Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:1664

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-02-2020
Datum publicatie
11-03-2020
Zaaknummer
NL20.3590
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel – Marokko – veilig land van herkomst – medische omstandigheden geen aanleiding voor art. 64 Vw

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.3590


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F. Ben-Saddek),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.S.N. Rietveld).


Procesverloop
Bij besluit van 9 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond, is een vertrektermijn onthouden en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.3591, plaatsgevonden op 18 februari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M.L. Majdoubi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1991 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Op 26 januari 2020 heeft eiser voornoemde aanvraag ingediend en daaraan ten grondslag gelegd dat hij in 2016 tot de ontdekking kwam geadopteerd te zijn en daarop is vertrokken uit zijn woonplaats [plaats] omdat hij bang was dat dit gegeven bekend zou worden binnen de gemeenschap. Bij terugkeer in 2018 naar [plaats] is eiser vanwege zijn adoptie meerdere keren mishandeld en hebben er vechtpartijen plaatsgevonden. Eiser voelt zich ongewenst in Marokko en zijn gezondheid is achteruit gegaan.

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- nationaliteit, identiteit en herkomst;

- mishandelingen en gevechten vanwege adoptie.

3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat Marokko kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst, behalve voor personen met een LHBTI-geaardheid. Ondanks het geloofwaardig achten van alle relevante elementen van eisers relaas, heeft verweerder geen aanleiding gezien aan te nemen dat Marokko ten aanzien van eiser zijn verdragsverplichtingen niet nakomt en derhalve in zijn geval niet als veilig land van herkomst kan worden beschouwd. Eiser heeft onvoldoende inspanning geleverd om hulp of bescherming van de autoriteiten bij zijn problemen te verkrijgen, aldus verweerder.

4. Eiser kan zich met deze beslissing niet verenigen en stelt daartoe als volgt. Het bestreden besluit kan geen stand houden nu verweerder zich pas in het bestreden besluit voor het eerst op het standpunt heeft gesteld dat het deel van eisers relaas dat ziet op inspanning bij het verkrijgen van bescherming bij de autoriteiten ongeloofwaardig zou zijn. Verweerder heeft voorts een cirkelredenering gebruikt ten aanzien van Marokko als veilig derde land en de mogelijkheid tot het doen van aangifte. Reeds in de zienswijze heeft eiser getracht aan te tonen dat de politie niet handhaaft of vervolgt op zijn aangifte omdat hij geen persoon van enig statuur is. Een klacht ten aanzien van het niet rechercheren op de aangiften kan geduid worden als het belasteren van de politie, hetgeen kan leiden tot de situatie waarbij eiser aangifte doet en vervolgens zelf vervolgd wordt. Het theoretische concept van Marokko als veilig derde land gaat in de praktijk niet op, nu er geen onafhankelijke instituten zijn waar geklaagd kan worden over het uitblijven van vervolging na aangiften.

Ten aanzien van zijn gezondheid stelt eiser zich op het standpunt dat hij met de overgelegde medische stukken in voldoende mate heeft aangetoond dat sprake is van medische problemen. Het is niet aan de hoormedewerker deze stukken te duiden; hiervoor had een arts geraadpleegd moeten worden. Nu dit niet is gebeurd kan het besluit op dit onderdeel geen stand houden.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Marokko is door verweerder als veilig land van herkomst aangemerkt, waardoor sprake is van een algemeen rechtsvermoeden dat vreemdelingen uit Marokko geen bescherming nodig hebben. De Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft bij uitspraak van 19 maart 20191 zijn eerdere oordeel dat verweerder Marokko heeft mogen aanwijzen als veilig land van herkomst bevestigd. Gelet op het voorgaande ligt het op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat Marokko niet langer als veilig land van herkomst kan worden beschouwd, of dat het land in zijn individuele geval niet als veilig is aan te merken. Hierbij geldt een hoge drempel.

5.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat Marokko jegens hem zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen en daarom niet als veilig land van herkomst voor eiser persoonlijk kan worden beschouwd. Verweerder heeft in dat kader niet ten onrechte overwogen dat eiser zich in het geval van nieuwe problemen vanwege zijn adoptie kan richten tot de Marokkaanse autoriteiten. Het standpunt dat eiser van de autoriteiten geen bescherming kan krijgen omdat hij meermaals tevergeefs aangifte heeft gedaan wordt niet gevolgd. Hieraan doet niet af dat verweerder eisers asielrelaas geloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft er niet ten onrechte op gewezen dat eiser zijn gestelde aangiften niet met documenten heeft onderbouwd. Bovendien blijkt uit de verklaringen van eiser niet dat hij alle mogelijke inspanning heeft geleverd om bescherming van de autoriteiten te krijgen, nu gesteld noch gebleken is dat hij een klacht heeft ingediend toen er niets met zijn aangifte is gedaan. Evenmin heeft eiser zich tot de hogere autoriteiten of andere instanties gewend. Verweerder heeft zich aldus terecht op het standpunt gesteld dat Marokko ten aanzien van betrokkene als veilig land van herkomst kan worden beschouwd. Het standpunt dat eiser het risico loopt op vervolging door te klagen bij hogere instanties en het feit dat er geen onafhankelijke instituten zijn is verder niet nader onderbouwd.

5.3

Verweerder heeft voorts geen aanleiding hoeven zien om eiser gezien de aangevoerde medische omstandigheden op basis van artikel 64 van de Vw uitstel van vertrek te verlenen. Van belang is dat uit het medisch advies van het FMMU niet is gebleken dat eiser onder behandeling van de medische dienst van Justitieel Complex Schiphol stond. Bovendien zijn geen andere medische klachten anders dan spannings- en stressklachten geconstateerd en heeft eiser bij zijn inreis bij de Koninklijke Marechaussee aangegeven gezond te zijn en geen medicijnen te gebruiken. Ten aanzien van de bij het gehoor overgelegde medische stukken heeft verweerder kunnen overwegen dat het twee onvertaalde documenten betreft waaruit bovendien niet valt af te leiden waar de documenten op zien. De enkele verklaring dat het zou gaat om doorverwijzingen van een arts, medicatie en een CAT-scan zijn gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onvoldoende om tot een ander oordeel te leiden. Verweerder heeft onder deze omstandigheden kunnen afzien van het (nader) raadplegen van een arts.

5.4

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder de aanvraag kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. Op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b van de Vw mocht verweerder daarom bepalen dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw heeft verweerder ook een inreisverbod kunnen opleggen.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroon - Overdijk, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 ECLI:NL:RVS:2019:902