Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:1689

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-02-2020
Datum publicatie
17-03-2020
Zaaknummer
09/219132-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Autobranden Gouda. Twee keer medeplegen, drie keer medeplichtigheid en een keer poging brandstichting van auto met gemeen gevaar voor goederen. Daarnaast autodiefstal en verboden wapenbezit. Verdachte heeft met de autobranden grote onrust in de stad Gouda veroorzaakt. Oplegging van een GBM, een deels voorwaardelijke jeugddetentie en een werkstraf. De verdachte zal de komende periode nog een enkelband dragen, mag geen contact hebben met zijn medeverdachte, moet behandeling volgen, een dagbesteding hebben en zich houden aan afspraken met de jeugdreclassering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Parketnummer 09/219132-19

Datum uitspraak 27 februari 2020

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer jeugdstrafzaken in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2003 te [geboorteplaats] ,

[adres]

advocaat: mr. L.E. Buiting te Den Haag.

1 Het onderzoek op de zitting

Het onderzoek is gehouden op de zittingen achter gesloten deuren van 19 december 2019 (regie) en 13 februari 2020 (inhoudelijke behandeling).

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is, samengevat en na wijziging van de tenlastelegging op de zitting, ten laste gelegd dat hij op verschillende data (19, 21, 22, 23, 24 en 28 mei en 1 juni 2019), op verschillende plaatsen in Gouda, in vereniging opzettelijk brand heeft gesticht met gevaar voor goederen, waardoor verschillende auto’s zijn verbrand (feiten 1 tot en met 7). Dit is onder feit 1 en 2 subsidiair als openlijk in vereniging geweld tegen goederen, onder feit 2 meer subsidiair als vernieling van een goed en onder feit 4, 6 en 7 subsidiair als medeplichtigheid aan opzettelijke brandstichting ten laste gelegd.

Daarnaast wordt de verdachte verweten dat hij op 25 juni 2019 in vereniging een auto heeft gestolen door het gebruik van een valse sleutel, subsidiair ten laste gelegd als het witwassen van deze auto en een autosleutel (feit 8).

Ook is de verdachte ten laste gelegd dat hij op 3 juli 2019 te Gouda in vereniging een scooter heeft gestolen door middel van braak (feit 9).

Tot slot is de verdachte ten laste gelegd dat hij op 11 juli 2019 een verboden vuurwapen voorhanden heeft gehad (feit 10).

De volledige tekst van de tenlastelegging staat in bijlage I.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie, mr. J.A. Buitenhuis, heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken van hetgeen onder 4 primair, 6 primair, 7 primair en 9 ten laste gelegde en worden veroordeeld voor hetgeen onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 subsidiair, 5, 6 subsidiair, 7 subsidiair, 8 primair en 10 ten laste gelegd.

Daartoe heeft de officier van justitie het volgende naar voren gebracht.

Feit 1 primair kan worden bewezen. Er is een aangifte, de verdachte heeft de brandstichting bekend en er stonden andere auto’s in de buurt.

Feit 2 primair kan worden bewezen. Er is een aangifte, de verdachte heeft de brandstichting bekend en een getuige heeft verklaard dat er auto’s in de buurt stonden.

Feit 3 kan worden bewezen. Er is een aangifte, er stond een andere auto in de buurt en hoewel de verdachte verklaart over de brandstichting van een blauwe Twingo en het ging om een rode Opel, kan dit een vergissing zijn van de verdachte.

Feit 4 subsidiair kan worden bewezen. Er wordt uitgegaan van de verklaring van de verdachte dat hij slechts op de uitkijk stond. Bewezen wordt geacht dat [medeverdachte] de brand heeft gesticht.

Feit 5 kan worden bewezen. De verdachte heeft verklaard te hebben geprobeerd de Toyota in de brand te steken, maar dat dit niet is gelukt.

Feit 6 subsidiair kan worden bewezen. De verklaring van de verdachte dat hij op de uitkijk stond, is aannemelijk. [medeverdachte] heeft de brand gesticht.

Feit 7 subsidiair kan worden bewezen.

Feit 8 primair kan worden bewezen. De verdachte heeft dit bekend.

Feit 9 kan niet worden bewezen. Er is gezien de verklaring van de verdachte ter zitting over een andere scooter geen overtuiging dat hij de betreffende scooter heeft gestolen.

Feit 10 kan worden bewezen. De verdachte heeft volgens zijn eigen verklaring een vuurwapen gekocht. Het aangetroffen wapen is van hem.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft – volgens de ter zitting overlegde pleitnota – het volgende naar voren gebracht.

De verdachte dient van feit 1 primair te worden vrijgesproken. Niet blijkt dat door het in brand steken van de Suzuki Swift gemeen gevaar van goederen te duchten was. Ook van feit 1 subsidiair dient de verdachte te worden vrijgesproken. Alleen de verdachte zegt dat hij het met een ander heeft gedaan. Verder is er geen bewijs dat het feit tezamen en in vereniging is gepleegd. Met betrekking tot het meer subsidiair ten laste gelegde refereert de verdediging zich.

De verdachte dient van feit 2 primair te worden vrijgesproken. Er was geen dreiging voor andere objecten en dus geen gemeen gevaar voor goederen. Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde refereert de verdediging zich.

Feit 3 kan niet wettig en overtuigend bewezen worden. De verdachte herkent de locatie van de brand niet en ook uit zijn telefoon komt niet dat hij ten tijde van de brand op die locatie was. In de bekentenis van de verdachte heeft hij het over Twingo, maar hier is geen brand gesticht.

Feit 4 subsidiair heeft de verdachte bekend. Hij heeft op de uitkijk gestaan en is dus een medeplichtige dader. Vrijspraak dient te volgen van het primair ten laste gelegde. Er is geen nauwe en bewuste samenwerking.

De verdediging refereert zich met betrekking tot feit 5.

Feit 6 en feit 7 kunnen beide primair niet worden bewezen. Er is geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking. De verdachte bekent op de uitkijk te hebben gestaan. De verdediging refereert zich dan ook ten aanzien van het subsidiaire.

De verdediging refereert zich ten aanzien van het onder feit 8 primair ten laste gelegde.

De verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen ten laste is gelegd onder feit 9. De verdachte heeft verklaard geen legergroene scooter, zoals ten laste is gelegd, te hebben gestolen, maar een witte Zipp, op dezelfde avond. Hij heeft die bij de [straatnaam 1] gestald, in het verlengde van het [straatnaam 2] . Ten tijde van het ten laste gelegde was de verdachte bij een vriend die in de buurt woont van de plaats delict van het ten laste gelegde feit.

De verdediging refereert zich met betrekking tot feit 10.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging. 1

3.3.1

Vrijspraak

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 4 primair, 6 primair, 7 primair en 9 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

Feit 3

De bewijsmiddelen

Uit de aangifte van [aangever] van 22 mei 2019 blijkt dat de rode Opel Karl, geparkeerd op de parkeerplaats aan de [straatnaam 3] , op 22 mei 2019 in de brand is gestoken. De naast geparkeerde blauwe Renault Twingo is aangestraald door de brand, blijkt uit het incidentverslag van de brandweer.

De verklaring van de verdachte

De verdachte heeft ter zitting, in overeenstemming met hetgeen hij eerder bij de politie heeft verklaard, verklaard dat hij zich niets kan herinneren van de ten laste gelegde brandstichting. De straat kwam hem wel bekend voor, maar de plek en ook dat het feit dat ging om een rode auto kwam hem niet bekend voor.

Het oordeel van de rechtbank

De verklaring van de verdachte strookt niet met hetgeen blijkt uit de aangifte. Daarnaast komt, in tegenstelling tot bij de andere feiten, niet uit de GPS-locatie van de telefoon van de verdachte naar voren dat zijn telefoon ten tijde van het stichten van de brand op de plaats delict aanwezig was.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor de betrokkenheid van verdachte bij brandstichting zoals ten laste gelegd. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van dit feit.

3.3.2

Bewijswaardering

Feit 1

Op 19 mei 2019 is te Gouda (locatie Leeuwenburg) een Suzuki Swift in de brand gestoken.2 Uit foto’s van de brand blijkt dat er naast de auto verschillende andere auto’s stonden geparkeerd en dat zich achter de auto een houten schutting bevond.3 De rechtbank acht hiermee afdoende duidelijk dat gemeen gevaar voor goederen aanwezig was, ook al is dit niet gerelateerd in een incidentrapport van de brandweer. De verdachte bekent, ook ter zitting, deze brand samen met iemand anders te hebben gesticht.4 Dit is gebeurd door het ingooien van de autoruit om vervolgens wasbenzine in de auto te gieten en deze aan te steken.5 De telefoongegevens van de verdachte plaatsen hem ook op de plaats delict ten tijde van het feit.6

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van brandstichting.

Feit 2

Op 21 mei 2019 is te Gouda (locatie Oosthoef) een Suzuki Alto in de brand gestoken. De auto is total loss verklaard.7 Uit de verklaring van een getuige blijkt dat naast de Suzuki Alto auto’s geparkeerd stonden die door hun eigenaren zijn weggereden zodra bekend werd dat er een auto in de brand stond.8 Hierdoor is de rechtbank van oordeel dat sprake was van gemeen gevaar voor goederen, ook al is dit niet gerelateerd in een incidentrapport van de brandweer. De verdachte bekent, ook ter zitting, deze brand samen met iemand anders te hebben gesticht.9 Dit is gebeurd door het ingooien van de autoruit om vervolgens wasbenzine in de auto te gieten en deze aan te steken.10 De telefoongegevens van de verdachte plaatsen hem ook op de plaats delict ten tijde van het feit.11

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van brandstichting.

Feit 4 subsidiair

Op 23 mei 2019 is te Gouda (locatie Tjalkwerf) een Mitsubishi Pajero in de brand gestoken.12 Uit de aangifte en het incidentrapport van de brandweer blijkt dat er gevaar dreigde voor de woning, waar de auto dicht bij geparkeerd stond, en andere auto’s die op tijd verplaatst konden worden. Daarnaast stonden in het achterste gedeelte van het voertuig schoonmaakmiddelen.13 De rechtbank acht hiermee gemeen gevaar voor goederen aanwezig. De verdachte heeft, ook ter zitting, verklaard aanwezig te zijn geweest bij deze brandstichting, maar alleen op de uitkijk te hebben gestaan.14 Uit het dossier blijkt niet van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een ander. Er is dan ook geen sprake van medeplegen. De rechtbank overweegt dat voor strafbare medeplichtigheid is vereist dat het opzet van de verdachte zowel is gericht op het misdrijf ten aanzien waarvan hulp wordt verleend als op de eigen hulpverlening. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte als medeplichtige kan worden aangemerkt. De verdachte is meegegaan met de dader terwijl hij wist dat deze een auto in de brand wilde steken. Op verzoek van de dader is hij toen op de uitkijk gaan staan.15 Hiermee heeft de verdachte opzettelijk gelegenheid verschaft aan een ander om de brandstichting met gemeen gevaar voor goederen te plegen.

De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid bij een brandstichting.

Feit 5

Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij op 24 mei 2019 te Gouda (locatie Laura Hoeve) heeft geprobeerd een Toyota Yaris in de brand te steken. Hij heeft wasbenzine over de auto gegoten, maar omdat het regende ging de wasbenzine niet aan. Omdat de verdachte een andere methode wilde proberen is hij naar huis gegaan. Toen hij terug ging, kwam hij de jongen tegen met wie hij was, die hem vertelde dat het was gelukt.16 Uit de aangifte blijkt dat uiteindelijk een Citroën in de brand is gestoken op 24 mei 2019 te Gouda (Laura Hoeve). De auto die er naast stond was een Toyota Yaris.17 De verklaring van de verdachte, in combinatie met zijn aanwezigheid op de locatie waar inderdaad een Toyota Yaris geparkeerd stond en op welke locatie ook daadwerkelijk, al was het bij een andere auto, een brand is gesticht maakt dat de rechtbank de poging tot brandstichting wettig en overtuigend bewezen acht.

Feit 6 subsidiair

Op 28 mei 2019 te Gouda (locatie Veenenburg) is een Ford Fiesta in brand gestoken en volledig uitgebrand.18 Als gevolg hiervan heeft een Toyota Auris brandschade opgelopen.19 De rechtbank acht hiermee gemeen gevaar voor goederen aanwezig. De telefoongegevens van de verdachte plaatsen hem op de plaats delict ten tijde van het feit.20 De verdachte heeft, ook ter zitting, verklaard dat hij op de uitkijk moest gaan staan.21 Uit het dossier blijkt niet van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een ander. Er is dan ook geen sprake van medeplegen. De rechtbank overweegt dat voor strafbare medeplichtigheid is vereist dat het opzet van de verdachte zowel is gericht op het misdrijf ten aanzien waarvan hulp wordt verleend als op de eigen hulpverlening. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte als medeplichtige kan worden aangemerkt. Op verzoek van de dader is hij op de uitkijk gaan staan.22 De rechtbank is van oordeel dat de verdachte wist dat hij op de uitkijk stond terwijl er een autobrand werd gesticht. Hiermee heeft de verdachte opzettelijk gelegenheid verschaft aan een ander om de brandstichting met gemeen gevaar voor goederen te pleegen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid bij een brandstichting.

Feit 7 subsidiair

Op 1 juni 2019 te Gouda ( locatie Oosthoef/Zuidhoef) is een Ford Transit in de brand gestoken.23 Uit het incidentrapport van de brandweer blijkt dat er gevaar voor een explosie dreigde als de in de bestelbus aanwezige fles acetyleen en twee flessen zuurstof waren aangestraald.24 De rechtbank acht hiermee gemeen gevaar voor goederen aanwezig. De telefoongegevens van de verdachte plaatsen hem op de plaats delict ten tijde van het feit.25 De verdachte heeft, ook ter zitting, verklaard aanwezig te zijn geweest, maar alleen op de uitkijk te hebben gestaan.26 Uit het dossier blijkt niet van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een ander. Er is dan ook geen sprake van medeplegen. De rechtbank overweegt dat voor strafbare medeplichtigheid is vereist dat het opzet van de verdachte zowel is gericht op het misdrijf ten aanzien waarvan hulp wordt verleend als op de eigen hulpverlening. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte als medeplichtige kan worden aangemerkt. De verdachte is meegegaan met de dader terwijl hij wist dat deze een auto in de brand wilde steken. Toen de auto was gevonden die het doelwit vormde, is de verdachte op verzoek van de dader op de uitkijk gaan staan.27 Hiermee heeft de verdachte opzettelijk gelegenheid verschaft aan een ander om de brandstichting met gemeen gevaar voor goederen te pleegen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid bij een brandstichting.

Feit 8

Op 25 juni 2019 is te Gouda de auto, een Citroen C5, van [benadeelde partij 1] weggenomen. De aangever vermoedt zijn sleutel in de buurt van de auto te hebben verloren.28 De verdachte bevestigt, zowel ter zitting als bij de politie, dat hij een autosleutel heeft gevonden. Samen met twee andere personen is de verdachte weggereden met de auto met de bedoeling de auto langer in bezit te houden om te oefenen met autorijden.29

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de auto samen met anderen heeft weggenomen met het oogmerk deze wederrechtelijk toe te eigenen. Zij hebben hiervoor de autosleutel gebruikt die zij op straat hebben gevonden.

Feit 10

Tijdens een doorzoeking van de woning van de verdachte is in slaapkamer 2 een vuurwapen aangetroffen.30 De verdachte is door zijn moeder aangewezen als iemand die ook in slaapkamer 2 slaapt.31 Het aangetroffen vuurwapen blijkt een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3e, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III sub 1 van de Wet wapens en munitie.32 De verdachte verklaart zowel bij de politie als ter zitting dat hij het wapen heeft aangeschaft en dat het zijn wapen is.33

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen.

4 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart, op grond van het bovenstaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 4 subsidiair, 5, 6 subsidiair, 7 subsidiair, 8 primair en 10 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1

hij op 19 mei 2019 te Gouda (locatie Leeuwenburg) tezamen en in vereniging met een ander

opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met wasbenzine, ten gevolge waarvan een auto (Suzuki Swift) gedeeltelijk is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor in de nabije omgeving geparkeerde auto's en/of andere goederen te duchten was.

2

hij op 21 mei 2019 te Gouda (locatie Oosthoef) tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met wasbenzine ten gevolge waarvan een auto (Suzuki Alto) geheel is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor in de nabije omgeving geparkeerde auto's te duchten was.

4

een ander op 23 mei 2019 te Gouda (locatie Tjalkwerf) opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof ten gevolge waarvan een auto (Mitsubishi Pajero) gedeeltelijk is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor in de nabije omgeving geparkeerde auto’s en andere goederen te duchten was en tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 23 mei 2019 te Gouda opzettelijk behulpzaam is geweest door op de uitkijk te staan.

5

hij op 24 mei 2019 te Gouda (locatie Laura Hoeve) tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in of aan een auto (Toyota Yaris), met dat opzet wasbenzine over de voornoemde auto heeft gegooid en met dat opzet open vuur in aanraking heeft gebracht met wasbenzine en daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

6

een ander op of omstreeks 28 mei 2019 te Gouda (locatie Veenenburg) opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof ten gevolge waarvan auto's (Ford Fiesta en Toyota Auris) geheel of gedeeltelijk zijn verbrand en daarvan gemeen gevaar voor in de nabije omgeving geparkeerde auto's en/of andere goederen te duchten was en tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 28 mei 2019 te Gouda opzettelijk behulpzaam is geweest door op de uitkijk te staan.

7

een ander op 1 juni 2019 te Gouda (locatie Oosthoef/Zuidhoef) opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof ten gevolge waarvan een bestelbus (Ford Transit) gedeeltelijk is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was en tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 1 juni 2019 te Gouda opzettelijk behulpzaam is geweest door op de uitkijk te staan.

8

hij op 25 juni 2019 te Gouda tezamen en in vereniging met anderen een auto (Citroen C5), toebehoorde aan [benadeelde partij 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) die weg te nemen auto onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een sleutel tot welk gebruik hij, verdachte en/of zijn mededader(s), niet gerechtigd was/waren.

10

hij op 11 juli 2019 te Gouda een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (omgebouwd) gasalarmpistool (merk Ekol, model Firat Compact) zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad.

De rechtbank heeft taal- en/of schrijffouten in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is hierdoor niet benadeeld.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van de bewezenverklaarde feiten en van de verdachte

De bewezenverklaarde feiten leveren op:

Feit 1 primair en feit 2 primair

Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Feit 4 subsidiair, feit 6 subsidiair en feit 7 subsidiair

Medeplichtigheid aan opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Feit 5

Poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Feit 8

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel.

Feit 10

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

6 De straffen en maatregel

6.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie mr. J.A. Buitenhuis heeft gevorderd:

  • -

    veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 120 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 76 voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, behandelverplichting en contactverbod met [medeverdachte] , met opdracht aan de gecertificeerde instelling tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden

  • -

    oplegging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 maanden, met 6 maanden vervangende jeugddetentie, in de vorm van het hebben van dagbesteding, behandeling door de Waag, elektronisch toezicht en ITB Harde Kern;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uur, subsidiair 50 dagen vervangende jeugddetentie.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging staat achter het advies van de Raad. De verdediging heeft bepleit dat een maatregel betreffende het gedrag een erg zwaar traject is. Daarnaast dient de verdachte zich de komende tijd extra in te zetten op school en bij zijn stage omdat hij uren heeft gemist door zijn tijd in voorlopige hechtenis. Er is geen meerwaarde voor een werkstraf behalve enkel leedtoevoeging.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De straffen en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

6.3.1

De ernst van de feiten

De verdachte heeft zich in de periode van 19 mei 2019 en 1 juni 2019 schuldig gemaakt aan twee keer het medeplegen van brandstichting in een auto, drie keer medeplichtigheid aan brandstichting in een auto en één poging tot brandstichting van een auto. Hij heeft hiermee een gebrek aan respect getoond voor andermans eigendommen. Mede door zijn toedoen zijn meerdere auto’s in vlammen opgegaan en hebben meerdere auto’s aanzienlijke schade opgelopen, met alle financiële consequenties van dien. De verdachte heeft geen rekening gehouden met de gevolgen van de brandstichting voor anderen. Uit de slachtofferverklaring van mevrouw [naam 6] (feit 6) is gebleken hoe vervelend de gevolgen zijn. Daarbij bestond het risico dat de brand zou overslaan naar andere voertuigen die in de nabijheid stonden geparkeerd of schade zou veroorzaken aan de verdere omgeving. In enkele gevallen is dit ook gebeurd. Dat dit risico zich in andere gevallen niet verder heeft verwezenlijkt is een gelukkige omstandigheid die niet aan de verdachte is te danken. De rechtbank overweegt ten slotte dat het bewezenverklaarde bijdraagt aan de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving in het algemeen en bij de omwonenden in het bijzonder. Gebleken is dat Gouda een tijd lang in de ban is geweest van de autobranden die deze stad hebben geteisterd. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een auto. Dit is voor het slachtoffer een vervelend feit dat niet alleen financiële schade, maar ook ergernis veroorzaakt. De afhandeling van de schade is vaak tijdrovend. De rechtbank rekent de verdachte aan dat hij de overlast en schade voor anderen voor lief heeft genomen en kennelijk alleen oog heeft gehad voor zichzelf en zijn financiële gewin.

Tot slot heeft de verdachte een vuurwapen voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van een dergelijk voorwerp is verboden, omdat dit een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich meebrengt. Voorts kan een wapen gebruikt worden ter bedreiging van anderen.

6.3.2

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

22 januari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 7 februari 2020. Dit rapport houdt het volgende in.

De verdachte functioneert op een gemiddeld begaafd niveau, sociaal emotioneel is hij jonger. De verdachte is gebaat bij grenzen en afspraken die anderen voor hem bepalen. Op dit moment is dit goed neergezet en het belang dat dit doorgaat is groot. Dit is gericht op een blijvende gedragsverandering, richting zelfstandigheid. Wat betreft de gewetensontwikkeling van de verdachte wordt gezien dat deze nog enigszins gebrekkig is en lacunes bevat. Uit het onderzoek komt naar voren dat de verdachte voldoende besef heeft van regels en weet wanneer hij ze overtreedt. Hij lijkt hierbij nog onvoldoende de wens te hebben en/of in staat te zijn om deze regels te allen tijde na te leven. Ook weet hij wanneer hij deze regels overtreedt en wat de eventuele consequenties kunnen zijn. Hierin komt hij berekenend over en weegt dan af hoe groot de ‘pakkans’ is. Op basis hiervan handelt hij en incasseert hij de consequenties.

De Raad adviseert de gedragsbeïnvloedende maatregel op te leggen voor de duur van twaalf maanden, in de vorm van het hebben van een dagbesteding (scholing), komen op afspraken en meewerken aan behandeling van de Waag (individuele- en systeembehandeling), meewerken aan elektronisch toezicht, houden aan de afspraken in het kader van ITB harde kern (6 maanden) gevolgd door reguliere jeugdreclasseringsbegeleiding. De maatregel dient dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard. Jeugdbescherming West dient de opdracht gegeven te worden toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Tevens adviseert de Raad een onvoorwaardelijke jeugddetentie (gelijk aan de gevangenhouding).

Een vertegenwoordigster van de jeugdreclassering heeft ter zitting naar voren gebracht dat volgende week een intake zal plaatsvinden bij de Waag. Het is belangrijk dat ook systemisch gaat worden gekeken, nu er zorgen zijn over hoe weinig de ouders met elkaar praten over de opvoeding van de verdachte. Er zal hierbij rekening worden gehouden met de situatie dat de ouders niet meer bij elkaar wonen. De verdachte heeft zich goed gehouden aan de voorwaarden tijdens de schorsing. Vanaf deze week zal de vrije tijd worden uitgebouwd. De verdachte heeft door zijn periode in detentie stage-uren gemist. Deze probeert hij in te halen zodat hij kan doorstromen naar MBO niveau 4. Er wordt geen meerwaarde gezien voor een werkstraf. De verdachte heeft al veel te doen aan stage, school en ITB Harde Kern. Dit verloopt positief.

6.3.3

De straffen en maatregel

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Daarnaast heeft de rechtbank de positieve proceshouding van de verdachte en het feit dat hij oprecht lijkt te zijn in het nemen van zijn verantwoordelijkheid in aanmerking genomen. Nu de Raad en de jeugdreclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk achten, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het psychodiagnostisch advies gedateerd 12 december 2019 van de Raad voor de Kinderbescherming, opgesteld door mw. drs. [naam 1] en mw. [naam 2] , MSc onder supervisie van mw. drs. [naam 3] , gedragsdeskundigen, inhoudend voor zover van belang.

De verdachte is een jongen met een gemiddeld disharmonisch intelligentieprofiel. Als belangrijkste risicofactor voor het afglijden in crimineel gedrag wordt bij de verdachte het verlenen van status/positie door middel van antisociaal/crimineel gedrag gezien en zijn tekortschietende agressieregulatie. Er wordt bij de verdachte gezien dat hij moeite heeft om emoties van boosheid/agressie op een adequate wijze te uiten. Vanuit gedragsdeskundig oogpunt is het van belang dat de verdachte en ouders zich bewust worden van zijn sterke en minder sterke kanten waarbij er gelet wordt op zijn disharmonisch intelligentieprofiel. Ook dienen zij aandacht te hebben voor zijn problemen met zijn agressieregulatie buitenshuis.

Daar hoort bij dat zowel ouders als de verdachte erkennen dat hun zoon gedragsproblemen laat zien buitenshuis en dat de verdachte en zij daar een verantwoordelijkheid in hebben, om te zorgen dat hij zijn boosheid adequaat leert reguleren. Tevens dient er een vorm van individuele behandeling aangeboden te worden gericht op zijn ADHD, het vergroten van zijn zelfvertrouwen, het thema dood en agressieregulatie. Van belang is ook om ouders mee te nemen in die behandeling. Een gedragsbeïnvloedende maatregel kan het middel zijn om de begeleiding en behandeling van de verdachte verder te vervolgen. De verdachte is gebaat bij strakke kaders en duidelijke consequenties die kunnen volgen op zijn gedrag. Binnen dit ambulante strakke kader kan er gewerkt worden aan zijn doelen. Een periode van twaalf maanden is geïndiceerd.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst en de veelvuldigheid van de begane misdrijven aanleiding geven tot de oplegging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige en dat de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

De rechtbank zal elektronisch toezicht verbinden aan het programma, zoals ook geadviseerd.

Gelet op de ernst en hoeveelheid van de feiten is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen. Daarnaast is de rechtbank, gelet op de benodigde hulpverlening die spoedig van start dient te gaan van oordeel dat de dadelijke uitvoerbaarheid in het belang van de verdachte is. De rechtbank zal daarom bevelen dat het programma waar de maatregel uit bestaat dadelijk uitvoerbaar is.

De rechtbank heeft geluisterd naar hetgeen de jeugdreclassering naar voren heeft gebracht en begrijpt ook dat de verdachte tijd en aandacht dient te besteden aan de gedragsbeïnvloedende maatregel en het inhalen van school en stage. Dit laat echter onverlet dat de verdachte zeer ernstige feiten heeft gepleegd die veel leed hebben veroorzaakt bij de slachtoffers en hebben gezorgd voor gevoelens van onveiligheid in de buurt. De rechtbank acht het daarom passend om ook een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van na te noemen duur opleggen. De verdachte heeft negen maanden de tijd om deze werkstraf te volbrengen, wat maakt dat de rechtbank ruimte ziet om deze naast de maatregel betreffende het gedrag en het inhalen van school en stage op te leggen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen en maatregel passend en geboden.

7 De vordering van de benadeelde partij

7.1

De vordering van [benadeelde partij 2] (feit 2)

[benadeelde partij 2] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 374,48, bestaande uit materiële schade.

7.1.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 374,48 ten behoeve van de benadeelde partij genaamd [benadeelde partij 2] .

7.1.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geconcludeerd dat de vordering kan worden toegewezen.

7.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van de benadeelde partij met betrekking tot de verlofdagen zal de rechtbank afwijzen, aangezien slechts vermogensschade (te weten inkomstenverlies of winstderving) in aanmerking komt voor vergoeding. Nu gebleken is dat de benadeelde partij is doorbetaald tijdens de opgenomen verlofdagen is van vermogensschade geen sprake.

De rechtbank acht de vordering voor het overige, en derhalve tot een bedrag van

€ 265,52, hoofdelijk toewijsbaar, nu deze schade voldoende is onderbouwd en voor toewijzing vatbaar is.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente met ingang van 21 mei 2019 ten laste van de verdachte toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade per die datum is ontstaan.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 265,52, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 21 mei 2019 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij 2] .

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

7.2

De vordering van [benadeelde partij 3] (feit 5)

[benadeelde partij 3] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 700,00. Deze vordering tot schadevergoeding bestaat uit materiële schade voor een bedrag groot € 100,00 en uit immateriële schade voor een bedrag groot € 600,00.

7.2.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij nu de schade niet is veroorzaakt door de ten laste gelegde poging van de verdachte.

7.2.2

Het standpunt van de verdediging

De vordering dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. De schade aan de auto is veroorzaakt door de gevolgschade van de brandstichting aan een Citroen, niet aan de poging tot brandstichting zoals ten laste is gelegd.

7.2.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien aan de benadeelde partij niet rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank begroot op nihil.

7.3

De vordering van [benadeelde partij 1] (feit 8)

[benadeelde partij 1] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 343,04, bestaande uit materiële schade.

7.3.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 243,04 (te weten € 193,04 voor de sleutel en

€ 50,00 voor het gereedschap) en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 243,04 ten behoeve van de benadeelde partij genaamd [benadeelde partij 1] .

7.3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging voert aan dat de kosten ten aanzien van de sleutel kunnen worden toegewezen. De gevorderde kosten met betrekking tot een gereedschapskist dienen te worden afgewezen of niet-ontvankelijk te worden verklaard. De gereedschapskist wordt niet genoemd in de aangifte, er is geen onderbouwing en nadere bewijslevering levert een onevenredige belasting van het strafproces op.

7.3.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post vervanging sleutel, is namens de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 8 bewezenverklaarde feit. De rechtbank acht de vordering voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van € 193,04 hoofdelijk toewijsbaar.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post gereedschapskist, de vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien niet duidelijk is geworden of de verdachte een gereedschapskist heeft weggenomen en de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente met ingang van 24 juni 2019 toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade per die datum is ontstaan.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 8 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 193,04, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 24 juni 2019 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij 1] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

36f, 45, 47, 48, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77w, 77wa, 77wc, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157 en 311 Wetboek van Strafrecht en 26 en 55 Wet wapens en munitie.

Deze artikelen zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het plegen van de strafbare feiten dan wel zoals zij gelden op het moment van de uitspraak.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 3, 4 primair, 6 primair, 7 primair en 9 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair, 4 subsidiair, 5, 6 subsidiair, 7 subsidiair, 8 primair en 10 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte (ook) daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 104 dagen

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, te weten 44 dagen, van deze jeugddetentie wordt afgetrokken;

bepaalt dat deze jeugddetentie een gedeelte van de jeugddetentie groot 60 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op twee jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende een door Jeugdbescherming west Zuid-Holland te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [medeverdachte] (geboren op [geboortedatum] 2002), zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

veroordeelt de verdachte tevens tot

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 uur

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 40 dagen;

legt aan de verdachte op de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 maanden,

die bestaat uit:

- het deelnemen aan het ITB Harde Kern programma, zo lang als de jeugdreclassering noodzakelijk acht, doch niet langer dan tot 23 april 2020;

- het volgen van (individuele en systemische) behandeling bij de Waag, of een soortgelijke instelling;

- het hebben van een zinvolle dagbesteding, te weten school, stage en/of werk;

- het melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

waarbij de veroordeelde zich onder elektronisch toezicht zal stellen ter nakoming van de hiervoor genoemde programma zo lang als de jeugdreclassering noodzakelijk acht, doch niet langer dan tot 23 april 2020;

beveelt, voor het geval de veroordeelde niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel heeft meegewerkt, dat de maatregel zal worden vervangen door jeugddetentie voor de duur van 6 maanden;

beveelt dat het programma waaruit de maatregel bestaat, dadelijk uitvoerbaar is;

veroordeelt de verdachte, hoofdelijk met zijn mededader, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 2] , te betalen een bedrag van € 265,52, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 21 mei 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de [benadeelde partij 2] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

wijst af het door [benadeelde partij 2] meer of anders gevorderde;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de [benadeelde partij 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij 2] te betalen € 265,52, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verstaat dat betaling aan de [benadeelde partij 2] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

verklaart de [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt [benadeelde partij 3] in de proceskosten door de verdachte gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s), om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 1] , te betalen een bedrag van € 193,04, bestaande materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 24 juni 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader(s) van de verdachte aan de [benadeelde partij 1] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

verklaart [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de [benadeelde partij 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij 1] te betalen € 193,04, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verstaat dat betaling aan de [benadeelde partij 1] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.E.M.G. van Wezel, kinderrechter, voorzitter,

mr. J.J. Peters, kinderrechter,

en mr. B. Martinez-Hammer, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.E. van Damme, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank van 27 februari 2020.

Mr. Peters en mr. Martinez-Hammer zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage:

I. De tenlastelegging

Bijlage I: de tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1

hij op of omstreeks 19 mei 2019 te Gouda (locatie Veenenburg/Leeuwenburg)

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen

met wasbenzine, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan

een auto (Suzuki Swift) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk

geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor in de nabije

omgeving geparkeerde auto's en/of andere goederen, in elk geval

gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1

Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 mei 2019 te Gouda (locatie Veenenburg/Leeuwenburg)

openlijk, te weten op een parkeerplaats aan de

Veenenburg/Leeuwenburg, in elk geval op of aan de openbare weg

en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,

in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een goed, te weten een auto

(Suzuki Swift) door voornoemde auto in brand te steken;

( art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek

van Strafrecht )

meer subsidiair, indien vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op 19 mei 2019 te Gouda (locatie Veenenburg/Leeuwenburg)

opzettelijk en wederrechtelijk een auto (Suzuki Swift), in elk geval enige goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 4] , in elk geval een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

2

hij op of omstreeks 21 mei 2019 te Gouda (locatie Oosthoef) tezamen en

in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand

heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met wasbenzine,

althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan een auto (Suzuki

Alto) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is

ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor in de nabije omgeving

geparkeerde auto's en/of andere goederen, in elk geval gemeen gevaar

voor goederen, te duchten was;

( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1

Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 21 mei 2019 te Gouda (locatie Oosthoef)

openlijk, te weten aan de Oosthoef ter hoogte van nummer 32, in elk

geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek

toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een

goed, te weten een auto (Suzuki Alto) door voornoemde auto in brand te

steken;

( art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek

van Strafrecht )

3

hij op of omstreeks 22 mei 2019 te Gouda (locatie Derde Coniferenhof)

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen

met wasbenzine, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan

een of meer auto's (Opel Karl en/of Renault Twingo) geheel of

gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan

gemeen gevaar voor in de nabije omgeving geparkeerde auto's en/of

andere goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten

was;

( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1

Wetboek van Strafrecht )

4

hij op of omstreeks 23 mei 2019 te Gouda (locatie Tjalkwerf) tezamen en

in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand

heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met wasbenzine,

althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan een auto

(Mitsubishi Pajero) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval

brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor in de nabije

omgeving geparkeerde auto's en/of andere goederen, in elk geval

gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1

Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte] en/of (een) ander(en) op of omstreeks 23 mei 2019 te Gouda

(locatie Tjalkwerf) tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

althans alleen, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht door open vuur

in aanraking te brengen met wasbenzine, althans met een brandbare

stof ten gevolge waarvan een auto (Mitsubishi Pajero) geheel of

gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan

gemeen gevaar voor in de nabije omgeving geparkeerde auto's en/of

andere goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten

was en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 23 mei 2019 te

Gouda opzettelijk behulpzaam is geweest door op de uitkijk te staan;

art 48 lid 1 Wetboek van Strafrecht

( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1

Wetboek van Strafrecht )

5

hij op of omstreeks 24 mei 2019 te Gouda (locatie Laura Hoeve) tezamen

en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering

van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te

stichten in of aan een auto (Toyota Yaris), met dat opzet met een of

meer van zijn mededader(s), althans alleen, wasbenzine over de ruit van

voornoemde auto heeft gegooid en (vervolgens) die wasbenzine heeft

aangestoken, in elk geval met dat opzet open vuur in aanraking heeft

gebracht met wasbenzine, althans met een brandbare stof, en daarvan

gemeen gevaar voor goederen te duchten was, terwijl de uitvoering van

dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van

Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

6

hij op of omstreeks 28 mei 2019 te Gouda (locatie Veenenburg) tezamen

en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk

brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met

wasbenzine, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan (een)

auto's (Ford Fiesta en/of Toyota Auris) geheel of gedeeltelijk is/zijn

verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor

in de nabije omgeving geparkeerde auto's en/of andere goederen, in elk

geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1

Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte] en/of (een) ander(en) op of omstreeks 28 mei 2019 te Gouda

(locatie Veenenburg) tezamen en in vereniging met een of meer

anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht door

open vuur in aanraking te brengen met wasbenzine, althans met een

brandbare stof ten gevolge waarvan (een) auto's (Ford Fiesta en/of

Toyota Auris) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is

ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor in de nabije omgeving

geparkeerde auto's en/of andere goederen, in elk geval gemeen gevaar

voor goederen, te duchten was en/of tot het plegen van welk misdrijf

verdachte op 28 mei 2019 te Gouda

opzettelijk behulpzaam is geweest door op de uitkijk te staan;

art 48 lid 1 Wetboek van Strafrecht

( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1

Wetboek van Strafrecht )

7

hij op of omstreeks 1 juni 2019 te Gouda (locatie Oosthoef/Zuidhoef)

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen

met wasbenzine, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan

een bestelbus (Ford Transit) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in

elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor in de nabije

omgeving geparkeerde auto's en/of andere goederen, in elk geval

gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1

Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte] en/of (een) ander(en) op of omstreeks 1 juni 2019 te Gouda

(locatie Oosthoef/Zuidhoef) tezamen en in vereniging met een of meer

anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht door

open vuur in aanraking te brengen met wasbenzine, althans met een

brandbare stof ten gevolge waarvan een bestelbus (Ford Transit) geheel

of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en

daarvan gemeen gevaar voor in de nabije omgeving geparkeerde auto's

en/of andere goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te

duchten was en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 1 juni 2019 te Gouda

opzettelijk behulpzaam is geweest door op de uitkijk te staan;

art 48 lid 1 Wetboek van Strafrecht

( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1

Wetboek van Strafrecht )

8

hij op of omstreeks 25 juni 2019 te Gouda tezamen en in vereniging met

een of meer anderen, althans alleen, een auto (Citroen C5), in elk geval

enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of

zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 1] , heeft

weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te

eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot

de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te

nemen auto onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door

middel van een valse sleutel, te weten een sleutel tot welk gebruik hij,

verdachte en/of zijn mededader(s), niet gerechtigd was/waren;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van

Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 24 juni 2019 tot en met 26 juni 2019,

te Gouda, althans in Nederland, een of meer voorwerpen (een auto

(Citroën C5) en/of een autosleutel (van een Citroën C5)) heeft

verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen

en/of heeft omgezet en/of van die voorwerpen gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij wist, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden,

dat dit voorwerp c.q. die voorwerpen, geheel of gedeeltelijk,

onmiddellijk of middellijk, afkomstig was/waren uit enig (eigen)

misdrijf;

( art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht )

9

hij op of omstreeks 3 juli 2019 te Gouda tezamen en in vereniging met

een of meer anderen, althans alleen, een scooter (Piaggo Zip), in elk

geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam 5] , heeft

weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te

eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot

de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te

nemen brommer onder zijn/ hun bereik heeft/hebben gebracht door

middel van braak en/of verbreking;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van

Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

10

hij op of omstreeks 11 juli 2019 te Gouda een wapen van categorie III,

onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (omgebouwd)

gasalarmpistool (merk Ekol, model Firat Compact) zijnde een

vuurwapen in de vorm van een revolver en/of pistool voorhanden heeft

gehad;

( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL 1500-2019136321, van de politie eenheid Den Haag, Districtsrecherche Alphen aan den Rijn - Gouda, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 732).

2 Proces-verbaal van aangifte d.d. 19 mei 2019, PL1500-2019134555-1, p. 232-233.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 november 2019, p. 659-662.

4 De verklaring van de verdachte ter zitting van 13 februari 2020 en proces-verbaal van bevindingen, betreffende verhoor verdachte d.d. 10 september 2019, p. 56.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 oktober 2019, p. 522.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 juli 2019, p. 215.

7 Proces-verbaal van aangifte d.d. 21 mei 2019, PL1500-2019136321-1, p. 102-103.

8 Proces-verbaal verhoor getuige d.d. 21 mei 2019, , PL1500-2019136321-5, p. 115-116.

9 De verklaring van de verdachte ter zitting van 13 februari 2020 en proces-verbaal van bevindingen, betreffende verhoor verdachte d.d. 3 oktober 2019, p. 523.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 oktober 2019, p. 523.

11 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 juli 2019, p. 219.

12 Proces-verbaal van aangifte d.d. 23 mei 2019, PL1500-2019138364-1, p. 294-295.

13 Algemeen verslag 1ste bevelvoerder – Incidentverslag: 254829, p. 298-299.

14 De verklaring van de verdachte ter zitting van 13 februari 2020 en proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 oktober 2019, p. 523.

15 De verklaring van de verdachte ter zitting van 13 februari 2020.

16 De verklaring van de verdachte ter zitting van 13 februari 2020 en proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 oktober 2019, p. 524.

17 Proces-verbaal van aangifte d.d. 24 mei 2019, PL1500-2019139886-1, p. 300-301 en proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 november 2019, p. 663-664.

18 Proces-verbaal van aangifte d.d. 28 mei 2019, PL1500-2019143477-1, p. 246-247.

19 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 oktober 2019, p. 559-560.

20 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 juli 2019, p. 222.

21 De verklaring van de verdachte ter zitting van 13 februari 2020 en proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 oktober 2019, p. 524.

22 De verklaring van de verdachte ter zitting van 13 februari 2020.

23 Proces-verbaal van aangifte d.d. 1 juni 2019, PL1500-2019147481-1, p. 252-253.

24 Algemeen verslag 1ste bevelvoerder – Incidentverslag: 272546, p. 254-255.

25 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 juli 2019, p. 224.

26 De verklaring van de verdachte ter zitting van 13 februari 2020 en proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 oktober 2019, p. 525.

27 De verklaring van de verdachte ter zitting van 13 februari 2020.

28 Proces-verbaal van aangifte d.d. 25 juni 2019, PL1500-2019173151-1, p. 388-389.

29 De verklaring van de verdachte ter zitting van 13 februari 2020 en proces-verbaal van bevindingen, betreffende verhoor verdachte d.d. 10 september 2019, p. 60.

30 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 juli 2019, PL1500-2019188841-11, p. 320.

31 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 juli 2019, PL1500-2019188841-11, p. 322.

32 Proces-verbaal d.d. 23 juli 2019, p. 334-335.

33 De verklaring van de verdachte ter zitting van 13 februari 2020 en proces-verbaal van bevindingen, betreffende verhoor verdachte d.d. 10 september 2019, p. 59.