Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:1845

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-03-2020
Datum publicatie
16-03-2020
Zaaknummer
AWB 19/239
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Volgens BMA-adviezen is de voor eiser noodzakelijke medische zorg aanwezig in Irak. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de medische zorg voor hem ontoegankelijk is. Het beroep op het arrest Savran tegen Denemarken en op artikel 3 EVRM slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/239

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.C. de Jong),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. de Vita).

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlengen van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor “medische behandeling” afgewezen.

Eiser heeft tegen het primaire besluit een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 17 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2019.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld door [A] en [B] . Als tolk is verschenen A. Kilic Zengin.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiser stelt dat hij is geboren op [geboortedatum] 1990 en dat hij de Iraakse nationaliteit heeft. Eiser verblijft in Nederland naar eigen zeggen sedert 2008. Een op 29 januari 2009 ingediende asielaanvraag van eiser is bij besluit van 27 augustus 2009 afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 14 oktober 2010 door de rechtbank, zittingsplaats Middelburg, ongegrond verklaard.

1.2

Op 25 oktober 2010 heeft eiser een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel “medische behandeling” ingediend. Bij besluit van 21 maart 2011 is deze aanvraag afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 20 juni 2012 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en aan eiser een verblijfsvergunning verleend met ingang van

1 maart 2012, geldig tot 1 maart 2013.

2. Eiser heeft op 11 februari 2013 de onderhavige aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning ingediend.

3. Bij het primaire besluit van 25 april 2013 is deze aanvraag afgewezen, omdat eiser volgens verweerder niet langer aan het verblijfsdoel van zijn verblijfsvergunning voldoet. Uit een ten aanzien van eiser op 23 april 2013 afgegeven advies door het Bureau Medische Advisering (BMA) is gebleken dat behandeling van de medische klachten van eiser – epilepsie en psychische klachten – in Irak kan plaatsvinden en dat de door eiser gebruikte medicatie daar aanwezig is.

4. Verweerder heeft zich bij het bestreden besluit, na intrekking van de eerder op het bezwaar genomen besluiten van 28 juni 2013 en 21 juni 2016, op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de medische zorg voor hem ontoegankelijk is in Irak. Daarom acht verweerder het niet aannemelijk dat er om medische redenen een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) indien eiser naar Irak zal moeten terugkeren. Nederland is voor eiser dus niet het meest aangewezen land voor het ondergaan van een medische behandeling.

5.1

Eiser heeft in de beroepsgronden, samengevat, het volgende aangevoerd.

Eiser is afkomstig uit [plaats] en had daar zijn woonplaats voordat hij Noord-Irak verliet. In [plaats] is de voor eiser noodzakelijke medische behandeling niet aanwezig. [plaats] , waar volgens verweerder de noodzakelijke medische behandeling aanwezig is, ligt op 200 km afstand van [plaats] . Gelet op het arrest Paposhvili (ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810) van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is de afstand die eiser moet afleggen om de noodzakelijke medische behandeling te kunnen krijgen, wel degelijk van belang. Het BMA heeft zich niet uitgelaten over de feitelijke toegankelijkheid tot de noodzakelijke medische zorg voor eiser. Verweerder heeft onvoldoende eigen onderzoek gedaan zodat het bestreden besluit geen stand kan houden.

5.2

Bij brief van 11 april 2019 heeft eiser overgelegd een verslag van 9 april 2019 van neuroloog [A] (hierna: [A] ), die in maart 2019 een bezoek heeft gebracht aan Noord-Irak en daar tezamen met een kennis onderzoek heeft gedaan naar de beschikbaarheid van medische hulp voor eiser. [A] heeft gesteld dat in Irak binnen

30 dagen een medische noodsituatie zal ontstaan voor eiser omdat de benodigde medische hulp daar niet beschikbaar is. Verder heeft [A] onder meer het volgende in de brief gesteld. In [plaats] zijn geen ambulancediensten. Bij calamiteiten worden patiënten door familieleden vervoerd naar het ziekenhuis met eigen vervoer. Eiser heeft geen familie in [plaats] , ook spreekt hij de taal niet. Er is geen algemene ziektekostenverzekering. Patiënten moeten zelf hun medicatie betalen. Er is geen intraveneuze valproïnezuur en levetiracetam beschikbaar op de spoedeisende hulp. De weg van [plaats] naar [plaats] duurt 4,5 uur. In [plaats] is geen neuroloog en op de spoedeisende hulp is geen intraveneuze levetiracetam of valproïnezuur beschikbaar. In [plaats] is depakine niet verkrijgbaar.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

Niet in geschil is dat bij het uitblijven van medische behandeling voor de epilepsie van eiser, een medische noodsituatie op korte termijn zal ontstaan.

In het BMA-advies van 21 juni 2018 is vermeld dat de voor eiser benodigde behandeling (door neuroloog en psychiater) aanwezig is en medicatie (valproïnezuur, levetiracetam, mirtazapine, citalopram en vitamine D) beschikbaar is in LST Private Clinic (Private Facility) te [plaats] . Eiser is niet erin geslaagd om de juistheid van deze informatie in twijfel te trekken. Eiser heeft weliswaar gesteld dat [A] van een apotheker in [plaats] heeft vernomen dat de door eiser benodigde medicatie in [plaats] niet beschikbaar is, echter uit het voornoemde verslag van 9 april 2019 en het verhandelde ter zitting blijkt niet dat de bedoelde apotheker bij LST Private Clinic in [plaats] werkzaam is dan wel dat de door die apotheker verstrekte informatie op de laatstgenoemde kliniek betrekking heeft. Aan de informatie van die apotheker komt daarom niet de door eiser gewenste betekenis toe.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich op grond van het BMA-advies terecht op het standpunt gesteld dat de voor eiser benodigde medische zorg aanwezig is in [plaats] .

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de medische zorg in [plaats] voor hem persoonlijk onbereikbaar of ontoegankelijk is. Eiser heeft in zijn asielprocedure en bij de hoorzitting in bezwaar van 23 oktober 2018 verklaard dat hij nog familie in Irak heeft, waaronder drie broers en vijf zussen. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat hij zich niet – al dan niet met behulp van een familielid – in de nabijheid van de medische voorzieningen in [plaats] kan vestigen. De rechtbank verwijst hier naar onder andere de uitspraak van

11 juli 2018 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2018:2362). De stelling dat eiser geen contact met zijn in Irak wonende familie onderhoudt, maakt het vorenstaande niet anders. Niet valt in te zien dat eiser het contact met deze familieleden niet zou kunnen herstellen. Dat uit de gehoorverslagen uit de asielprocedure blijkt dat de familieleden van eiser in [plaats] wonen – zoals door eiser betoogd – is onvoldoende voor een ander oordeel, reeds omdat deze informatie niet nader is onderbouwd.

Nu eiser niet heeft onderbouwd waar zijn familieleden op dit moment in Irak wonen, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen familie in [plaats] heeft. Gelet hierop komt aan de stelling van eiser dat hij geen sociaal netwerk in Irak heeft om op terug te vallen, geen doorslaggevende betekenis toe.

Daargelaten of eiser in [plaats] van een ambulancedienst gebruik kan maken, ziet de rechtbank in hetgeen eiser op dit punt naar voren heeft gebracht geen grond voor het oordeel dat de medische zorg in [plaats] voor hem onbereikbaar is. Eiser kan zich, net als de lokale bevolking, door familie of derden naar de betreffende kliniek laten vervoeren.

Eiser heeft ook niet onderbouwd dat de medische zorg voor hem niet toegankelijk is omdat hij de lokale taal (dialect) niet spreekt en dat deze taal dusdanig van de in [plaats] gesproken taal verschilt, dat eiser zich reeds hierom niet zou kunnen handhaven in [plaats] .

Dat de medische zorg in [plaats] voor eiser niet toegankelijk is omdat hij niet over financiële middelen beschikt, is eveneens niet aannemelijk gemaakt. De omstandigheid dat het inkomen in Irak en het bruto binnenlands product op een bepaald (laag) niveau zitten, zoals door eiser onder verwijzing naar internetbronnen ter zitting is betoogd, verschaft nog geen inzicht in de eigen financiële situatie van eiser en van zijn familieleden. Vergelijk de uitspraak van 17 juni 2019 van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2019:1918).

Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij geen inkomsten uit arbeid in Irak kan verwerven. De enkele stelling dat eiser vanwege zijn aandoening daartoe niet in staat is, maakt nog niet aannemelijk dat hij in het geheel geen inkomsten kan genereren. Zulks te meer nu uit het verslag van de hoorzitting in bezwaar blijkt dat eiser in Nederland wel arbeid wilde verrichten.

Gezien het vorenstaande heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij voornoemde kliniek in [plaats] niet kan bereiken en de medische kosten niet kan betalen, al dan niet met behulp van zijn familie dan wel derden. Hetgeen eiser over de medische zorg in [plaats] heeft aangevoerd kan hieraan niet afdoen en behoeft daarom geen bespreking. Nu eiser niet heeft voldaan aan zijn bewijslast, hoefde verweerder geen nader onderzoek te doen naar de daadwerkelijke toegang tot de medische zorg in Irak, als bedoeld in het arrest Paposhvili. Zie de uitspraak van 12 juli 2019 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2019:2392, r.o. 3.1 en 3.2..

Het beroep van eiser op het arrest van het EHRM in de zaak Savran tegen Denemarken van 1 oktober 2019 (ECLI:CE:ECHR:2019:1001JUD005746715) slaagt niet. In dit arrest is onder meer overwogen:

65. Accordingly, although the threshold for the application of Article 3 of the Convention is high in cases concerning the removal of aliens suffering from serious illness, the Court shares the concern expressed by the City Court, that it is unclear whether the applicant has a real possibility of receiving relevant psychiatric treatment, including the necessary follow-up and control in connection with intensive outpatient therapy, if returned to Turkey (see paragraph 27 above).

In het geval van eiser is geen sprake van een situatie als bedoeld in punt 65 van het arrest Savran tegen Denemarken, nu – anders dan in de voornoemde zaak – door de vreemdeling niet aannemelijk is gemaakt dat familie en sociaal netwerk, die voor de toegang tot medische behandeling in de praktijk van doorslaggevend belang te achten zijn, ontbreken. Omdat ten aanzien van eiser geen onzekerheid bestaat over de vraag of eiser in Irak de benodigde medische behandeling zou kunnen ontvangen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in de situatie van eiser om aanvullende garanties dient te vragen.

Gelet op het vermelde in de BMA-adviezen over de aanwezigheid van de voor eiser noodzakelijke behandeling en medicatie in Irak en hetgeen hiervoor is overwogen, faalt het beroep van eiser op artikel 3 van het EVRM.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van

mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.