Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:1671

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-02-2020
Datum publicatie
27-02-2020
Zaaknummer
8171039 EJ VERZ 19-85956
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever met toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding. Aan de in de arbeidsovereenkomst overeengekomen concurrentie- en relatiebedingen kan de werkgever op grond van artikel 7:653 lid 4 BW geen rechten ontlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0243
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

zittingplaats Gouda

HG

Zaaknummer/rolnummer: 8171039 EJ VERZ 19-85956

Beschikking van de kantonrechter d.d. 27 februari 2020 in de zaken van:

[werknemer] ,

te [woonplaats] ,

verzoekende partij in het inleidende verzoek,

verwerende partij in het voorwaardelijk tegenverzoek,

gemachtigde: mr. P. de Boer,

tegen

CENTRIC NETHERLANDS B.V.,

te Gouda,

verwerende partij in het inleidende verzoek,

verzoekende partij in het voorwaardelijk tegenverzoek,

gemachtigde: mw. mr. S.B. Bijkerk.

Partijen worden aangeduid als “[werknemer]” en “Centric".

1 Procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    het inleidende verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, tevens verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening d.d. 14 november 2019;

  • -

    het verweerschrift, tevens voorwaardelijk tegenverzoek tot ontbinding van de arbeids-overeenkomst d.d. 19 januari 2020;

  • -

    de door partijen overgelegde producties.

1.2

Op 23 januari 2020 heeft een mondelinge behandeling van de verzoeken plaatsgevonden. [werknemer] is, vergezeld door zijn gemachtigde, in persoon ter zitting verschenen. Centric heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde alsmede door [vertegenwoordiger 1] (hierna: [vertegenwoordiger 1]) en [vertegenwoordiger 2] (hierna: [vertegenwoordiger 2] ).

2 Feiten

in het inleidende verzoek en in het voorwaardelijk tegenverzoek

2.1 [

werknemer] die is geboren op [geboortedatum] 1965, is op 15 januari 2002 bij (de rechtsvoorganger van) Centric in dienst getreden. Laatstelijk was [werknemer] werkzaam in IJsselstein in de functie van managing director van Centric Staffing Services tegen een loon van € 11.250,= bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag en andere emolumenten.

2.2

Als gevolg van een bestuurlijke crisis bij het Centric-concern zijn er vooral in de eerste helft van 2019 diverse personen uit het hogere management van Centric Holding B.V. (hierna: Centric Holding) dan wel een van haar dochterondernemingen waaronder Centric, alsmede diverse personen in lagere functies bij deze ondernemingen op non-actief gesteld, ontslagen dan wel vertrokken.

2.3

Op 17 juli 2019 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [werknemer] en onder meer de indirect bestuurder en eigenaar van Centric, [bestuurder] (hierna: [bestuurder]). In dit gesprek heeft [bestuurder] namens Centric te kennen gegeven dat in verband met het ontbreken van draagvlak [werknemer], met behoud van loon, per direct was vrijgesteld van arbeid en dat zou worden aangestuurd op een beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

2.4

In een e-mailbericht d.d. 18 juli 2019 heeft [werknemer] geprotesteerd tegen de op non-actiefstelling en het aangezegde ontslag. Voorts heeft [werknemer] aangeven dat hij na zijn vakantie zijn werkzaamheden zou hervatten waarbij hij er vanuit ging dat hij weer aangesloten zou zijn op het netwerk van Centric.

2.5

Bij e-mailbericht d.d. 30 juli 2019 heeft Centrics gemachtigde aan [werknemer] meegedeeld dat hij, met behoud van loon, vrijgesteld bleef van arbeid, dat het hem niet was toegestaan om op de werkplek te verschijnen en dat hem na zijn vakantie een voorstel zou worden gedaan ten aanzien van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

2.6

Op 26 augustus 2019 heeft er opnieuw een gesprek tussen onder meer [bestuurder] en [werknemer] plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek is [werknemer] door [bestuurder] een gebrek aan arbeidsmoraal en -inzet alsmede diefstal van werktijd verweten. Ook heeft [bestuurder] te kennen gegeven dat de op non-actiefstelling van [werknemer] gehandhaafd zou blijven.

2.7

Bij e-mailbericht d.d. 9 september 2019 is in het kader van de beoogde beëindiging van de arbeidsovereenkomst namens Centric een vergoeding aangeboden van € 144.000,=. Indien [werknemer] hiermee niet akkoord zou gaan, dan zou - aldus [bestuurder] - Centric zich genoodzaakt zien een verzoek tot ontbinding in te dienen.

2.8

Bij brief d.d. 9 september 2019 heeft de kantonrechter de dag van behandeling van het door [werknemer] tegen Centric aangespannen - tot wedertewerkstelling strekkende - kort geding bepaald op 23 oktober 2019.

2.9

In de tussentijd hebben (de gemachtigden van) partijen gecorrespondeerd over de (voorwaarden van) wedertewerkstelling van [werknemer]. Daarmee samenhangend heeft er op 9 oktober 2019 een gesprek tussen [werknemer] en [bestuurder] plaatsgevonden. Diezelfde dag is namens Centric een e-mailbericht aan [werknemer] gestuurd waarin hem werd verzocht op 10 oktober 2019 op het kantoor van Centric Holding in Gouda te verschijnen om daar voor 2020 een businessplan met bijbehorende begroting voor zijn unit op te stellen. Zou [werknemer] aan dit verzoek geen gevolg geven, dan zou de arbeidsovereenkomst door Centric wegens werkweigering met onmiddellijke ingang worden beëindigd.

2.10 [

werknemer] heeft zich op 9 oktober 2019 per e-mailbericht ziek gemeld.

2.11

In een korte terugkoppeling van het op 11 oktober 2019 gehouden spreekuur heeft de bedrijfsarts aangegeven dat de klachten van [werknemer] op ziekte berusten en leiden tot beperkingen op het gebied van het persoonlijk functioneren (cognitieve functies). De bedrijfsarts heeft in de terugkoppeling de verwachting uitgesproken dat [werknemer] in de laatste week van oktober 2019 weer arbeidsgeschikt zou zijn. De bedrijfsarts heeft als advies nog het volgende meegegeven:

"Ik heb begrepen dat er gesprekken zijn geweest over de problematiek.

Mi is het verstandig om een externe onafhankelijke partij om bemiddeling/raad in deze te gaan vragen. om vandaaruit verdere afspraken met elkaar te maken. Als werkhervatting daar een onderdeel van uit maakt, werkhervattings afspraken te maken.

Voor nu is het mijn advies aan meneer [werknemer] om aan zijn herstel te werken."

2.12

Tijdens de zitting op 24 oktober 2019 waar het door de voormalig secretaresse van [werknemer], [secretaresse] (hierna: [secretaresse]) tegen Centric aangespannen - tot weder-tewerkstelling strekkende - kort geding werd behandeld, heeft zich een incident tussen [werknemer] en de vertegenwoordiger 2 van Centric, [vertegenwoordiger 2], voorgedaan.

2.13

Bij brief d.d. 28 oktober 2019 heeft Centric een officiële waarschuwing aan [werknemer] gestuurd. Deze waarschuwing hield, aldus Centric, verband met het negeren van de opdracht van Centric om het advies van de bedrijfsarts op te volgen en mediation te starten, met het negeren van het advies van de bedrijfsarts om aan zijn herstel te werken en werk-hervattingsafspraken met Centric te maken, met het intimideren en uitschelden van [vertegenwoordiger 2] en met het voortzetten van de ongezonde verstandhouding tussen [werknemer] en [secretaresse] (vriendjespolitiek/nepotisme).

2.14

Op 28 oktober 2019 meldt [werknemer] zich opnieuw ziek.

2.15

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis d.d. 7 november 2019 heeft de kantonrechter in de kort gedingprocedure tussen [werknemer] en Centric bij wege van voorlopige voorziening Centric geboden om uiterlijk 3 dagen na betekening van dit vonnis de op non-actiefstelling van [werknemer] als managing director van Centric Staffing Services op te heffen en [werknemer] toe te laten tot zijn werkzaamheden met bijbehorende taken en bevoegdheden als managing director op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van Centric in de proceskosten aan de zijde van [werknemer].

2.16

Bij e-mailbericht d.d. 7 november 2019 heeft de gemachtigde van [werknemer] aangegeven dat [werknemer] na zijn hersteldverklaring zijn werkzaamheden vanuit IJsselstein wilde hervatten op 11 november 2019.

2.17

Op 8 november 2019 heeft [werknemer] Centric ingelicht dat hij per 11 november 2019 weer arbeidsgeschikt werd geacht en dat hij die dag zijn werkzaamheden in IJsselstein zou hervatten.

2.18

Op 8 november 2019 heeft de gemachtigde van Centric meegedeeld dat de op non-actiefstelling van [werknemer] als managing director van Centric Staffing Services (wederom) met onmiddellijke ingang werd opgeheven alsmede dat [werknemer] werd verzocht zijn werkzaamheden weer ter hand te nemen en zich daartoe op 11 november 2019 te melden op het kantoor van Centric Holding in Gouda.

Daar zouden de direct leidinggevenden met [werknemer] in gesprek gaan over de verdere invulling van zijn werkzaamheden, de plaats van zijn werkzaamheden en de te leggen prioriteiten. Gezien de zeer gespannen verhoudingen tussen het personeel in IJsselstein enerzijds en [werknemer] anderzijds alsmede gezien de bedreigingen en aangiften van strafbare feiten over en weer acht Centric het ongewenst, niet in het belang van [werknemer] en niet toegestaan dat [werknemer] op 11 november 2019 naar het kantoor van Centric in IJsselstein gaat.

2.19

In het e-mailbericht d.d. 11 november 2019 heeft de gemachtigde van Centric aangegeven dat Centric vasthoudt aan de oproep aan [werknemer] zich op 11 november 2019 te melden op het kantoor van Centric Holding in Gouda. Indien [werknemer] zich niet daar zou melden, dan zou dit door Centric worden opgevat als werkweigering en ongeoorloofd verzuim.

2.20

Op 11 november 2019 is [werknemer], onder protest het gesprek aangegaan met [bestuurder]. Na dit gesprek is [werknemer] naar huis gegaan.

2.21

Op 11 november 2019 heeft de gemachtigde van Centric opnieuw een e-mailbericht aan de gemachtigde van [werknemer] gestuurd met de volgende inhoud:

De heer [werknemer] is heden op het kantoor van Centric verschenen en heeft daar een gesprek gevoerd met de heer [bestuurder] en mevrouw [medewerker 1]. De aan de heer [werknemer] gegeven waarschuwing is in dit gesprek nader toegelicht mede om duidelijk te maken dat het verstandig is de werkzaamheden vanuit een andere standplaats uit te voeren. Een concrete reden waarom hij vanuit IJsselstein zou moeten werken bestaat niet.

Vervolgens is de wedertewerkstelling van de heer [werknemer] in zijn oude functie met zijn bevoegdheden aan de orde gekomen. Helaas bleek de heer [werknemer] daarin niet geïnteresseerd te zijn. Hij wenste geen heldere afspraken over het vervullen van zijn functie te maken. Zodra aan de heer [werknemer] werd gevraagd concrete taken uit te voeren reageerde hij met uitingen zoals: "Een hond heeft een baas". Hij toonde geen respect voor de leiding van Centric.

De heer [werknemer] heeft aan de heer [bestuurder] gevraagd hem schriftelijk te verbieden werkzaam te zijn in IJsselstein. De heer [werknemer] is tewerkgesteld binnen zijn functie en met zijn bevoegdheden. Aan de heer [werknemer] is de vraag gesteld of het wel verstandig is in dit stadium terug te keren naar IJsselstein. Daarbij is gewezen op de verklaringen van zijn directe ondergeschikten. Daarnaast zijn de gedragingen en daarmee samenhangende waarschuwingen tijdens een rechtbankzitting aan de orde gesteld. In dit stadium zijn naar de mening van de bedrijfsleiding van Centric confrontaties in IJsselstein niet zonder risico. De heer [werknemer] bleek evenwel niet geïnteresseerd in de organisatie. Hij gaf de indruk alleen te doen waar hij zelf zin in heeft en alleen zijn eigen belang voor ogen te hebben.

Nu de heer [werknemer] weer toegang heeft tot het ICT-systeem en uit de elektronische agenda kan blijken waar hij verblijft en waar hij bereikbaar is, kan de heer [werknemer] zijn taken weer oppakken.

Namens Centric verzoek ik de heer [werknemer] dinsdag 12 november 2019 uiterlijk 8.30 uur op het kantoor van Centric te Gouda te verschijnen en zijn werkzaamheden met bijbehorende taken en bevoegdheden als managing director uit te voeren.

In Gouda is op de holding een ruime kamer en voldoende secretariële en andere ondersteuning aanwezig. De toegangspas tot het kantoor in Gouda zal tijdig worden geactiveerd.

De heer [werknemer] dient zijn gebruikelijke werkzaamheden uit te voeren en

40 uur aantoonbaar op locatie Gouda aanwezig te zijn. Hij dient daarom, evenals alle andere medewerkers van Centric, gebruik te maken van de elektronisch agenda.

De toegang tot de ICT-systemen zal in eerste instantie nog niet volledig zijn. Tot ontsteltenis van Centric is gebleken dat door de heer [werknemer] dan wel zijn secretaresse mevrouw [secretaresse] zakelijke informatie van Centric is gewist. Centric wenst te voorkomen dat dit opnieuw gebeurt.

De heer [werknemer] dient zich te houden aan de binnen Centric toepasselijke gedragsregels en de opdrachten van de leiding van Centric. De heer [werknemer] dient in het kader van zijn functie als managing director van Centric Staffing Services ook het businessplan 2020 op te stellen en daarover te rapporteren aan de heer [bestuurder] en zich jegens de leiding respectvol te gedragen.

Vanuit zijn functie als managing director van Centric Staffing Services dienen ook verdere wedertewerkstellingsafspraken te worden gemaakt. Binnen de vestiging in IJsselstein heerst nu veel angst. Werknemers dreigen tegen elkaar te worden opgezet en uitgespeeld te worden. Mediation kan een goed middel zijn om wedertewerkstellingsafspraken te maken. Centric zal daar een voorstel voor doen met als doel de ontstane vertrouwensbreuk tussen de heer [werknemer] en zijn directe ondergeschikten te herstellen.

Gebleken is dat de heer [werknemer] rechtstreeks contacten onderhoudt met personeel van Centric. Daarbij wordt de gezagsstructuur [bestuurder]-[werknemer]-[medewerker 2]-[vertegenwoordiger 2] -personeel niet door de heer [werknemer] gerespecteerd. Het is de heer [werknemer] voorlopig niet toegestaan buiten de hiervoor genoemde gezagsstructuur rechtstreeks met personeel van Centric te communiceren zodat de rust in IJsselstein gehandhaafd blijft c.q. hersteld wordt.

Namens Centric verzoek ik de heer [werknemer] van het bovenstaande goede nota te nemen. Indien de heer [werknemer] onverhoopt niet op het werk verschijnt handelt hij niet overeenkomstig de redelijke instructies van zijn werkgever en is sprake van werkverzuim."

2.22

Op 11 november 2019 heeft de gemachtigde van [werknemer] aan Centric te kennen gegeven dat hij op 12 november 2019 niet in Gouda zal verschijnen. En dat hij om verdere escalatie te voorkomen, ook niet zal trachten zijn werkzaamheden in IJsselstein te hervatten.

2.23

Bij brief d.d. 12 november 2019 heeft Centric een tweede officiële waarschuwing aan [werknemer] gestuurd omdat hij ongeoorloofd afwezig is. Daarbij is aangegeven dat als [werknemer] op 13 november 2019 niet om 8.30 uur op het kantoor in Gouda zou verschijnen, Centric zou overgaan tot het (tijdelijk) stopzetten van de loondoorbetaling.

3 Verzoeken en verweren

in het inleidende verzoek

3.1

Kortweg gezegd verzoekt [werknemer] dat bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

in het incident

a. een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv wordt getroffen voor de duur van deze

procedure, strekkende tot het gebieden van Centric om op de gebruikelijke wijze en tijdig

het loon van € 11.250,= bruto per maand, vermeerderd met de overeengekomen

emolumenten, aan [werknemer] te voldoen tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst

rechtsgeldig zal zijn geëindigd, alsmede tot veroordeling van Centric in de kosten van het

incident aan de zijde van [werknemer];

in de hoofdzaak

b. Centric wordt geboden om op gebruikelijke wijze en tijdig het loon van € 11.250,= bruto

per maand, vermeerderd met de overeengekomen emolumenten, aan [werknemer] te

voldoen tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd,

vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging met de wettelijke rente vanaf het

moment van verschuldigdheid;

c. de arbeidsovereenkomst tussen partijen wordt ontbonden op de langst mogelijke termijn

wegens omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst

billijkheidshalve dadelijk behoort te eindigen;

d. aan [werknemer] een transitievergoeding van € 126.625,= bruto wordt toegekend als

gevolg van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van Centric;

e. aan [werknemer] een billijke vergoeding van € 400.000,= bruto wordt toegekend als

gevolg van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van Centric;

f. wordt bepaald dat Centric geen rechten kan ontlenen aan het concurrentie- en

relatiebeding uit de arbeidsovereenkomst alsmede dat [werknemer] hieraan niet langer is

gebonden, althans dat deze bedingen worden vernietigd als in het verzoek is omschreven;

g. Centric wordt veroordeeld tot betaling aan [werknemer] van een vergoeding voor door

hem gemaakte juridische kosten, zijnde een bedrag van € 15.000,= exclusief BTW, althans

een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedragen, althans Centric wordt

veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [werknemer];

h. alvorens de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt uitgesproken, [werknemer]

een termijn wordt gesteld waarbinnen hij de mogelijkheid heeft zijn verzoek in te trekken.

3.2

Aan zijn verzoek heeft [werknemer] - samengevat - ten grondslag gelegd dat de onder 2 omschreven feiten tot geen andere conclusie kunnen leiden dan dat Centric ernstig verwijtbaar tegenover hem heeft gehandeld. Nadat Centric [werknemer] zonder reden en/of toelichting op non-actief had gesteld, heeft Centric de situatie doen escaleren. Gedurende de aan het inleidende verzoek voorafgaande periode heeft Centric [werknemer] telkens weer nieuwe, niet of nauwelijks onderbouwde verwijten gemaakt. [werknemer] herkent zich niet in deze verwijten. In dit verband wijst [werknemer] onder meer op zijn onberispelijke - 18 jaar durende - staat van dienst. Dat hij zou disfunctioneren, ontkent [werknemer] ten zeerste. [werknemer] heeft nimmer een negatieve beoordeling van zijn leidinggevenden gehad. Verder heeft Centric in de hiervoor bedoelde periode [werknemer] op onjuiste gronden onder meer gedreigd met een ontbindingsverzoek, een ontslag op staande voet en een (tijdelijke) stopzetting van de loondoorbetaling. Ook heeft [werknemer] ten onrechte een tweetal waarschuwingen van Centric ontvangen. Zeker aan de eerste waarschuwing is geen hoor en wederhoor vooraf gegaan. [werknemer] meent dat Centric vanaf het begin heeft aangestuurd op een beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Zo is, aldus [werknemer], Centric een mediationtraject uit de weg gegaan. Door Centric is weliswaar op enig moment na de op non-actiefstelling het gesprek met [werknemer] aangegaan omtrent zijn wedertewerkstelling, maar Centric heeft nooit - ook niet na het kort gedingvonnis van de kantonrechter d.d. 7 november 2019 - de bedoeling gehad om [werknemer] weer zijn eigen werkzaamheden te laten hervatten op het kantoor in IJsselstein. En dat terwijl [werknemer] gedurende zijn gehele dienstverband zijn werkzaamheden vanuit IJsselstein heeft verricht. [werknemer] is van mening dat nu van een normale en werkbare verhouding tussen partijen geen sprake meer is, de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk behoort te eindigen. Omdat Centric zich ernstig verwijtbaar tegenover hem heeft gedragen, verzoekt [werknemer] om de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, de toekenning van zowel een transitievergoeding als een billijke vergoeding alsmede de bepaling dat Centric geen recht aan het concurrentie- en relatiebeding uit te arbeids-overeenkomst kan ontlenen, althans de vernietiging van het concurrentiebeding nu [werknemer] hierdoor onbillijk wordt benadeeld in verhouding tot het voor Centric te beschermen belang. Met betrekking tot de billijke vergoeding wijst [werknemer] er nog op dat indien de feiten zich niet zouden hebben voorgedaan, zijn dienstverband nog zeer lange tijd, en misschien wel tot aan zijn pensionering, zou hebben voortgeduurd. [werknemer] acht het niet aannemelijk dat hij nog een baan zal kunnen vinden op hetzelfde (salaris)niveau.

3.3

Centric verweert zich tegen het inleidende verzoek van [werknemer] en concludeert tot afwijzing van dit verzoek, met veroordeling bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad van [werknemer] in de proceskosten aan de zijde van Centric.

3.4

Het verweer van Centric richt zich niet op de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst en de daarmee gepaard gaande voldoening van een nog te berekenen transitievergoeding. Ook kan Centric zich vinden in een ontbinding met inachtneming van de opzeggingstermijn van 4 maanden, zij het dat naar haar mening rekening moet worden gehouden met de duur van deze ontbindingsprocedure. Verder is Centric bereid af te zien van haar rechten op het concurrentiebeding voor zover dit beding geen betrekking heeft op de onderneming van Cegeka of op daaraan gelieerde ondernemingen. Cegeka waar in korte tijd 4 à 5 voormalig directeuren van Centric (waaronder [voormalig directeur] ) in dienst zijn getreden, is namelijk de grootste concurrent van Centric. Centric heeft dus een groot belang bij handhaving van het concurrentiebeding ten aanzien van deze onderneming(en). Centric meent dat [werknemer] geen billijke vergoeding toekomt omdat haar niet kan worden verweten dat zij ernstig verwijtbaar tegenover [werknemer] heeft gehandeld. Het is in de ogen van Centric juist [werknemer] die verwijtbaar tegenover haar heeft gehandeld.

Volgens Centric heeft zij tijdens het op 17 juli 2019 gehouden gesprek op goede gronden het vertrouwen in (het functioneren van) [werknemer] opgezegd. [werknemer] wordt onder meer gebrek aan transparantie (hij gebruikte namelijk een papieren agenda) en gebrek aan verantwoordelijkheid verweten. Zo werkte [werknemer] slechts halve dagen, gaf hij geen leiding, had hij geen visie en innoveerde hij niet. [werknemer] delegeerde alles. Beleids-stukken liet hij door medewerkers opstellen. Verder besteedde [werknemer] veel van zijn werktijd aan nevenwerkzaamheden zoals vastgoedtransacties in België en in Canada. Ten slotte accepteerde [werknemer] niet het gezag en de positie van [bestuurder]. [werknemer] vermengde zijn zakelijke en privéleven grenzeloos. De loyaliteit van [werknemer] lag en ligt niet bij de organisatie van Centric, maar eerder bij [voormalig directeur] (hierna: [voormalig directeur]) met wie hij bevriend is. En [voormalig directeur] staat weer in nauw contact met de ex-partner van [bestuurder]. Centric verdenkt [werknemer] ervan dat hij gevoelige informatie lekt naar [voormalig directeur] die dat weer deelt met de pers en/of met de ex-partner van [bestuurder]. Gebleken is dat [werknemer] tijdens werktijd zeer frequent telefonisch contact heeft gehad met [voormalig directeur].

Centric begrijpt niet dat [werknemer] destijds geen tegenvoorstel heeft gedaan naar aanleiding van het onder 2.7 omschreven voorstel tot beëindiging van de arbeids-overeenkomst. Bij Centric bestaat het gevoel dat [werknemer] zijn verzoek tot wedertewerkstelling heeft gebruikt als drukmiddel. Centric heeft in de aanloop van de kort gedingzitting de op non-actiefstelling opgeheven en [werknemer] meermaals in de gelegenheid gesteld zijn werkzaamheden (waaronder het maken van een businessplan voor 2020) weer op te pakken, zij het vanaf het kantoor van Centric Holding in Gouda. [werknemer] zou van daaruit kunnen werken aan het door hem beschadigde vertrouwen. Voor [werknemer] was echter een werkhervatting vanuit Gouda onbespreekbaar. Om die reden is mediation niet van de grond gekomen. Bovendien had [werknemer] zich inmiddels weer ziek gemeld. Na het wijzen van het onder 2.15 omschreven vonnis in kort geding heeft Centric aan [werknemer] weer toegang tot het systeem gegeven, hem kantoorruimte in Gouda gegarandeerd, evenals secretariële en juridische ondersteuning. Centric heeft gekozen voor Gouda omdat er in IJsselstein geen passende ondersteuning meer voorhanden was. Bovendien was er in IJsselstein een diep verdeelde organisatie met medewerkers die voor dan wel tegen de terugkomst van [werknemer] waren. Ook waren er vele digitale bestanden en mails uit de bestanden en de mailbox van [werknemer] gewist. Centric meent met de keuze voor Gouda niet in strijd te hebben gehandeld met het vonnis in kort geding. Met zijn ontbindingsverzoek heeft [werknemer] een fait accompli gecreëerd. Het einde van het dienstverband moet als een gegeven worden geschouwd. Volgens Centric heeft [werknemer] met zijn stellingname in de afgelopen maanden beoogd een situatie te bewerkstelligen om de aandacht af te leiden van waar het werkelijk om gaat. Het gaat dan om het ontbreken van loyaliteit naar zijn leidinggevende, [bestuurder] alsmede om de leugens over zijn afwezigheid en zijn activiteiten buiten Centric. De verwijten die [werknemer] vanaf het op 17 juli 2019 gehouden gesprek zijn gemaakt, waren in de ogen van Centric volkomen terecht. [werknemer] heeft bijgedragen aan het ontstaan en in stand houden van het conflict. Dit is op zichzelf genomen geen teken van goed werknemerschap. Ten slotte is [werknemer] in de aanloop naar de zitting waarop het ontbindingsverzoek zou worden behandeld, niet ingegaan op de poging van Centric om tot een minnelijke regeling te komen.

in het voorwaardelijk tegenverzoek

3.5

Centric verzoekt - kortweg gezegd - dat voor het geval [werknemer] zijn verzoek intrekt - bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad de tussen partijen bestaande arbeids-overeenkomst, rekening houdende met de opzegtermijn en de looptijd van deze procedure, wordt ontbonden op g-, h-, dan wel i-grond, met veroordeling van [werknemer] in de proceskosten aan de zijde van Centric.

3.6

Onder verwijzing naar wat zij onder 3.4 heeft aangevoerd, is Centric van mening dat

er redelijke gronden zijn om de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden. Herplaatsing van [werknemer] in een andere passende functie ligt, aldus Centric, niet in de rede. Er is, naar de mening van Centric, sprake van een zodanig verstoorde arbeids-verhouding, van zodanige andere dan de in artikel 7:669,3e lid, onderdeel a tot en met g, BW genoemde omstandigheden dan wel van een zodanige combinatie van omstandigheden genoemd in twee of meer van de in de onderdelen c tot en met h van artikel 7:669, 3e lid, BW omschreven gronden dat van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De ontbinding kan volgens Centric gepaard gaan met de toekenning van een transitievergoeding. Deze kan overigens pas worden berekend als de ontbindingsdatum bekend is. Zoals zij al in het kader van het inleidende verzoek naar voren heeft gebracht, meent Centric dat [werknemer] geen billijke vergoeding toekomt. Haar kan niet worden verweten dat zij ernstig verwijtbaar tegenover [werknemer] heeft gehandeld. Het is juist [werknemer] geweest die verwijtbaar tegenover haar heeft gehandeld. Ook in dit kader is Centric bereid af te zien van haar rechten op het concurrentiebeding voor zover dit beding geen betrekking heeft op de onderneming van Cegeka of op daaraan gelieerde ondernemingen. Centric heeft, zoals hiervoor al is aangegeven, een groot belang bij handhaving van het concurrentiebeding ten aanzien van deze onderneming(en).

3.7 [

werknemer] heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd tegen het verzoek van Centric. Voor zover hier van belang zal de kantonrechter bij zijn beslissing op dit verweer ingaan. Ter zitting heeft [werknemer] nog benadrukt dat als de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op één van de door Centric genoemde gronden, hij aanspraak blijft maken op een transitievergoeding die berekend is alsof het ontbindingsverzoek vóór 1 januari 2020 is gedaan alsmede op een billijke vergoeding ter grootte van € 400.000,=. Ook wenst [werknemer] dat wordt bepaald dat Centric geen rechten kan ontlenen aan het concurrentie- en relatiebeding uit de arbeidsovereenkomst, althans dat [werknemer] hieraan niet langer is gebonden, althans dat deze bedingen worden vernietigd als in het inleidende verzoek is omschreven. Ten slotte maakt [werknemer] aanspraak op vergoeding door Centric van de door hem gemaakte juridische kosten, zijnde een bedrag van € 15.000,= exclusief BTW, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, althans dat Centric wordt veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [werknemer];

4 Beoordeling

in het inleidende verzoek

4.1 [

werknemer] heeft de in het incident onder a. verzochte voorlopige voorziening weer ingetrokken. De kantonrechter komt dan ook niet toe aan een beoordeling van dit incidentele verzoek. Dit geldt ook voor de in de hoofzaak onder b. verzochte loon-doorbetaling. Ook dit verzoek heeft [werknemer] ingetrokken.

4.2

Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Het ontbindingsverzoek van [werknemer] komt dan ook op grond van artikel 7:671c BW voor toewijzing in aanmerking.

4.3

Bij het bepalen van het tijdstip van beëindiging van de arbeidsovereenkomst zal de kantonrechter in ieder geval rekening houden met de gelet op artikel 7:672, 2e lid, aanhef en onder d, BW geldende opzegtermijn van 4 maanden. Of de kantonrechter ook rekening zal houden met de looptijd van de ontbindingsprocedure, hangt of van het antwoord op de vraag of - zoals [werknemer] stelt - Centric ernstig verwijtbaar tegenover hem heeft gehandeld. De kantonrechter komt hier later nog op terug.

4.4

Partijen zijn het erover eens dat [werknemer] op grond van artikel 7:673 BW een transitievergoeding toekomt. Bij de berekening van deze vergoeding komt de kantonrechter uit op een bedrag van € 116.438,= bruto. De kantonrechter zal dit bedrag - in afwijking van het verzochte bedrag van € 126.625,= bruto - toekennen.

4.5

Of [werknemer] eveneens aanspraak kan maken op een billijke vergoeding hangt gelet op het bepaalde in artikel 7:671c, 2e lid, aanhef en onder b, BW af van het antwoord op de vraag of de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Centric. Dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zal zich blijkens de wetsgeschiedenis slechts voordoen in uitzonderlijke gevallen. Bijvoorbeeld als een werkgever de verplichtingen die voortvloeien uit de arbeids-overeenkomst, niet nakomt en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren. Gelet op de stukken en op wat partijen ter zitting nog naar voren hebben gebracht, is de kantonrechter van oordeel dat de hiervoor gestelde vraag positief dient te worden beantwoord. Er doet zich hier een uitzonderlijk geval voor. Immers, tijdens het op 17 juli 2019 gehouden gesprek is in verband met het ontbreken van draagvlak [werknemer], weliswaar met behoud van loon, per direct op non-actief gesteld en is hem meegedeeld dat zou worden aangestuurd op een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Centric lijkt zich hierbij nauwelijks rekenschap te hebben gegeven van het feit dat [werknemer] voorafgaand aan het gesprek meer dan 18 jaar bij Centric had gewerkt zonder dat hij door zijn leidinggevenden in negatieve zin was aangesproken op zijn (wijze van) functioneren. Centric heeft de kantonrechter er onvoldoende van kunnen overtuigen dat de verwijten die zij [werknemer] sinds het gesprek maakt, op goede gronden berusten. Naar de kantonrechter ter zitting heeft begrepen was bij [bestuurder] en [vertegenwoordiger 1], en dus bij Centric, het vertrouwen weg in (het functioneren van) [werknemer]. Zo werden onder meer vraagtekens gezet bij de loyaliteit van [werknemer]. Het unheimische gevoel dat Centric daarbij had, is zij - naar zeggen van [vertegenwoordiger 1] ter zitting - eigenlijk niet meer kwijtgeraakt. [werknemer] behoorde namelijk tot de vriendenkring van [voormalig directeur] die inmiddels in dienst was getreden van de grootste concurrent van Centric, Cegeka. Juist in dit licht bezien heeft het de kantonrechter enigszins verbaasd dat na de dagbepaling van het kort geding, Centric [werknemer] heeft uitgenodigd om zijn werkzaamheden weer te hervatten op het kantoor van Centric Holding in Gouda. Maar wat daar ook van zij, na het kort gedingvonnis is [werknemer] opnieuw door Centric uitgenodigd om op het kantoor in Gouda zijn werkzaamheden te hervatten. [werknemer] heeft zich steeds tegen een werkhervatting in Gouda verzet. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [werknemer] dit op goede gronden kunnen doen. In het dictum van het kort gedingvonnis heeft de kantonrechter weliswaar niet met zoveel woorden geboden dat [werknemer] toegelaten diende te worden om zijn werkzaamheden met bijbehorende taken en bevoegdheden als managing director van Centric Staffing Services weer in IJsselstein te hervatten, maar deze beslissing kan niet los worden gezien van zijn aan de beslissing voorafgaande overwegingen. In het kort gedingvonnis heeft de kantonrechter aangegeven dat de kern van het geschil was de vraag of [werknemer] weer diende te worden toegelaten tot zijn gebruikelijke werkzaamheden te IJsselstein met alle daarbij behoren taken (standpunt [werknemer]) of dat er aanleiding bestond om [werknemer] slechts een beperkt deel van zijn taken en bevoegdheden uit te laten voeren en eerst een plan van aanpak te bespreken alvorens de resterende taken en bevoegdheden werden uitgevoerd (standpunt Centric). Tevens is door de kantonrechter in het kort gedingvonnis aangegeven dat naar zijn voorlopig oordeel Centric [werknemer] weer diende toe te laten tot al zijn taken en bevoegdheden en dat partijen vanuit die positie nader met elkaar in gesprek dienden te gaan. Dat Centric op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan het kort gedingvonnis, kan niet worden volgehouden. Lezing van de onder 2.21 aangehaalde brief van Centrics gemachtigde d.d. 11 november 2019 roept bij de kantonrechter niet bepaald het beeld op van een werkgever die zijn managing director ruimte en vertrouwen geeft om al zijn werkzaamheden met alle daarbij behorende taken en bevoegdheden weer op de oude standplaats te hervatten.

Dit wekt op zich dan weer geen bevreemding in het licht van de mededeling van [vertegenwoordiger 1] ter zitting dat het unheimische gevoel dat Centric bij de omstreden loyaliteit van [werknemer] had, eigenlijk nooit is weggeweest. Gelet op het voorgaande kan de kantonrechter niet anders concluderen dan dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Centric. Dat [werknemer] in de aanloop naar de zitting waarop het ontbindingsverzoek zou worden behandeld, niet zou zijn ingegaan op de poging van Centric om tot een minnelijke regeling te komen, doet de kantonrechter niet anders oordelen.

4.6

Het hiervoor omschreven ernstig verwijtbaar handelen rechtvaardigt de toekenning van een billijke vergoeding. De hoogte van de billijke vergoeding dient te worden bepaald op een wijze die, en op een niveau dat aansluit bij de bijzondere omstandigheden van het geval. Zoals de Hoge Raad in zijn New Hairstyle-arrest d.d. 30 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017: 1187) heeft overwogen, gaat het er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Ook om in de toekomst dergelijk handelen tegen te gaan. Bij de vaststelling van de vergoeding komt het aan op alle omstandigheden van het geval. En gelet op al de omstandigheden van dit geval zal de kantonrechter de billijke vergoeding vaststellen op een bedrag van € 200.000,= bruto. De kantonrechter ziet onvoldoende grond om het inkomensverlies van [werknemer] volledig tot aan zijn pensioendatum te compenseren. Juist gelet op het uitgebreide netwerk dat [werknemer] in de ICT-branche heeft opgebouwd, acht de kantonrechter het niet ondenkbaar dat [werknemer] na enige tijd een nieuwe baan zal vinden met een salarisniveau dat vergelijkbaar is met het huidige salarisniveau dan wel dit benaderd. Voorts kan niet uit het oog worden verloren dat aan [werknemer] een transitievergoeding zal worden toegekend, dat een opzegtermijn van 4 maanden (zonder enige aftrek) in acht zal worden genomen en dat [werknemer] niet zal worden gehouden aan de in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentie- en relatiebedingen. Ten slotte kan niet worden uitgesloten dat indien het ernstige verwijtbare handelen zich niet had voorgedaan, op enige moment de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst op één van de in artikel 7:669, 3e lid, BW vermelde gronden zou worden ontbonden.

4.7

Gelet op het ernstig verwijtbaar handelen van Centric tegenover [werknemer], zal de kantonrechter de ontbindingsdatum bepalen met inachtneming van de opzegtermijn van 4 maanden op 1 juli 2020. Met de looptijd van de ontbindingsprocedure zal dus geen rekening worden gehouden.

4.8

Aangezien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Centric, zal de kantonrechter gelet op artikel 7:653, vierde lid, BW bepalen dat Centric geen rechten kan ontlenen aan de in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentie- en relatiebedingen.

4.9

Nu Centric ernstig verwijtbaar jegens [werknemer] heeft gehandeld en [werknemer] hierdoor aanzienlijk juridische kosten heeft moeten, ziet de kantrechter aanleiding deze kosten te vergoeden. Gelet hierop zal de kantonrechter de door [werknemer] gemaakte kosten waarvan de hoogte op zichzelf genomen niet door Centric is betwist, bepalen op een bedrag van € 15.000,= exclusief BTW.

4.10

Omdat aan de ontbinding een vergoeding wordt verbonden, zal [werknemer] gelet op artikel 7:686a, lid 6, BW in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken binnen de bij de beslissing aan te geven termijn.

in het voorwaardelijke tegenverzoek

4.11

Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bovendien ligt herplaatsing van [werknemer] in een andere passende functie binnen de organisatie van Centric niet in de rede. Zoals in het inleidende verzoek is overwogen, is de verstoorde arbeidsverhouding het gevolg van het ernstig verwijtbaar handelen van Centric.

4.12

In dit ernstig verwijtbaar handelen ziet de kantonrechter aanleiding, zoals verzocht door [werknemer], de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de langst mogelijke termijn dat wil zeggen met inachtneming van de opzegtermijn van 4 maanden en dus met ingang van 1 juli 2020. Met de looptijd van de ontbindingsprocedure zal geen rekening worden gehouden.

4.13

Partijen zijn het erover eens dat [werknemer] op grond van artikel 7:673 BW een transitievergoeding toekomt. Omdat het voorwaardelijk tegenverzoek in het verlengde van het inleidende verzoek is gedaan, acht de kantonrechter het redelijk en billijk dat deze vergoeding wordt vastgesteld op het bedrag dat in het inleidende verzoek zal worden toegekend, te weten: een bedrag van € 116.438,= bruto.

4.14

Gelet op wat hiervoor onder 4.5 en 4.6 is overwogen, zal de kantonrechter ook hier een billijke vergoeding aan [werknemer] toekennen van € 200.000,= bruto.

4.15

Nu - zoals al meermalen is gesteld - de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Centric, zal de kantonrechter gelet op artikel 7:653, vierde lid, BW bepalen dat Centric geen rechten kan ontlenen aan de in de arbeids-overeenkomst opgenomen concurrentie- en relatiebedingen.

4.16

Nu Centric ernstig verwijtbaar jegens [werknemer] heeft gehandeld en [werknemer] hierdoor aanzienlijk juridische kosten heeft moeten, ziet de kantrechter aanleiding deze kosten te vergoeden. Gelet hierop zal de kantonrechter de door [werknemer] gemaakte kosten waarvan de hoogte op zichzelf niet door Centric is betwist, bepalen op een bedrag van € 15.000,= exclusief BTW.

5 Beslissing

De kantonrechter:

in het inleidende verzoek

bepaalt dat de termijn waarbinnen [werknemer] het verzoek kan intrekken, zal lopen tot en met 15 maart 2020;

en voor het geval [werknemer] het verzoek niet binnen die termijn intrekt

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juli 2020;

kent aan [werknemer] een transitievergoeding toe van € 116.438,= bruto;

kent aan [werknemer] een billijke vergoeding toe van € 200.000,= bruto;

bepaalt dat Centric geen rechten kan ontlenen aan de in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentie- en relatiebedingen;

veroordeelt Centric tot vergoeding van de door [werknemer] gemaakte juridische kosten, tot op heden vastgesteld op een bedrag van € 15.000,= exclusief BTW;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

in het voorwaardelijke zelfstandig tegenverzoek

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juli 2020;

kent aan [werknemer] een transitievergoeding toe van € 116.438,= bruto;

kent aan [werknemer] een billijke vergoeding toe van € 200.000,= bruto;

bepaalt dat Centric geen rechten kan ontlenen aan de in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentie- en relatiebedingen;

veroordeelt Centric tot vergoeding van de door [werknemer] gemaakte juridische kosten, tot op heden vast gesteld op een bedrag van € 15.000,= exclusief BTW;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.C. Gerritse, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 februari 2020.