Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:1762

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
03-03-2020
Zaaknummer
09/842006-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 11 jaren voor het plegen van een doodslag, met een vuurwapen, en het voorhanden hebben van een verboden vuurwapen met daarin munitie.

De rechtbank Den Haag heeft op 3 maart 2020 een 52 jarige man, uit Den Haag, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 11 jaren. De man is veroordeeld omdat hij op 8 januari 2019, in Den Haag, zijn buurman met een vuurwapen heeft doodgeschoten. Dit naar aanleiding van een discussie over de vraag of zijn buurman (het slachtoffer) al dan niet naar zijn huis keek. Zijn buurman is door drie kogels geraakt en daardoor overleden. De man zei dat hij het wapen bij zich droeg en ook gebruikte ter verdediging omdat hij bang was voor het slachtoffer. Van een gerechtvaardigde verdediging is de rechtbank echter niet gebleken. Daarnaast is de man veroordeeld omdat hij een verboden vuurwapen met daarin munitie voorhanden heeft gehad.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank in het nadeel van de man rekening gehouden met onder meer het feit dat hij een vuurwapen heeft gebruikt, bij een schijnbaar onschuldige confrontatie. Hiermee heeft de man de nabestaanden onherstelbaar leed aangedaan. De schietpartij vond plaats op klaarlichte dag, midden op straat, in een woonwijk. Daarmee heeft de man met zijn daad voor veel onrust en gevoelens van onveiligheid gezorgd. De rechtbank vindt het ook zeer verwijtbaar dat de man het slachtoffer na zijn overlijden telkens in een zeer kwaad daglicht probeerde te stellen, kennelijk in de hoop dat hij er dan zelf beter van afkwam. Wel weegt de rechtbank enigszins in het voordeel van de man mee dat hij zich, uit eigen beweging, heeft gemeld bij de politie, de revolver met munitie waarmee hij het slachtoffer doodde heeft ingeleverd en de feiten heeft bekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/842006-19

Datum uitspraak: 3 maart 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats]

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Alphen aan den Rijn, HvB Maatschapslaan te Alphen aan den Rijn.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van , 12 november 2019, 21 augustus 2019, 26 juni 2019, 16 april 2019, 7 januari 2020 (alle pro forma) en 18 februari 2020 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. van der Harg en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. H.G. Koopman, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 08 januari 2019 te 's-Gravenhage een persoon genaamd [slachtoffer 1] opzettelijk al dan niet met voorbedachte rade van het leven heeft beroofd, door met een revolver, in elk geval met een vuurwapen, een (aantal) kogel(s) af te vuren in het lichaam van die [slachtoffer 1] ;

2. hij op of omstreeks 08 januari 2019 te 's-Gravenhage

- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, van het merk Smith & Wesson, type 36 Chief Special, kaliber .38 special, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, en/of

- munitie, te weten drie patronen van het kaliber .38 special en/of vier hulzen van het kaliber .38 special,

voorhanden heeft gehad;

3. Bewijsoverwegingen 1

3.1

Inleiding

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 8 januari 2019 heeft rond 13.00 uur tussen de verdachte en [slachtoffer 1] hierna te noemen: het slachtoffer) - een overbuurman van de verdachte - een confrontatie plaatsgevonden, in de [adres] in [plaats] . Daarbij heeft de verdachte een revolver op het slachtoffer gericht en meerdere keren op hem geschoten. De verdachte is vervolgens weggelopen en heeft het slachtoffer, die als gevolg van de schoten neerviel op de grond, achtergelaten.2 Kort na de melding, omstreeks 13.02 uur, van een schietincident in de [adres] in Den Haag zijn verbalisanten ter plaatse gekomen. De verbalisanten zagen het slachtoffer op de grond liggen midden op de rijbaan. Zij zagen dat het slachtoffer nog in leven was. Hierop werd geprobeerd het slachtoffer te reanimeren, maar het heeft niet meer mogen baten; het slachtoffer is enkele minuten later overleden.3 Uit onderzoek is gebleken dat het slachtoffer drie schotverwondingen had, bestaande uit een inschot in de buik, een inschot rechts op de rug en een inschot links op de rug. De inschotwond aan de buikzijde is hem fataal geworden en verklaart het overlijden.4 De verdachte heeft zich dezelfde dag gemeld bij de politie waarna hij werd aangehouden. Bij de fouillering van de verdachte hebben de verbalisanten een revolver van het merk Smith & Wesson en vier hulzen en drie patronen, van het kaliber.38 special, onder de verdachte aangetroffen.5

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van feit 1, heeft de officier van justitie gesteld dat er onvoldoende bewijs is om vast te stellen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Er dient daarom vrijspraak te volgen van de ten laste gelegde moord. Wel kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de impliciet ten laste gelegde doodslag. Volgens de officier van justitie had de verdachte het opzet op de dood van het slachtoffer.

De officier van justitie heeft voorts gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 2.

Op haar specifieke standpunten zal de rechtbank hierna, voor zover relevant, nader in gaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, conform het standpunt van de officier van justitie, vrijspraak bepleit van de onder 1 tenlastegelegde moord en tot bewezenverklaring van de impliciet ten laste gelegde doodslag.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging geen bewijsverweer gevoerd en heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Op de specifieke standpunten van de verdediging zal de rechtbank hierna, voor zover relevant, nader in gaan.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Feit 1

Hierboven is vastgesteld dat het slachtoffer als gevolg van de schoten die door de verdachte zijn afgevuurd is overleden. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het handelen van de verdachte juridisch gekwalificeerd dient te worden als moord (handelen met voorbedachte raad) of als doodslag (handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling), daarin tevens begrepen de vraag of de verdachte - al dan niet voorwaardelijk - opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.

Opzet van de verdachte

De verdachte heeft verklaard dat hij op het slachtoffer heeft geschoten toen hij hem op straat tegenkwam. Het slachtoffer bevond zich op dat moment op korte afstand van de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij niet wist hoeveel keren hij geschoten heeft. Hiervoor is al overwogen dat het slachtoffer door drie kogels geraakt is en daardoor is overleden. De handelingen van de verdachte dienen naar hun uiterlijke verschijningsvorm te worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel dat het niet anders kan dan dat de verdachte ook daadwerkelijk dat opzet had. Van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden is niet gebleken. Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte het volle opzet had om het slachtoffer van het leven te beroven. Aan een beoordeling van mogelijk voorwaardelijk opzet komt de rechtbank dan ook niet toe.

Voorbedachte raad

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd kalm en rustig heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De verdachte moet de gelegenheid hebben gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap hebben kunnen geven.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan weliswaar worden vastgesteld dat de verdachte, gedurende enige tijd, met een geladen revolver op zak liep, maar de rechtbank kan niet vaststellen wanneer de verdachte het voornemen heeft opgevat om het slachtoffer te beschieten. Omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld , zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van de impliciet ten laste gelegde moord.

De rechtbank is ten aanzien van de impliciet ten laste gelegde doodslag van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, omdat de verdachte dat feit heeft bekend, hij daarna niet anders heeft verklaard en de verdediging daarvan geen vrijspraak heeft bepleit.

De rechtbank bezigt de volgende bewijsmiddelen voor de bewezenverklaring:

- de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 februari 2020;

- NFI-deskundigenrapport “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood” opgemaakt door dr. Kubat, arts en patholoog verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 18 januari 2018, met bijlagen, p. 54-59.

Feit 2

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van dit feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het bewezenverklaarde feit heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en de raadsman van de verdachte heeft geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 februari 2020;

- het proces-verbaal van onderzoek wapen en munitie, p. 83-86.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1. hij op 08 januari 2019, te ’s-Gravenhage, [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een revolver een aantal kogels af te vuren in het lichaam van die [slachtoffer 1]

2. hij op 08 januari 2019, te ’s-Gravenhage, een wapen van categorie III, onder 1, van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver van het merk Smith & Wesson type 36 Chief Special, kaliber .38 special, en munitie, te weten drie patronen van het kaliber .38 special en vier hulzen van het kaliber .38 special, voorhanden heeft gehad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en strafbaarheid van de verdachte

4.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair aangevoerd dat sprake was van een noodweersituatie. Het schieten van de verdachte kan niet worden gezien als ‘aanvallend’, maar als directe noodzakelijke verdediging. Het slachtoffer maakte met zijn hand meermalen een beweging naar zijn heup en deed daarbij een stap achteruit. Deze handelingen vonden plaats op het moment dat het schreeuwen een hoogtepunt bereikte. De verdachte mocht daarom veronderstellen dat het slachtoffer hem zou aanvallen. Daarmee is voldaan aan het vereiste van de noodzakelijke verdediging. Het onder 1 ten laste gelegde feit is hierdoor niet strafbaar zodat de verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.

Subsidiair heeft de verdediging een beroep gedaan op noodweerexces, omdat de verdachte in paniek de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreven.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op (putatief) noodweer(exces) niet kan slagen. Het betreffen dan ook strafbare feiten en de verdachte is ook te beschouwen als een strafbare dader.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Noodweer en noodweerexces

De eerste stap die gezet moet worden om een geslaagd beroep op noodweer te kunnen doen is een positieve beantwoording van de vraag of sprake is geweest van een noodweersituatie. Daarvan is sprake indien kan worden vastgesteld dat een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het eigen of eens anders lijf bestond, waartegen verdediging noodzakelijk was. Onder een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding valt ook een onmiddellijk dreigend reëel gevaar voor zo een aanranding. De enkele vrees voor zo’n aanranding is niet voldoende.

Van noodweerexces is sprake indien de grenzen van de noodzakelijke verdediging verontschuldigbaar worden overschreden. Op grond van artikel 41 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht is een overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging verontschuldigbaar, als zij het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt. Hierbij moet worden gekeken naar de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging.

Er dient wel eerst sprake te zijn van een noodweersituatie. De rechtbank zal derhalve allereerst moeten vaststellen of daarvan sprake was.

De verdachte heeft verklaard dat hij in totaal maar twee keer een confrontatie met het slachtoffer heeft gehad. Op de dag van het schietincident en een aantal dagen daarvoor. De verdachte heeft op dat eerdere moment het slachtoffer aangesproken, omdat hij zijn familie lastigviel door herhaaldelijk te kijken naar hun woning, en door met een lichtje te schijnen op hun woning. Toen hij het slachtoffer daarop aansprak stak het slachtoffer zijn middelvinger op en riep hij ‘fuck you’. Hierdoor werd hij bang voor het slachtoffer en besloot om op 8 januari 2019 zijn geladen vuurwapen mee te nemen toen hij uit huis vertrok. Hij is toen naar de moskee gegaan om het 13:00 uur gebed te bidden. Hij voelde zich echter opeens niet erg lekker waarna hij naar huis is gegaan. Onderweg naar huis kwam hij toevallig het slachtoffer tegemoet in de [adres] . Er ontstond vervolgens een hevige discussie tussen hen waarbij zij over en weer elkaar hebben uitgescholden. Vervolgens raakte de verdachte in paniek doordat het slachtoffer een stap achteruit deed en voor de tweede keer zijn hand bij zijn heup legde. Hierdoor dacht de verdachte dat hij zou worden aangevallen door het slachtoffer en voelde hij zich bedreigd waarna hij op het slachtoffer heeft geschoten ter verdediging. Hij kon zich, naar eigen zeggen, niet onttrekken aan de situatie, door weg te lopen, omdat hij bang was dat hij dan van achteren zou worden aangevallen.

Uit onderzoek is gebleken dat het slachtoffer ten tijde van het schietincident geen vuurwapen of mes bij zich droeg.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte door het slachtoffer doordat het slachtoffer een stap achteruit deed en voor de tweede keer tijdens de woordenwisseling zijn hand op zijn heup legde. Deze gedragingen van het slachtoffer zijn immers niet zodanig bedreigend dat gesproken kan worden van een reëel onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

Doordat geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, is geen sprake van een noodweersituatie en kan het beroep op noodweer niet slagen. Gelet hierop kan het beroep op noodweerexces evenmin slagen.

Putatief noodweer(exces)

Voor zover de raadsman een beroep heeft willen doen op putatief noodweer dan wel putatief noodweerexces, overweegt de rechtbank als volgt. Van putatief noodweer(exces) is sprake indien weliswaar geen sprake was van een noodweersituatie, maar wel van een situatie waarin de verdachte op objectieve gronden redelijkerwijs mocht aannemen dat sprake was van een (dreigende) noodweersituatie.

De verdachte heeft verklaard dat hij bang was voor het slachtoffer en vreesde voor zijn leven, omdat het slachtoffer tijdens de woordenwisseling op 8 januari 2019 een stap achteruit deed en met zijn hand richting zijn heup ging. Dat de verdachte door deze beweging van het slachtoffer verontschuldigbaar in de veronderstelling mocht verkeren dat hij zich moest verdedigen dan wel mocht verdedigen, vindt naar het oordeel van de rechtbank weerlegging in de eigen verklaring van de verdachte. Uit de verklaring van de verdachte volgt immers dat het slachtoffer tijdens de woordenwisseling al eerder dezelfde beweging had gemaakt waarna de woordenwisseling tussen hen verder ging. De verdachte heeft nadat het slachtoffer de eerste keer met zijn hand naar zijn heup ging en een stap achteruit deed geen mes of vuurwapen bij het slachtoffer gezien. Evenmin heeft het slachtoffer hem op enig moment bedreigd met de dood. Ook toen het slachtoffer voor de tweede keer deze beweging maakte, heeft de verdachte geen mes of vuurwapen bij het slachtoffer gezien. Evenmin heeft het slachtoffer de verdachte op dat moment bedreigd.

Buiten hun eerdere verbale confrontatie kende de verdachte het slachtoffer niet. De enkele stelling dat het slachtoffer tijdens die eerdere confrontatie ‘fuck you’ zou hebben geroepen, is onvoldoende. Ook anderszins heeft de rechtbank geen feiten en omstandigheden aangetroffen die aannemelijk maken dat de verdachte verontschuldigbaar in de veronderstelling leefde zich te moeten verdedigen dan wel te mogen verdedigen. Het verweer wordt daarom verworpen.

De rechtbank acht het gelet op voorgaande onaannemelijk dat de verdachte uit angst voor een aanval heeft geschoten en heeft de overtuiging dat de verdachte andere motieven had die hij niet kenbaar wil maken. De verdachte kon zich bovendien onttrekken aan de situatie door weg te lopen en ook al zou worden aangenomen dat hij onder invloed van angst heeft gereageerd, kon dat besef van hem worden gevergd.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat alle verweren van de verdediging niet slagen en dat de feiten en de verdachte dan ook strafbaar zijn.

5 De strafoplegging

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren op te leggen, gelet op het strafblad van de verdachte, de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en het feit dat de verdachte zich kort na het schietincident zelf bij de politie heeft gemeld, het wapen heeft ingeleverd en openheid van zaken heeft gegeven.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank zal in het onderstaande zo concreet mogelijk aangeven welke factoren een rol hebben gespeeld bij haar beslissing omtrent strafsoort en strafmaat.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag en het voorhanden hebben van een verboden vuurwapen met daarin munitie. Het moge duidelijk zijn dat bij de beslissing van de rechtbank, omtrent strafsoort en strafmaat, de nadruk vooral zal liggen op de bewezenverklaarde doodslag.

Doodslag behoort tot de zwaardere categorieën strafbare feiten die de wet kent. De wetgever heeft voor dit misdrijf als maximumstraf een gevangenisstraf van 15 jaren vastgesteld. Binnen de rechtspraak bestaan voor dit delict geen landelijke oriëntatiepunten. De rechtbank heeft in aanmerking genomen de straffen die recentelijk en in het verleden zijn opgelegd voor een enkelvoudige doodslag. Hoewel de rechtbank zich realiseert dat iedere zaak uniek is en het in die zin lastig is om te vergelijken met andere zaken, lijkt het erop dat doorgaans voor een enkelvoudige doodslag een gevangenisstraf wordt opgelegd van tussen de 8 en 12 jaren. Dat neemt niet weg dat het gedrag dat tot toepassing van deze strafbepaling leidt, vele verschillende vormen kan aannemen zodat in ieder concreet geval dient te worden nagegaan welke mate van ernst daaraan uit een oogpunt van straftoemeting moet worden toegekend. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.

De verdachte is op 8 januari 2019 met een geladen revolver op zak vertrokken van zijn huis naar de Moskee. Op de terugweg van de Moskee naar zijn huis heeft hij vervolgens de revolver gebruikt. De verdachte heeft het slachtoffer doodgeschoten naar aanleiding van een discussie over de vraag of het slachtoffer al dan niet naar het huis van de verdachte keek. Naar eigen zeggen droeg hij het wapen bij zich ter verdediging. Van een gerechtvaardigde verdediging is de rechtbank echter niet gebleken. Het schijnbare gemak waarmee de verdachte zich heeft bewapend met een geladen revolver en vervolgens bij een schijnbaar onschuldige confrontatie met een buurman ook daadwerkelijk van dat wapen gebruik heeft gemaakt, zijn omstandigheden die een op zich al zeer ernstig en verwerpelijk feit des te ernstiger maken.

De verdachte heeft met zijn gericht vuurwapengeweld een man het leven ontnomen. Hierdoor heeft de verdachte de nabestaanden onherstelbaar leed aangedaan, zoals de zus van het slachtoffer in haar slachtofferverklaring, ter terechtzitting, treffend heeft verwoord.

Ook is de samenleving als geheel door het handelen van de verdachte geschokt. Het schietincident vond plaats op klaarlichte dag, midden in een woonwijk. Een aantal buurtbewoners heeft de schoten gehoord of zelfs gezien dat de verdachte heeft geschoten en zijn met de gevolgen daarvan geconfronteerd. Het handelen van de verdachte heeft bij hen, maar ook bij anderen die daarvan op de hoogte zijn geraakt, gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Ook in algemene zin brengt een dodelijke schietpartij om een futiliteit – ‘om niets’ – midden in een woonwijk op klaarlichte dag dat gevoel van onveiligheid met zich.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is bovendien gebleken dat de verdachte het slachtoffer telkens in een zeer kwaad daglicht probeert te stellen, kennelijk in de hoop dat hij er dan zelf beter van afkomt. Zo duidt hij het slachtoffer consequent aan als ‘een verachtelijke’ of ‘een eerloze’, en heeft hij herhaaldelijk verklaard dat het slachtoffer zijn eigen moeder mishandelde, dat hij een terrorist en crimineel was. Hiermee heeft de verdachte geen enkel berouw voor zijn handelen en respect jegens het slachtoffer en de nabestaanden getoond. Van enig inzicht in het verwerpelijke van zijn handelen en de gevolgen daarvan is daarmee bovendien nauwelijks sprake.

Uit de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, zoals hiervoor omschreven, volgt dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur. De bewezenverklaarde doodslag moet als zodanig ernstig worden beschouwd, dat het in beginsel in aanmerking zou komen voor een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren.

Persoon van de verdachte

Vervolgens dient te worden nagegaan of de persoon van de verdachte of zijn persoonlijke omstandigheden invloed hebben op de strafoplegging en zo ja, in welke mate.

Omtrent de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van de verdachte, gedateerd 10 januari 2020. Op dat strafblad staan geen relevante feiten waarmee in strafmatigende of strafverzwarende zin rekening dient te worden houden.

De verdachte is in het Pieter Baan Centrum (hierna te noemen: PBC) geobserveerd door een psycholoog en psychiater, zoals omschreven in het PBC-rapport. Uit dat rapport volgt dat hij weinig zicht heeft gegeven op zijn motivatie, innerlijke drijfveren en belevingswereld waardoor er geen volledig zicht is gekomen op zijn persoon. De amnesie van de verdachte rondom het ten laste gelegde kan niet verklaard worden uit evidente geheugenstoornissen. Er was beperkte mededeelzaamheid van de verdachte over zijn privéleven en achtergronden. De deskundigen hebben geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn voor het bestaan van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, nu of ten tijde van het ten laste gelegde. Door de terughoudende houding van de verdachte heeft de rechtbank geen inzicht gekregen in zijn persoonlijkheid en kan daarom geen rekening houden met strafverlagende omstandigheden. Dat komt, uit een oogpunt van staftoemeting, voor rekening van de verdachte. De bewezenverklaarde feiten moeten dan ook volledig worden toegerekend aan de verdachte. Redenen voor een ander oordeel ontbreken.

De rechtbank heeft de overtuiging dat er andere, wellicht zeer persoonlijke, motieven ten grondslag liggen aan het handelen van de verdachte. De verdachte heeft hierover echter op geen enkele wijze openheid van zaken willen geven.

Wel weegt de rechtbank in het voordeel van de verdachte mee dat hij zich, uit eigen beweging, heeft gemeld bij de politie, de revolver met munitie waarmee hij het slachtoffer doodde heeft ingeleverd en de feiten heeft bekend. Hierdoor heeft hij uiteindelijk toch enige verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Die omstandigheden hebben enige matigende werking op de strafoplegging. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om af te wijken van het genoemde uitgangspunt van een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren.

Een en ander brengt de rechtbank tot de slotsom dat voor de doodslag oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren, passend is. Daarin is tevens de straf voor het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie verdisconteerd aangezien de verdachte het vuurwapen als middel heeft gebruikt om de doodslag te plegen.

6 De inbeslaggenomen goederen

Onder de verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

  1. Een stroomstootwapen

  2. Een wapenstok

  3. Een ploertendoder

  4. Een revolver van het merk Smith and Wesson

  5. Drie stuks patronen

  6. Vier stuks hulzen

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd tot onttrekking aan het verkeer van alle voorwerpen op de beslaglijst.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdachte heeft ter terechtzitting afstand gedaan van alle voorwerpen op de beslaglijst.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De inbeslaggenomen voorwerpen, op de beslaglijst, onder nummers 4 tot en met 6 vermeld, en met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

De rechtbank zal voorts de inbeslaggenomen goederen, onder nummers 1 tot en met 3, vanwege hun aard, onttrekken aan het verkeer.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 36 b, 36c, 36d, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26, 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij rechtens golden dan wel gelden.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de, onder 1, tenlastegelegde moord heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de impliciet, onder 1, tenlastegelegde doodslag en feit 2 heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

doodslag;

ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) jaren;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

de inbeslaggenomen goederen;

verklaart onttrokken aan het verkeer alle, op de beslaglijst, genummerde voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.W. de Wit, voorzitter,

mr. J.A. van Steen, rechter,

mr. B.F. Hammerle, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. F. Badji , griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 maart 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met onderzoeksnummer [onderzoeksnaam] , van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Centrum, basisteam De Heemstraat, met bijlagen.

2 Verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 februari 2020.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 25-26; proces-verbaal van bevindingen, p. 28-29.

4 NFI-rapport, voorlopige bevindingen d.d. 10 januari 2019, p. 48-50; NFI-rapport, pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood d.d. 18 januari 2019, p. 54-59.

5 Proces-verbaal van aanhouding, p. 7-8; proces-verbaal van onderzoek wapen en munitie, p. 83-86.