artikel 140 Sr (deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven) dan wel artikel 11b Opiumwet (deelneming aan een organisatie die het plegen van een aantal misdrijven uit de Opiumwet tot oogmerk heeft). Op deze feiten staan maximale gevangenisstraffen van zes en acht jaar. Het past niet binnen het systeem van de WETS om aan de kwalificatie van buitenlandse uitspraken te sleutelen, zonder dat de wet hiertoe dwingt. Sinds de invoering van de WETS is de buitenlandse kwalificatie van het in een ander EU-land geconstateerde strafbare feit leidend. Als de straf van [eiser] in Nederland op de juiste wijze was voorgezet, was hij na vier, zes jaar of maximaal zeven jaar (in geval van toepasselijkheid van artikel 57 Sr) voor v.i. in aanmerking gekomen. Dit betekent dat [eiser] dit jaar (voorwaardelijk) in vrijheid gesteld had moeten worden.

3.3.

Het is strijdig met artikel 8 lid 2 en 4 van het (aan de WETS ten grondslag liggende) Kaderbesluit om de Engelse kwalificatie van het bewezenverklaarde feit aan te passen, terwijl de Nederlandse wet een soortgelijke strafbaarstelling kent en [eiser] hierdoor in een nadeliger positie wordt gebracht. Voor zover de voorzieningenrechter oordeelt dat er in dit geval geen sprake is van een acte clair of een acte éclaire, verzoekt [eiser] de voorzieningenrechter een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

3.4.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Ter beoordeling ligt voor of de Staat onrechtmatig jegens [eiser] handelt doordat de minister in lijn met het oordeel van het gerechtshof heeft beslist dat de in het Verenigd Koninkrijk aan [eiser] opgelegde straf naar Nederlands recht zal worden omgezet naar een onvoorwaardelijke straf voor de duur van zestien jaar. Hierbij stelt [eiser] centraal de vraag of bij het bepalen van het stafmaximum naar Nederlands recht het in het Verenigd Koninkrijk bewezen verklaarde feitencomplex of de aldaar aan dat feitencomplex verbonden kwalificatie doorslaggevend is. Volgens [eiser] is dat de in het Verenigd Koninkrijk gegeven kwalificatie van het feitencomplex en hebben de minister en het hof ten onrechte een andere kwalificatie gegeven aan de in het Verenigd Koninkrijk bewezenverklaarde feiten.

4.2.

De Staat heeft er terecht op gewezen dat de minister bij zijn beslissing op grond van artikel 2:12 WETS gebonden is aan de door het gerechtshof op grond van artikel 2:11 lid 3 WETS gegeven beoordeling, waarbij de minister wel de eigen verantwoordelijkheid heeft om te toetsen of het buitenlandse vonnis met flagrante schending van fundamentele rechtsbeginselen (mensenrechten) tot stand is gekomen (Kamerstukken I, 2011-2012, 32885, C, p. 5, 6, 9, 10 en 11). Dat van dit laatste bij de totstandkoming van de beslissing van de Crown Court te Ipswich sprake is geweest, is gesteld noch gebleken.

4.3.

Tegen het oordeel van het gerechtshof staat geen rechtsmiddel open. Bij gebreke van een andere rechtsgang is [eiser] dan ook ontvankelijk in zijn vordering in dit kort geding. Daarbij geldt dat er alleen grond is voor het treffen van een ordemaatregel als de minister door de beslissing van het gerechtshof ten uitvoer te leggen misbruik zou maken van zijn bevoegdheid. De vorderingen van [eiser] moeten dus worden getoetst aan de criteria van een executiegeschil. In het licht hiervan moet in dit kort geding beoordeeld worden of het oordeel van het gerechtshof ten aanzien van de kwalificatie van de bewezenverklaarde feiten berust op een klaarblijkelijke juridische misslag.

4.4.

Ingevolge artikel 2:11 lid 3 onder b van de WETS heeft het gerechtshof allereerst als taak om te beoordelen of de ten uitvoer te leggen vrijheidsbenemende sanctie is opgelegd voor een feit dat ook naar Nederlands recht strafbaar is en zo ja, welk strafbaar feit dit oplevert. Anders dan [eiser] betoogt, komt in het kader van die beoordeling geen doorslaggevende betekenis toe aan de juridische kwalificatie door de Engelse rechter van de door hem bewezenverklaarde feiten. Dit kan niet uit de tekst van die bepaling worden afgeleid en is ook niet een voor de hand liggende uitleg. Immers, voorshands is niet aannemelijk dat elke juridische kwalificatie naar (voor zover hier relevant) Engels recht een Nederlandse evenknie heeft en evenmin is aannemelijk dat een eventuele taalkundig overeenkomstige betekenis in alle gevallen ook materieel een overeenkomstige betekenis heeft. Alleen al gelet hierop ligt de door [eiser] beoogde uitleg van de toepasselijke bepalingen van de WETS niet voor de hand.

4.5.

De verwijzing van [eiser] naar het aan de WETS ten grondslag liggende Kaderbesluit maken het vorenstaande niet anders. In artikel 7 lid 3 van het Kaderbesluit – dat in artikel 2:11 van de WETS is geïmplementeerd – is immers bepaald dat de tenuitvoerleggingsstaat (Nederland) de erkenning van de sanctie afhankelijk kan stellen van de voorwaarde dat de daaraan ten grondslag feiten ook naar het recht van de tenuitvoerleggingstaat een strafbaar feit vormen, ongeacht de bestanddelen of de kwalificatie ervan. Ook dit impliceert dat aan de hand van de in Engeland bewezenverklaarde feiten beoordeeld moet worden welk strafbaar feit dat naar Nederlands recht oplevert en dus niet dat de in Engeland aan die feiten verbonden kwalificatie indien dat mogelijk is letterlijk overgenomen moet worden. Dat dit artikel betrekking heeft op de toets van de dubbele strafbaarheid en dat in artikel 8 lid 2 van het Kaderbesluit is bepaald dat wanneer de duur van de sanctie onverenigbaar is met het recht van de tenuitvoerleggingsstaat kan worden besloten de sanctie aan te passen voor zover deze zwaarder is dan de maximumsanctie die naar het recht van de tenuitvoerleggingsstaat op vergelijkbare feiten is gesteld, leidt niet tot een ander oordeel. Ook uit artikel 8 lid 2 van het Kaderbesluit blijkt niet expliciet dat de tenuitvoerleggingsstaat de in de veroordelende staat aan de bewezenverklaarde feiten gegeven kwalificatie letterlijk moet overnemen en hieruit kan – anders dan [eiser] lijkt te beogen – ook niet worden afgeleid dat de toets van artikel 8 lid 2 van het Kaderbesluit op een andere manier moet plaatsvinden dan de toets van artikel 7 lid 3 van het Kaderbesluit.

4.6.

[eiser] heeft nog aandacht gevraagd voor het verschil tussen de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) en de WETS. Hij heeft in dat verband betoogd dat in het kader van de WOTS (op grond van artikel 28 lid 8 WOTS) de in het buitenland opgelegde straf wordt omgezet naar Nederlandse maatstaven en dat een dergelijke bepaling – behalve in geval sprake is van overlevering onder terugkeergarantie – in de WETS ontbreekt. Dit betoog baat [eiser] evenmin. Hij kan weliswaar gevolgd worden in zijn stelling dat voor de situatie van [eiser] geen sprake is van omzetting van de in het Verenigd Koninkrijk opgelegde straf naar Nederlandse maatstaven, maar dat laat al het vorenstaande over de wijze van kwalificatie onverlet. Noch uit de wetsgeschiedenis, noch uit de door partijen aangehaalde – en anders uitgelegde – jurisprudentie kan de uitleg die [eiser] aan een en ander geeft worden afgeleid.

4.7.

Slotsom is dat ten aanzien van de door [eiser] in dit kort geding centraal gestelde vraag (Is bij het bepalen van het strafmaximum naar Nederlands recht het Engelse feitencomplex of de Engelse kwalificatie doorslaggevend?) geen sprake is van een evidente juridische misslag door het gerechtshof (noch in het oordeel van 22 december 2016, noch in de op 28 juni 2019 aan [eiser] bekendgemaakte – zoals de Staat terecht stelt: weloverwogen en met kracht van argumenten gegeven – herbeoordeling). Volledigheidshalve wijst de voorzieningenrechter er nog op dat [eiser] niet heeft gesteld dat de kwalificatie van de in het Verenigd Koninkrijk bewezenverklaarde feiten door het gerechtshof op zichzelf genomen onjuist is en een juridische misslag – laat staan een evidente juridische misslag – oplevert. Een beoordeling op dat punt kan in dit kort geding dan ook achterwege blijven.

4.8.

Vorenstaande leidt er toe dat voor toewijzing van de vorderingen die de onmiddellijke invrijheidstelling van [eiser] moeten realiseren geen grond bestaat. De vordering om de Staat te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding treft hetzelfde lot. De voorzieningenrechter acht het hierbij – zoals wel blijkt uit al hetgeen hiervoor is overwogen – niet noodzakelijk om voorafgaand aan zijn oordeel een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

4.9.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 2.972,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 1.992,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken door mr. G.P. van Ham op 13 februari 2020.

idt