Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:1629

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-03-2020
Datum publicatie
13-05-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4652
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2021:165, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser maakt niet aannemelijk dat contante giften daadwerkelijk zijn gedaan. Verweerder maakt niet aannemelijk dat aan opzet of grove schuld van eiser te wijten is dat aanslagen tot een te laag bedrag zijn vastgesteld. Navorderingsaanslagen zijn terecht opgelegd, boetebeschikkingen worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/1294
FutD 2020-1500 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2020/1852
NLF 2020/1245 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 19/4652 en SGR 19/5883

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2020 in de zaken tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P. de Haas),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor jaren 2012 en 2013 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd (de navorderingsaanslagen) en bij beschikkingen vergrijpboeten opgelegd van respectievelijk € 2.612 en € 2.480 (de boetebeschikkingen).

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 7 juni 2019 de navorderingsaanslagen en de boetebeschikkingen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft op 28 oktober 2019 het verzoek van verweerder om geheimhouding van persoonsgegevens van derden die voorkomen in een door hem overgelegd FIOD-rapport toegewezen.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2020.

Namens eiser is [A] , kantoorgenoot van de gemachtigde, verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [B] , [C] en [D] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft in zijn aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2012 en 2013 contante giften aan de [universiteit] ( [universiteit] ) in aanmerking genomen. De giftenaftrek bedroeg, vóór toepassing van de drempel, in 2012 € 8.000 en in 2013 € 7.000. De [universiteit] stond vanaf 1 januari 2008 geregistreerd als een algemeen nut beoogde instelling (ANBI).

2. Verweerder heeft naar aanleiding van de aangifte IB/PVV voor het jaar 2012 op
26 maart 2014 aan eiser gevraagd de giftenaftrek toe te lichten. In reactie hierop heeft eiser kopieën overgelegd van een kwitantie voor € 8.000 met dagtekening 19 juni 2012 en volgnummer [nummer] en van een bankafschrift met daarop een contante geldopname van totaal € 25.000. De aanslag IB/PVV voor het jaar 2012 is vervolgens op 23 mei 2014 conform de aangifte opgelegd.

3. Over de aangifte IB/PVV voor het jaar 2013 heeft verweerder geen vragen gesteld. De aanslag IB/PVV voor dat jaar is met dagtekening 25 februari 2015 conform de aangifte opgelegd.

4. In 2013 is de Belastingdienst begonnen met een onderzoek naar de ANBI status van de [universiteit] . Van dat onderzoek is met dagtekening 17 mei 2016 een rapport opgemaakt (het ANBI-rapport). Bij dit onderzoek is onder meer vastgesteld dat de [universiteit] in het jaar 2012 meer kwitanties had uitgeschreven dan in haar administratie was verantwoord en dat de [universiteit] in de jaarstukken voor 2013 slechts € 88.564 aan ontvangen donaties had verwerkt terwijl in diverse aangiften IB/PVV in totaal € 3.445.808 aan giften aan de [universiteit] was aangegeven. In het ANBI-rapport staat verder dat, volgens verklaring van de [universiteit] in 2012 een groot aantal kwitanties is zoekgeraakt en dat dit in andere jaren niet is voorgekomen. Het zou daarbij vermoedelijk gaan om de bonnummers 880 tot en met 1180 en 1690 tot en met 2000.

5. Bij het ANBI-rapport zit als bijlage een verslag van een bespreking op

21 februari 2014 bij Belastingdienst/Rijnmond (het verslag) waarin onder meer het volgende is vermeld.

“De kasadministratie vertoont grote gebreken:

(…)

 In 2012 zijn ongeveer 850 donaties geboekt. Ook nummer 2500 (laatste kwitantie is gebruikt). Er ontbreekt dus ongeveer 80%. (…) Volgens (…) heeft hij meermalen aangegeven dat veel niet gebruikte (?) kwitanties zijn zoekgeraakt. (…)

4. Behandeling ontvangen donaties in relatie tot aftrek giften.

(…)

Vragen aan donateurs:
-Aantonen dat donatie is gedaan d.m.v. kwitantie.
-Aannemelijk maken dat donatie ook daadwerkelijk KAN worden gedaan (inkomstencheck, vermogen, erfenis, lening).
-Aantonen dat direct voorafgaand aan contante donatie er een bankopname o.i.d. heeft plaats gevonden.
(…)

(…)

Deze bijeenkomst is bedoeld om een mogelijk landelijke aanpak van de giftenaftrek te bespreken. Over de mogelijkheden, plan van aanpak, coördinatie, en dergelijke.

In een volgend overleg zullen tevens de gevolgen voor de LH (vrijwilligers, eten, autokosten), de OB (vrijstellingen, doorberekende kosten), IB (beloningen bestuurders) en VPB (belastingplicht [universiteit] en VA) worden besproken en toegelicht.

Het verslag van ANBI-onderzoek zal dan definitief zijn. (…).”

6. In januari 2015 is de FIOD begonnen met strafrechtelijke onderzoeken naar het gebruik van valse kwitanties van giften aan andere ANBI-instellingen dan de [universiteit] . Daarbij bleek dat diverse van de daarin betrokken belastingplichtigen ook giften aan de [universiteit] hadden afgetrokken. Naar aanleiding hiervan is op 17 september 2015 besloten de FIOD een strafrechtelijk onderzoek te laten instellen naar de [universiteit] .

7. Tot de stukken van het geding behoort een CD-rom met daarop het Proces-Verbaal met bijlagen van het FIOD-onderzoek naar de [universiteit] (het FIOD-PV). Overeenkomstig de beslissing van de rechtbank van 28 oktober 2019 zijn de namen van derden daarin onleesbaar gemaakt. Eiser is in het FIOD-onderzoek niet aangemerkt als verdachte en is daarin ook niet als getuige gehoord. Zijn naam komt wel voor in het overzicht met namen en bedragen dat bij het FIOD-PV is gevoegd.

8. Uit het FIOD-PV blijkt dat de penningmeester van de [universiteit] heeft verklaard dat hij op grote schaal kwitanties heeft verkocht voor een percentage van ongeveer 10 à 12% van het bedrag dat op de kwitanties stond vermeld.

9. De Officier Justitie heeft op 16 maart 2017 toestemming verleend de bevindingen uit het FIOD-onderzoek naar de [universiteit] te gebruiken voor fiscale doeleinden.

10. Verweerder heeft op 28 september 2017 eiser verzocht de giftenaftrek voor het jaar 2013 te specificeren en bewijsstukken daarvan te verstrekken. In reactie hierop heeft eiser kopieën overgelegd van een kwitantie voor € 7.000 met dagtekening 14 juli 2013 en van een bankafschrift met daarop contante geldopnames van € 4.000 op 12 juli 2013 en € 4.000 op 13 juli 2013.

11. Verweerder heeft vervolgens op 26 oktober 2017 kennisgevingen aan eiser gezonden dat hij voor de jaren 2012 en 2013 navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen zal opleggen waarbij de giftenaftrek aan de [universiteit] wordt gecorrigeerd. De navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen zijn op 2 december 2017 opgelegd.

Geschil
12. In geschil is of verweerder de navorderingsaanslagen heeft mogen opleggen, of bij de navorderingsaanslagen terecht de aftrek van de giften is gecorrigeerd en of de vergrijpboeten terecht zijn opgelegd.

13. Eiser stelt dat verweerder niet gerechtigd is de navorderingsaanslagen op te leggen omdat geen sprake is van een nieuw feit als bedoeld in artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). Verder stelt eiser dat hij met de kwitanties en de bankafschriften voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de afgetrokken giften daadwerkelijk heeft gedaan en dat de verklaringen van de penningmeester van de [universiteit] niet op hem betrekking hebben en overigens niet betrouwbaar zijn. Die verklaringen zijn in ieder geval niet genoeg voor het bewijs dat het aan opzet of grove schuld van eiser te wijten is dat te weinig belasting is betaald. Uit het FIOD-PV blijkt niet dat wat de penningmeester van de [universiteit] heeft verklaard op hem betrekking heeft.

14. Verweerder neemt het standpunt in dat het FIOD-PV een nieuw feit is dat navordering rechtvaardigt en dat overigens eiser te kwader trouw is, omdat hij wist dat hij ten onrechte giften in aftrek bracht. Gezien de verklaringen van de penningmeester van de [universiteit] kan aan de kwitanties en de bankafschriften volgens verweerder geen betekenis worden toegekend zodat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk de giften heeft gedaan. Verder moet eiser, aldus verweerder, geweten hebben dat hij ten onrechte de giften in aftrek bracht en dat hij daardoor te weinig belasting betaalde. Het daartoe gebruiken van valse kwitanties is een strafverzwarende omstandigheid.

Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid beroep SGR 19/5883

15. De uitspraak op bezwaar inzake de navorderingsaanslag 2013 is gedagtekend

7 juni 2019. Het beroepschrift is op 10 september 2019, te laat, ingediend. Eiser stelt dat hij op 9 augustus 2019 via e-mail heeft geïnformeerd of het klopt dat hij voor het jaar 2013 nog geen uitspraak heeft ontvangen. In reactie hierop heeft verweerder op 9 augustus 2019 laten weten dat reeds op 7 juni 2019 uitspraak is gedaan en een kopie van die uitspraak aan eiser verstrekt. Verweerder heeft aan de rechtbank stukken toegestuurd waaruit blijkt dat de uitspraak op bezwaar is opgemaakt. Met deze stukken heeft hij echter de verzending van de uitspraak op bezwaar niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de uitspraak op bezwaar pas op 9 augustus 2019 is verzonden. Aangezien eiser binnen 6 weken gerekend vanaf die datum beroep heeft ingesteld, is het beroep ontvankelijk.

Nieuw feit

16. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan ingevolge artikel 16, eerste lid, eerste volzin, van de Awr de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Op grond van artikel 16, eerste lid, tweede volzin, van de Awr kan een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Eiser stelt dat verweerder reeds in februari 2014 op de hoogte was van de onregelmatigheden bij de [universiteit] en dat hij daarom ten tijde van het opleggen van de navorderingsaanslagen niet beschikte over een nieuw feit als bedoeld in artikel 16 van de Awr. Eiser wijst in dit kader op het onder 5 genoemde verslag.

17. De bewijslast dat sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt, rust op verweerder. Op grond van vaste rechtspraak is verweerder niet gehouden onderzoek te doen naar de juistheid van een ingediende aangifte indien voor de daarin opgenomen posten een redelijke verklaring mogelijk is. Verweerder mag er in dergelijke gevallen van uitgaan dat de belastingplichtige zijn aangifte, juist, volledig en zonder voorbehoud heeft ingevuld. Op grond van de door eiser voor het jaar 2012 overgelegde stukken heeft verweerder op dat moment niet hoeven te betwijfelen of de giften daadwerkelijk waren gedaan en dat deze voor aftrek in aanmerking kwamen. Niet gebleken is dat er voor verweerder voor het jaar 2013 reden was niet uit te gaan van de juistheid van de aangifte.

18. Dat uit het verslag volgt dat verweerder wist dat sprake was van onregelmatigheden bij de [universiteit] leidt niet tot een ander oordeel. Uit het ANBI-rapport en het verslag blijkt namelijk dat er op dat moment nog slechts van werd uitgegaan dat er kwitanties voor het jaar 2012 waren verdwenen en dat die wellicht zouden zijn gebruikt om ten onrechte giften af te trekken zonder dat sprake was van daadwerkelijke betalingen. Om die reden wordt (voor kwitanties uit 2012) geadviseerd dan wel afgesproken te beoordelen of de giften konden worden gedaan gezien de inkomens/vermogenspositie van de betrokkene en of er met de kwitanties corresponderende contante geldopnames waren. Dat door de penningmeester van de [universiteit] op grote schaal werd gehandeld in kwitanties, dat de informatie in de digitale bestanden van de [universiteit] niet zonder meer juist is en dat de onregelmatigheden zich niet beperkten tot de voor het jaar 2012 zoekgeraakte kwitanties en ook om andere redenen getwijfeld kon worden aan de juistheid van de kwitanties, was op dat moment nog niet bekend. Dit is pas gebleken uit het onderzoek waartoe op

17 september 2015, dus ruim na het opleggen van de aanslagen, werd besloten. Dat betekent dat sprake is van een nieuw feit als bedoeld in artikel 16, tweede lid van de Awr en dat verweerder de navorderingsaanslagen heeft mogen opleggen.

Giftenaftrek

19. De bewijslast dat sprake is van aftrekbare giften rust op eiser. Bij contante giften moet een belastingplichtige - zoals verweerder terecht heeft gesteld - met schriftelijke bescheiden aantonen dat de door hem gestelde giften daadwerkelijk zijn gedaan, dat wil zeggen aan de [universiteit] ten goede zijn gekomen. Eiser wijst daartoe op de door hem overgelegde kwitanties en bankafschriften. Gezien de verklaringen van de penningmeester van de [universiteit] die worden bevestigd door verklaringen van anderen, kan aan de kwitanties op zichzelf onvoldoende bewijskracht worden toegekend. Weliswaar staat niet onomstotelijk vast dat ook in het geval van eiser sprake is van onjuiste kwitanties, maar evenmin kan met zekerheid worden gesteld dat de kwitanties in overeenstemming zijn met wat hij daadwerkelijk aan de [universiteit] heeft geschonken. Eiser wijst ter onderbouwing van de kwitantie voor het jaar 2012 op het door hem overgelegde bankafschrift met daarop een bankopname van € 25.000 op 26 juni 2012. De kwitantie heeft als dagtekening 19 juni 2012 zodat de schenking van € 8.000 heeft plaatsgevonden vóór die bankopname. Die bankopname kan dan ook niet ten grondslag hebben gelegen aan de gestelde gift. De verklaring ter zitting dat eiser op 19 juni 2012 een toezegging heeft gedaan en het bedrag later heeft betaald, maakt dit niet anders. Dat vergroot eerder de twijfels aan de juistheid van de kwitantie.

20. Ter onderbouwing van de kwitantie voor het jaar 2013 wijst eiser op het overlegde bankafschrift en stelt hij dat de contante opnames op 12 en 13 juli 2013 van in totaal € 8.000 corresponderen met de kwitantie van 14 juli 2013. Verweerder betwist deze stelling van eiser en wijst hiertoe op het FIOD-PV (pagina’s 4258 tot en met 4269) waarin SMS berichten tussen derden en de penningmeester van de [universiteit] zijn weergegeven. Uit deze berichten ontstaat het beeld van een werkwijze waarbij achteraf de hoogte van de schenking en de datum van de schenking op de kwitantie met de penningmeester werden afgestemd aan de hand van bankafschriften waarop reeds contante opnames zijn vermeld. Niet kan worden uitgesloten dat ook in het geval van eiser dit is gebeurd, verweerder heeft dan ook voorbij kunnen en mogen gaan aan de bankafschriften. Nu eiser geen ander bewijs heeft overgelegd, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat de door hem overgelegde kwitantie wel voldoende betrouwbaar is.

21. Gezien het voorgaande is eiser niet geslaagd in het bewijs dat hij de giften heeft gedaan. Verweerder heeft dan ook op goede gronden de giften gecorrigeerd en de navorderingsaanslagen opgelegd.

Vergrijpboetes

22. Op grond van artikel 67e, eerste lid, van de Awr kan de inspecteur een boete opleggen van ten hoogste 100 percent indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld.

23. Op verweerder rust de bewijslast dat het beboetbare feit zich heeft voorgedaan. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd voor de door hem in zijn aangifte afgetrokken giften en dat de aanslag daardoor tot een te laag bedrag is vastgesteld. Ter onderbouwing van zijn stelling dat dit te wijten is aan opzet dan wel grove schuld van eiser maakt verweerder gebruik van bewijsvermoedens die hij baseert op de verklaringen van de penningmeester van de [universiteit] , de verklaringen van getuigen en verdachten die betrokken zijn in het onderzoek van de [universiteit] en verklaringen die andere belastingplichtigen hebben afgelegd tijdens diverse hoorgesprekken. Verder wijst verweerder op de handgeschreven kasadministratie van de [universiteit] over de periode

1 december 2013 tot en met 31 december 2016. Daarin komt een betaling voor van € 1.100 ten laste van eiser op 16 februari 2014. Het gegeven dat rond de datum van indiening van de aangifte van een eerder jaar een betaling van 10% tot 12% van het kwitantiebedrag in de kasadministratie wordt aangetroffen, is een dikwijls terugkerend fenomeen en een bewijs van de stelselmatige frauduleuze aanpak, aldus verweerder.

24. Op zichzelf mag verweerder gebruik maken van bewijsvermoedens, maar die vermoedens moeten wel redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen (ECLI:NL:HR:2011:BN6350). Daarvan is in dit geval geen sprake omdat het bewijsvermoeden slechts is gebaseerd op verklaringen van derden over wat kennelijk een gebruikelijke werkwijze was binnen de [universiteit] . Uit die verklaringen kan weliswaar worden geconcludeerd dat in veel gevallen sprake was van kwitanties die niet in overeenstemming zijn met de bedragen die daadwerkelijk aan de [universiteit] zijn geschonken, maar dat betekent niet dat reeds daarom in alle gevallen en dus ook in het geval van eiser sprake is van onjuiste kwitanties en daarmee van het opzettelijk dan wel grofschuldig te weinig betalen van belasting. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat niet kan worden uitgesloten dat de frauduleuze handelingen van de penningmeester verder strekten dan waarover hij heeft verklaard. Niet kan worden uitgesloten bijvoorbeeld, dat de penningmeester een deel van de bedragen die door donateurs werden geschonken en waarvoor kwitanties zijn uitgereikt in eigen zak heeft gestoken. Onder die omstandigheden zou het accepteren van de bewijsvermoedens betekenen dat de bewijslast feitelijk ook voor de boeteoplegging op eiser komt te rusten. De betaling van € 1.100 waar verweerder naar verwijst past niet in het door verweerder geschetste patroon van betalingen die 10-12% van de gift bedragen, aangezien het hier 16% betreft van het bedrag dat eiser in de aangifte IB/PVV 2013 als gift heeft afgetrokken. Verder was de aangifte IB/PVV 2013 van eiser al vijf dagen voor de betaling op 16 februari 2014 ingediend. Het kan ook niet worden uitgesloten dat het bedrag van

€ 1.100 een gift betreft voor het jaar 2014. Verweerder is dan ook niet geslaagd in het bewijs dat het aan opzet of grove schuld van eiser is te wijten dat te weinig belasting is geheven.

Rentebeschikkingen

25. Eiser heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de rentebeschikkingen. Niet gebleken is dat de rente in strijd met de wettelijke bepalingen is berekend.

26. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen voor wat betreft de boetebeschikkingen gegrond te worden verklaard en voor het overige ongegrond.

Proceskosten

27. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.572 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 261, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond voor zover gericht tegen de boetbeschikkingen;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover betrekking hebbend op de
boetebeschikkingen;

- herroept de boetebeschikkingen en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van

de vernietigde delen van de uitspraken op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.572;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 94 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van
mr. P. Jasperse, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.